| |
10 mei 1995
Wetgeving Verenigde Staten: Status van Jeruzalem en de lokatie van de Amerikaanse
ambassade in Israel (Jerusalem Embassy Act)
Hierbij bepalen de Senaat en het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde
Staten van Amerika, in gezamenlijke zitting bijeen in het Congres,
Deel 1. Korte titel
Deze Wet zal bekend zijn als ‘Jerusalem Embassy Act of 1995’
Deel 2. Bevindingen
Het Congres stelt het volgende vast:
(1) Op basis van internationaal recht en gebruik mag iedere soevereine natie
zijn eigen hoofdstad aanwijzen.
(2) De stad Jeruzalem is sinds 1950 de hoofdstad van de Staat Israel.
(3) De stad Jeruzalem is de zetel van Israels President, Parlement, Hooggerechtshof,
en de plaats waar talrijke regerings-ministeries en sociale en culturele instellingen
zijn gevestigd.
(4) De stad Jeruzalem is het spirituele centrum van het jodendom, en wordt
ook door de leden van andere religies als een heilige stad beschouwd.
(5) Van 1948-1967 was Jeruzalem een gedeelde stad en Israelische burgers, alsmede
joodse burgers uit andere landen werd de toegang ontzegd tot de door Jordanië gecontroleerde
heilige plaatsen in het gebied.
(6) In 1967 werd de stad Jeruzalem herenigd tijdens het conflict dat bekend
is als de Zesdaagse Oorlog.
(7) Sinds 1967 is Israel een verenigde stad onder Israelisch bestuur en personen
van alle religies werd vrije toegang gegarandeerd tot heilige plaatsen in de
stad.
(8) Dit jaar markeert het 28ste jaar in successie dat Jeruzalem wordt bestuurd
als een verenigde stad waarin de rechten van alle etnische en religieuze groepen
worden gerespecteerd en beschermd.
(9) In 1990 nam het Congres met algemene stemmen de gezamenlijke (Senaat en
Huis van Afgevaardigden, WK) Resolutie 106 aan, waarin wordt gesteld dat het
Congres ‘er ten diepste van overtuigd is dat Jeruzalem een ongedeelde
stad moet blijven waarin de rechten van alle etnische en religieuze groeperingen
worden beschermd’.
(10) In 1992 namen de Senaat en het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde
Staten met algemene stemmen Resolutie 113 van het 102de Congres aan, waarmee
de 25ste verjaardag van de hereniging van Jeruzalem werd herdacht en het gevoelen
van het Congres werd herbevestigd dat Jeruzalem een ongedeelde stad moet blijven.
(11) De ‘Beginselverklaring over Interim Zelfbestuur Regelingen’ van
13 september 1993 verschaft een tijdsbestek voor de oplossing van ‘finale
status’-kwesties, waaronder Jeruzalem.
(12) Op 4 mei 1994 werd de ‘Overeenkomst voor de Gazastrook en het Gebied
van Jericho’ getekend, waarmee het begin werd gemarkeerd van de overgangsperiode
van vijf jaar zoals die in de Beginselverklaring is neergelegd.
(13) In maart 1995 ondertekenden 93 leden van de Amerikaanse Senaat een brief
aan Minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher, waarin deze wordt aangemoedigd ‘nu
met de voorbereidingen te beginnen’ voor de verplaatsing van de ambassade
van de Verenigde Staten naar Jeruzalem.
(14) In juni 1993 ondertekenden 257 leden van het Huis van Afgevaardigden van
de Verenigde Staten een brief aan Minister van Buitenlandse Zaken Warren Christopher,
waarin wordt gesteld dat de verplaatsing naar Jeruzalem van de ambassade van
de Verenigde Staten ‘niet later dient plaats te vinden dan in 1999’.
(15) In ieder land staat de ambassade van de Verenigde Staten in de functionerende
hoofdstad, behalve in het geval van onze democratische vriend en strategische
bondgenoot, de Staat Israel.
(16) De Verenigde Staten zijn betrokken bij officiële ontmoetingen en
andere zaken in de stad Jeruzalem, waarmee de facto de status van de stad wordt
erkend als zijnde de hoofdstad van Israel.
(17) In 1996 zal de Staat Israel de 3000ste verjaardag vieren van de joodse
aanwezigheid in Jeruzalem sinds de intocht van koning David.
Deel 3. Tijdsbestek
(a) Verklaring ten aanzien van het beleid van de Verenigde Staten
(1) Jeruzalem dient een ongedeelde stad te blijven waarin de rechten van alle
etnische en religieuze groeperingen beschermd worden.
(2) Jeruzalem dient te worden erkend als hoofdstad van de Staat Israel, en
(3) de ambassade van de Verenigde Staten in Israel dient – niet later
dan 31 mei 1999 - te worden gevestigd in Jeruzalem.
(b) Vastberadenheid m.b.t. de opening
Van de fondsen die voor het fiscale jaar 1999 aan het Ministerie van Buitenlandse
Zaken worden toegewezen ten behoeve van ‘Verwerving en Onderhoud van
Gebouwen in het Buitenland’ mag niet meer dan 50 procent worden aangesproken
totdat de Minister van Buitenlandse Zaken vaststelt en aan het Congres rapporteert
dat de ambassade van de Verenigde Staten in Jeruzalem officieel is geopend.
(…)
Uit: de ‘Jerusalem Embassy Act’, die op 10 mei 1995 werd aangenomen
door de Senaat en het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten. Het
wetsvoorstel werd op 26 oktober officieel aan president Bill Clinton voorgelegd,
maar niet binnen de grondwettelijk vastgestelde reactietermijn naar het Congres
teruggestuurd. Bijgevolg werd de ‘Jerusalem Ambassy Act’ op 8
november 1995 automatisch van kracht (zonder de handtekening van de president).
Op basis van deel 6 van de Act dient de Minister van Buitenlandse Zaken de
Voorzitter van het Huis van Afgevaardigden en de Commissie voor Buitenlandse
Zaken van de Senaat ieder halfjaar op de hoogte stellen van de voortgang
die is gemaakt ten aanzien van de opening van de ambassade van de Verenigde
Staten in Jeruzalem. Deel 7 van de Act stelt de president overigens in staat
de strafclausule 3.b te ontlopen door gebruik te maken van zijn bevoegdheid
tot opschorting, waarbij hij wel dient vast te stellen en aan het Congres
rapporteren dat het niet (kunnen) aanwenden van het budget de nationale veiligheid
van de Verenigde Staten in gevaar brengt.
|