| Centrum Informatie en Documentatie Israel > Israel Nieuwsbrief 2008 | ||
CIDI Israel Nieuwsbrief 2008 |
||
| | ||
Artikel
- 06 juni 2008
De Naqba en de waarheidDe herdenking van het zestigjarig bestaan van Israel werd door de Palestijnen en hun bondgenoten aangegrepen om de oude mythe van de 'Naqba' ('catastrofe') te herhalen: dat de stichting van de Joodse staat vergezeld ging van een geplande etnische zuivering en ontrechting van de Palestijnen en dat Israel derhalve in zonden geboren is. Een weerwoord tegen die opvatting, van de hand van de vooraanstaande historicus Efraim Karsh, (hoofd Midden-Oosten Studies van het Londense Kings College) verscheen vorige maand in het Amerikaanse tijdschrift Commentary. Karsh baseert zich vooral op recente research van tot nu toe genegeerde documenten. Een samenvatting volgt hieronder. De bewering van ontrechting met voorbedachten rade en het vervolgens gecreëerde Palestijnse 'vluchtelingenvraagstuk' vormt de kern van de aanklacht die door Israels vermeende slachtoffers en hun Westerse bondgenoten naar voren wordt gebracht. Het is een aantijging die niet onweersproken is gebleven. Al in het midden van de jaren vijftig formuleerde de eminente Amerikaanse historicus J.C. Hurewitz een systematische weerlegging en zijn bevindingen werden uitbundig bevestigd door latere generaties beleerden en schrijvers. Zelfs Benny Morris, de invloedrijkste van Israels revisionistische 'nieuwe historici', en iemand voor wie geen zee te hoog ging bij het wijzen op Israels 'oorspronkelijke zonde', heeft gestipuleerd dat er geen 'design' was om de Palestijnse Arabieren uit het land te verwijderen. De recente openbaarmaking van miljoenen documenten uit de periode van het Britse mandaat (1920-1945) en Israels jonge jaren, documenten die door eerdere generaties schrijvers niet aangeboord konden worden en die door de 'nieuwe historici' genegeerd of verdraaid werden, schilderen een veel gezaghebbender beeld van de historische gebeurtenissen. VN-resolutie van 1947 Tot op 15 september 1947, twee maanden voor het passeren van de VN-delingsresolutie, hebben twee hoge zionistische gezanten geprobeerd de secretaris-generaal van de Arabische Liga, Abdul Rahman Azzam van twee zaken te overtuigen: dat het Palestijnse conflict "onnodig de beste energie van de Arabische Liga opslokte', en dat zowel Arabieren en Joden veel profijt zouden kunnen hebben van 'een actieve politiek van samenwerking en ontwikkeling'. Achter dat voorstel lag een aloude zionistische hoop: dat de uit Joodse vestiging resulterende materiële vooruitgang het voor de lokale Arabieren zou vergemakkelijken zich permanent te verzoenen met het project van Joodse nationale zelfbeschikking. En dat men daar zelfs positief over zou kunnen gaan denken. David Ben Goerion, die kort daarna Israels eerste premier zou worden, drukte het in december 1947 als volgt uit: Als de Arabische burger zich in onze staat thuisvoelt, als de staat hem op waarachtige en toegewijde wijze helpt het economische, sociale en culturele niveau van de Joodse gemeenschap te bereiken, dan zal het Arabische wantrouwen bijgevolg afnemen en zal een brug worden gebouwd voor een Semitische Joods-Arabische alliantie. Levensstandaard Arabieren Het algemene positieve effect van de Joodse immigratie op het Arabische welzijn wordt geïllustreerd door het feit dat de groei van de Arabische bevolking vooral plaatsvindt in stedelijke gebieden die door Joodse ontwikkelingsactiviteiten beïnvloed zijn. Een vergelijking van de resultaten van de census van 1922 en 1931 laat een groei zien van 86 % in Haifa, 62% in Jaffa, 37% in Jeruzalem, terwijl de groei in volledig Arabische stadjes als Nabloes en Hebron slechts 7% was en er in Gaza een afname te zien was van 2%. Een belangrijk deel van de gewone Palestijnse bevolking was in de gewelddadige periode tussen de delingsresolutie en 14 mei 1948 niet actief bij de vijandelijkheden betrokken. Talloze Arabische dorpen sloten vredesovereenkomsten met hun Joodse buren. In