Europese resolutie over bestrijding antisemitisme leidt tot politieke discussie

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInDigg thisShare on RedditEmail this to someonePrint this pageDeel dit

De aanbeveling van het Europees Parlement om de zogeheten ‘werkdefinitie antisemitisme’ in alle EU-lidstaten in te voeren, leidt tot een politieke discussie over de grenzen van Israelkritiek. 

Foto: IHRA neemt de werkdefinitie antisemitisme aan

Op 1 juni 2017 nam het Europees Parlement de resolutie inzake de bestrijding van antisemitisme aan. De resolutie spreekt bezorgd over het groeiende antisemitisme in Europa, en beveelt een aantal maatregelen aan om deze zorgwekkende trend een halt toe te roepen. Zo bevat de resolutie onder meer een aanbeveling voor EU-lidstaten om een nationale coördinator voor de bestrijding van antisemitisme in te stellen, en wordt opgeroepen tot aparte registratie van antisemitische geweldsincidenten. In Nederland vervult het CIDI de facto deze taak, hoewel het CIDI uiteraard niet wordt gefinancierd door de overheid maar door particuliere donaties. 

Bovendien beveelt de resolutie aan dat de werkdefinitie antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) door alle EU-lidstaten wordt overgenomen in de nationale wetgeving. Die definitie luidt als volgt: 

“Antisemitisme is een bepaald beeld van
Joden, dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische
en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen
Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen
van de Joodse Gemeenschap, en religieuze voorzieningen.”

IHRA geeft zelf enkele voorbeelden van antisemitisme bij de definitie. Zo geldt het oproepen tot geweld tegen Joden of het ontkennen van de Holocaust uiteraard als antisemitisch. Ook het ontkennen van het bestaansrecht van Israel, het vergelijken van Israel met de nazi’s of het hanteren van dubbele standaarden jegens Israel valt volgens de werkdefinitie onder antisemitisme. Kritiek op Israel die vergelijkbaar is met kritiek op andere landen is daarentegen zeker niet antisemitisch volgens de definitie. De definitie biedt dan ook handvatten om kritiek op (het beleid van) Israel te onderscheiden van antisemitische uitingen. 

CIDI is al jaren voorstander van het in Europees verband aannemen van de werkdefinitie antisemitisme. Het hebben van één definitie van antisemitisme draagt bij aan uniforme dataverzameling. Antisemitisme kan zo beter worden herkend en geregistreerd, en er kunnen vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. De definitie is vooral belangrijk voor landen die pas sinds kort antisemitisme monitoren, en is meestal juist daar erg nodig. Bovendien is de werkdefinitie een belangrijke stap in de bestrijding van online antisemitisme. Op dit moment maken antisemitische websites nog gebruik van het verschil in regelgeving in verschillende landen. Een uniforme definitie steekt hier een stokje voor, omdat er overeenstemming is over wat antisemitisme is. 

De aanbevelingen in de Europese resolutie, in het bijzonder de oproep aan de lidstaten om de werkdefinitie antisemitisme over te nemen, leidt tot een politieke discussie in Nederland. Zo stelde Tunahan Kuzu, fractievoorzitter van DENK, een reeks Kamervragen over de resolutie. Hij stelt onder meer dat de werkdefinitie antisemitisme de vrijheid van meningsuiting dreigt in te perken en dat er geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen antisemitisme en “meningen over de staat Israel”. Hij wijst bovendien op het kabinetsstandpunt “dat het van belang is om onderscheid te blijven maken tussen stellingname ten aanzien van Israël en antisemitisme”.

Ook PvdA-Kamerlid Kirsten van den Hul stelde Kamervragen, en meent dat de werkdefinitie “het onderscheid tussen stellingname ten aanzien van Israël en antisemitisme vertroebelt”. Ze vraagt hoe het kabinet er bij de bestrijding van antisemitisme voor zorgt dat “het onderscheid met kritiek op beleid van de staat Israël bewaakt wordt”, en vraagt de minister van Buitenlandse Zaken of hij bereid is  “de Israëlische regering aan te sporen om kritiek op haar bezettingsbeleid niet te vermengen met antisemitisme”.

SGP’er Roelof Bisschop toont zich daarentegen positief over de Europese resolutie. Hij vraagt de ministers van Veiligheid en Juistitie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om in contact te treden met hun collega’s in het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk, waar de werkdefinitie antisemitisme al is aangenomen, om te zien hoe in Nederland de aanpak van antisemitisme kan worden verbeterd. 

De Europese resolutie om de bestrijding van antisemitisme te bevorderen leidt in Nederland dus vooral tot discussie over de grenzen van kritiek op Israel. De Kamervragen worden pas na het zomerreces beantwoord.