Kabinet gaat IHRA-definitie antisemitisme niet in wetgeving vastleggen

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInDigg thisShare on RedditEmail this to someonePrint this pageDeel dit

Het Nederlandse kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het aannemen van de antisemitismedefinitie van de IHRA. In Nederland is er namelijk al “een goede vorm van registratie en rapportage van antisemitisme”. Dat laten verschillende ministers weten in antwoord op vragen door de Tweede Kamer.

Op 1 juni had het Europese Parlement een resolutie aangenomen waarin het lidstaten van de EU aanbeveelt een aantal maatregelen te nemen om antisemitisme effectiever aan te pakken. Eén van deze recommandaties is het aannemen van de antisemitismedefinitie van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). Deze definitie luidt als volgt:

“Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden, dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse Gemeenschap, en religieuze voorzieningen.”

Politieke discussie

Naar aanleiding van de resolutie door het Europese Parlement, hebben verschillende leden van de Tweede Kamer vragen gesteld aan het Kabinet. Roelof Bisschop van de SGP wees erop dat de IHRA-definitie al in Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk is aangenomen. Hij vroeg dan ook de Nederlandse regering met deze landen in contact te treden om te zien hoe de aanpak van antisemitisme in Nederland verbeterd kan worden.

Tunahan Kuzu van partij DENK stelde echter dat de IHRA-definitie de vrijheid van meningsuiting dreigt in te perken. Volgens het Kamerlid is er in de woordbepaling van de IHRA geen duidelijk onderscheid tussen antisemitisme en kritiek op de staat Israel. PvdA-Kamerlid Kirsten van den Hul uitte zich in Kamervragen in vergelijkbare bewoordingen.

Antwoorden Kabinet

De Nederlandse regering zegt de woordbepaling als niet juridisch bindende werkdefinitie van en voor de IHRA te steunen. Het Kabinet zegt geen toegevoegde waarde te zien in het aannemen van deze definitie, of welke internationale definitie dan ook, als juridisch bindend. De woordbepalingen hebben namelijk “een verschillende doorwerking in verschillende rechtssystemen”. Bindend gebruik van de IHRA-definitie is dus, als het aan het Kabinet ligt, alleen voor de IHRA zelf voorbehouden.

Bovendien, zo laten ministers Blok en Asscher aan Kamerlid Bisschop weten, is er in Nederland al “een goede vorm van registratie en rapportage van antisemitisme”. Daarbij verwijzen de bewindvoerders naar de jaarlijkse rapportage discriminatiecijfers. In dit rapport worden ook de cijfers van het CIDI meegenomen. Het centrum registreert antisemitische incidenten en publiceert deze jaarlijks in een monitor. De antisemitismewaakhond wordt echter niet door de overheid, maar door particuliere donaties gefinancierd.

Kamerlid Kuzu had gevraagd welke wetten er in Nederland bestaan om onder andere antisemitisme en islamofobie aan te pakken. Ministers Asscher en Koenders laten aan het DENK-Kamerlid weten dat de Grondwet in Artikel 1 “een algemeen verbod van discriminatie op grond van onder meer ras en godsdienst” geeft. “Dit verbod is nader uitgewerkt in de gelijkebehandelingswetgeving en het strafrecht.” Hierbij kan men onder meer denken aan Artikel 137c en Artikel 137d.

Artikel 137c verbiedt “het opzettelijk beledigen van groepen mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, seksuele geaardheid of handicap” en Artikel 137d verbiedt “het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen mensen” omdat ze tot een van de eerder genoemde groepen horen. Artikel 137 is al jaren een punt van discussie. In december lag er nog een wetsvoorstel op tafel om de antidiscriminatieregels aanzienlijk in te perken.

Kamerlid Bisschop wou ook weten of de IHRA-definitie gevolgen heeft voor BDS-activisten. De SGP-politicus noemt BDS een vorm van antisemitisme. Het Kabinet blijft echter benadrukken “dat het van belang is om onderscheid te blijven maken tussen stellingname ten aanzien van het beleid van de Israelische regering en antisemitisme”. Zolang de BDS-beweging zich binnen wettelijke kaders manifesteert, vallen haar activiteiten onder de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering. Wel zeggen de bewindvoerders dat als er incidenten plaatsvinden waarbij sprake is van discriminerende uitlatingen, haat zaaien, gebruik van of oproepen tot geweld en/of intimidatie, het Kabinet daar “nadrukkelijk afstand” van neemt en het strafrecht dan van toepassing is.

CIDI voorstander van één definitie

Zoals al eerder vermeld, is het CIDI al jaren voorstander van het in Europees verband aannemen van de werkdefinitie antisemitisme. Het hebben van één definitie van antisemitisme draagt bij aan uniforme dataverzameling. Antisemitisme kan zo beter worden herkend en geregistreerd, en er kunnen vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. De definitie is vooral belangrijk voor landen die pas sinds kort antisemitisme monitoren, en is meestal juist daar erg nodig. Bovendien is de werkdefinitie een belangrijke stap in de bestrijding van online antisemitisme. Op dit moment maken antisemitische websites nog gebruik van het verschil in regelgeving in verschillende landen. Een uniforme definitie steekt hier een stokje voor, omdat er overeenstemming is over wat antisemitisme is. 

Op 4 september organiseert het CIDI een lezing over antisemitisme en antizionisme door de Britse socioloog David Hirsh. U bent van harte uitgenodigd bij de CIDI-lezing over dit actuele onderwerp. Aanmelding is verplicht via cidi@cidi.nl met als onderwerp: aanmelding lezing David Hirsh, of bel naar 070-3646862.

 

Bron foto: -JVL- / Flickr.