februari 1948 verklaarde Ben Goerion dat de meeste dorpen aan de zijlijn waren blijven staan. Ben Goerions analyse werd gedeeld door de Iraakse generaal Ismael Safwat, de commandant van het Arabische Bevrijdingsleger (ALA) dat betrokken was bij veel van de gevechten in Palestina, in de maanden voorafgaand aan Israels onafhankelijkheidsverklaring. Safwat lamenteerde dat slechts 800 van de 5000 ALA-vrijwilligers uit Palestina zelf afkomstige waren. Fawzi Qawaqji, de lokale bevelhebber van het ALA, was nog scherper. Hij vond de Palestijnen 'onbetrouwbaar, lichtgeraakt, en moeilijk te controleren, en in georganiseerde oorlogsvoering vrijwel oninzetbaar'. Alle Joden de zee in De Arabieren probeerden hun schuld ook niet te verbergen. Terwijl de Joden de basis voor hun ontluikende staat legden en tegelijkertijd hun Arabische landgenoten ervan probeerden te overtuigen dat zij (zoals Ben Goerion het zei) 'gelijkwaardige burgers, in alles gelijk, zonder enige uitzondering' zouden zijn, beloofden Arabische leiders plechtig dat 'als de deling wordt geïmplementeerd, dat alleen over de lijken van de Arabieren van Palestina zal zijn, hun zonen en al hun vrouwen'. Qawuqji kondigde aan 'alle Joden in de zee te drijven'. Abdal Qader Hoesseini verklaarde: 'het Palestijnse vraagstuk kan alleen met het zwaard kan worden opgelost; alle Joden moeten Palestina verlaten'. Zij en hun Arabische medeplichtigen deden hun uiterste best en gebruikten alle beschikbare middelen om die dreigementen waarheid te doen worden. Er werd niet alleen dood en verwoesting gezaaid door reguliere troepen, zoals de ALA, maar ook door guerrilla- en terreurgroepen, waarbij zowel non-combattanten als Joodse strijdgroepen doelwit waren. Schietpartijen, hinderlagen, bomaanslagen, die vandaag de dag als oorlogsmisdaden zouden worden veroordeeld, waren dagelijkse gebeurtenissen in het leven van burgers. In december 1947 schreef de Amerikaanse consul-generaal in Jeruzalem, Robert Macatee: Onschuldige en ongevaarlijke mensen worden neergeschoten terwijl zij in de bus zitten of over straat lopen. En verdwaalde kogels vinden hen zelfs als ze in hun bed liggen te slapen. In Jeruzalem werd een Joodse vrouw, een moeder van vijf kinderen, neergeschoten terwijl zij op het dak bezig was de was uit te hangen. De ambulance die haar naar het ziekenhuis reed werd met een machinegeweer beschoten en tenslotte werden, op haar begrafenis, de rouwenden aangevallen en een van hen neergestoken. Deir Yassin Maar terwijl het Joodse leiderschap en de Joodse media deze gruwelijke gebeurtenissen afschilderden zoals ze waren, waarbij soms details werden weggelaten om paniek te voorkomen, en de deur open werd gehouden voor Arabisch-Joodse verzoening, werd de tol in mensenlevens door hun Arabische tegenhangers niet alleen tot gigantische proporties opgeblazen, maar werden talloze niet-bestaande gruweldaden verzonnen. De val van Haifa bijvoorbeeld (21-22 april), was aanleiding voor totaal valse beweringen over een grootschalige slachtpartij. Dat nieuws circuleerde door het gehele Midden-Oosten en bereikte ook de Westerse hoofdsteden. Vergelijkbare valse geruchten werden verspreid na de val van Tiberias (18 april), tijdens de slag om Safed (begin mei) en in Jaffa, waar de burgemeester eind april een massamoord 'op honderden Arabische mannen en vrouwen' verzon. In het bijzonder huiveringwekkend waren de Arabische mediaverslagen over Deir Yassin, compleet met hamer-en-sikkel-tatoeages op de armen van de Joodse IZL-strijders en beschuldigingen van moord en doodslag en verkrachting. Deze paniekzaaierij was er zonder twijfel op gericht de breedst mogelijke steun voor de Palestijnse positie te oogsten en de Joden als wrede plunderaars af te schilderen. Maar het had een rampzalig boemerangeffect omdat het binnen de gedesoriënteerde Palestijnse samenleving paniek veroorzaakte. Daarmee kan verklaard worden waarom, in april 1948, na vier maanden van ogenschijnlijke vooruitgang, deze fase van de Arabische oorlogsinspanning in elkaar stortte. (Overigens stond een tweede, veel grotere en langdurige fase voor de deur, met de inzet van de strijdkrachten van de vijf Arabische staten die Palestina midden mei binnenvielen.) Want niet alleen hadden de meeste Palestijnen geweigerd actief aan de vijandelijkheden deel te nemen, enorme aantallen waren op weg gegaan. Zij hadden hun huizen verlaten om naar andere plaatsen in het land te gaan, of naar het buitenland te vluchten. Geen onderlinge solidariteit Er was onder de Palestijnse Arabieren een totaal gebrek aan nationale cohesie, laat staan dat er enig gevoel van een gedeelde lotsbestemming was. Steden en dorpen handelden alsof zij op zichzelf staande eenheden waren, zij hielden zich alleen met hun eigen noden bezig en vermeden de kleinste opoffering ten behoeve van andere plaatsen. Veel 'nationale comités' (d.w.z. lokaal leiderschap) verboden de export van voedsel en dranken van welvoorziene steden naar de noodlijdende stadjes en dorpen in de buitengewesten. Haifa's Arabische handelaren weigerden het nijpende meeltekort in Jenin te verlichten, terwijl Gaza de export van eieren en gevogelte naar Jeruzalem weigerde; in Hebron werden alle vertrekkende auto's door gewapende bewakers gecontroleerd. In dezelfde tijd werd er op grote schaal gesmokkeld, vooral in de steden met een gemengde bevolking, waarbij Arabisch voedsel naar Joodse buurten ging en vice versa. Begin april 1948 waren zo'n 100 duizend Palestijnen vertrokken, alhoewel de Joden nog steeds in de verdediging waren en niet in de positie om de Palestijnen te verdrijven. Op 23 maart, vier maanden na het uitbreken van de vijandelijkheden, stelde ALA-commandant Safwat onthutst vast: 'tot dusver hebben de Joden niet één Arabisch dorp aangevallen, tenzij zij er door geprovoceerd werden'. Tegen de tijd van de Israelische onafhankelijkheidsverklaring van 14 mei was het aantal Arabische vluchtelingen meer dan verdrievoudigd. Maar ook toen was niet één van de 170 - 180 duizend Arabieren die de steden ontvlucht waren en niet één van de 130 - 160 duizend dorpelingen die hun huizen hadden verlaten, door de Joden verdreven. De uitzonderingen vonden plaats in het heetst van de strijd en werden steeds gedicteerd door ad-hoc militaire overwegingen. In plaats van Arabieren te verdrijven waren er zelfs Joodse acties om Arabieren van vertrek te weerhouden. Zo reisde eind april 1948 een Joodse delegatie langs Arabische plaatsen in de kustvlakte, die toen in enorm tempo leegliepen, in een poging de inwoners ervan te overtuigen te blijven. Palestijnen door Arabieren verdreven Ook een belangrijk deel van het Arabische leiderschap vertrok naar het buitenland. Cunningham: U moet weten dat de ineenstorting van de Arabische moraal in bepaalde mate wordt veroorzaakt door de neiging, van degenen die hen zouden moeten leiden, het land te verlaten. In Jaffa bijvoorbeeld ging de burgemeester twaalf dagen geleden voor vier dagen op verlof, maar hij is niet teruggekeerd. En de helft van het nationale comité is vertrokken. De Arabische leden van de gemeenteraad van Haifa zijn enige tijd geleden vertrokken. De twee leiders van het Arabisch Bevrijdingsleger zijn zelfs tijdens de recente gevechten vertrokken. [...] In alle delen van het land is al lange tijd sprake van het vertrek van grote aantallen mensen uit de effendi-klasse en het tempo daarvan neemt toe. Mohammed Nimr al-Khatib, een Palestijns-Arabische leider tijdens de oorlog van 1948, vatte de situatie als volgt samen: 'De Palestijnen hadden buurstaten die hun grenzen en deuren voor vluchtelingen openzetten, terwijl de Joden geen alternatief hadden dan te overwinnen of te sterven'. Maar die open grenzen gaven de vluchtelingen slechts toegang tot een feitelijke gevangenis. Zestig jaar na hun verstrooiing verblijven de vluchtelingen van 1948, en hun nakomelingen nog steeds in de ellendige vluchtelingenkampen waarin zij al decennia lang door hun mede-Arabieren zijn gehouden, gevoed met haat en valse hoop. |
||
| | ||
| © CIDI, 2008 | ||