Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI in de media 1998 www.cidi.nl - Terug naar Home Page
 

CIDI in de media 1998

 
 

LBR-bulletin januari 1998

Toename vreemdelingenhaat noodzaakt antwoord op het revisionisme

door Ronny Naftaniel

De studiedag WEERZINWEKKENDE 'WETENSCHAP' OVER HOLOCAUSTONTKENNING EN ANDERE UITINGEN VAN HISTORISCH REVISIONISME ging vooral over de grenzen van het recht. De bijeenkomst op 8 december 1997 te Amsterdam werd georganiseerd door de Anne Frank Stichting, CIDI en het Overlegorgaan van Joden en Christenen.

In haar inleiding op de studiedag stelde minister van Justitie Sorgdrager al dat de Auschwitz Luge een verwerpelijk verschijnsel was, dat haars inziens onder de werking van de artikelen 137 c-e van het wetboek van Strafrecht over discriminatoire belediging, kan vallen. Voor een algemeen verbod op de holocaustontkenning zag ze evenwel op dit moment geen aanleiding. "We moeten niet in de valkuil trappen, dat we alles wat wij smakeloos en zelfs moreel laakbaar achten ook meteen strafwaardig moeten maken", aldus de minister.

De bemoeienis met het revisionisme van de drie bovengenoemde organisaties en het Landelijk Bureau Racismebestrijding dateert van juni 1992. Toen werden pamfletten in Den Haag ver-

spreid met als opschrift " De zes miljoen Holocaust, wat u steeds heeft willen weten maar wat men altijd heeft verzwegen," en "Amerikaanse holocaust deskundige vernietigt de gaskamer legende." De geschriften kwamen van de Belgische revisionist Siegfried Verbeke. Hij ontkende het bestaan van de gaskamers in de concentratiekampen. Zij zouden een verzinsel van de Joden zijn om er economisch beter van te worden. Later zou hij nog de brochure 'de Rudolf Expertise' aan leraren maatschappijleer aan het Nederlandse voortgezet onderwijs toezenden. Daarin treft men bijvoorbeeld de volgende passage aan (pag 99): "Op scheikundig/natuurlijke gronden kunnen de beweerde massavergassingen met blauwzuur in de vermeende gaskamers in Auschwitz niet hebben plaatsgehad".

Tegen het verspreiden van de pamfletten en brochures werd een strafklacht ingediend op grond van de artikelen 137 c-e Wetboek van Strafrecht. Die verbieden het zich beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras of godsdienst. Omdat de Officier van Justitie, zoals helaas vaak gebruikelijk is, talmde met de vervolging van Verbeke spanden Anne Frankstichting, CIDI en het Landelijk Bureau Racisme Bestrijding tevens een kort geding aan dat gewonnen werd. Ook in hoger beroep oordeelde het civiele Hof in Den Haag op 16 juni 1994, dat de pamfletten onrechtmatig waren en legde een dwangsom op van fl 10.000 per overtreding.

Opmerkelijk was dat het civiele Hof de ontkenning van de Holocaust wel een onrechtmatige daad achtte, maar geen strafbaar feit.

Het overschreed met die uitspraak zijn bevoegdheden door op de stoel van de strafrechter te gaan zitten. Deze dacht er zelf gelukkig anders over. Op 2 mei 1996 veroordeelde het Hof in Den Haag Verbeke wegens het overtreden van de hierboven genoemde antiracisme artikelen tot een geldboete van fl 5000 en zes maanden voorwaardelijk. Dat Verbeke een Belg was, die zijn kwalijke boodschappen in België publiceerde, deed niet terzake. Het Hof oordeelde dat het misdrijf, de opzettelijke belediging, in Nederland gepleegd was. Verbeke ging in cassatie.

Op 25 november 1997 bevestigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en bepaalde daarmee voor het eerst duidelijk de norm, dat de opzettelijke ontkenning en het bagatelliseren van de holocaust, in Nederland verboden is. Dat is een buitengewoon belangrijke ontwikkeling. Het baanbrekende arrest maakt inderdaad de invoering van een aparte verbodsbepaling, die het ontkennen van misdrijven tegen de menselijkheid strafbaar stelt, waartegen minister Sorgdrager bedenkingen heeft, vooralsnog onnodig.

Pikant detail was dat de Hoge Raad eveneens bevestigde dat bepaalde uitlatingen, die Verbeke in de Rechtszaal tijdens de behandeling van het kort geding ter zijner verdediging had gedaan, strafbaar waren. Het ging om woorden als "Holocaustmythe" en "groteske volksverlakkerij". De Hoge Raad overwoog dat: "een partij in een civiele procedure de grootst mogelijke vrijheid moet hebben om haar stellingen en verweren te verwoorden op een wijze die zij in het belang van haar zaak nodig oordeelt. Daarnaast behoudt een ieder ook in een civiele procedure zijn verantwoordelijkheid volgens de strafwet. Dit brengt als uitgangspunt mee dat een partij bij het verwoorden van haar stellingen en verweren niet de strafwet mag overtreden."

Onze actieve opstelling tegen het revisionisme wordt niet veroorzaakt door enige vrees voor het wetenschappelijk debat over de Tweede Wereldoorlog en de moord op 6 miljoen Joden. Echt wetenschappelijk revisionisme kan buitengewoon nuttig zijn om staatsgeschiedschrijving ter discussie te stellen en heilige huisjes open te breken. Maar wat de ontkenners van de holocaust doen, heeft niets met dit soort revisionisme of met wetenschap te maken. Ze zijn negationisten: een samenraapsel van oude en nieuwe racisten, die erop uit zijn het Nazisme te rehabiliteren en de waarschuwende werking, die van de holocaust uitgaat, te ondermijnen.

Door de genocide in Auschwitz te ontkennen, hopen zij de maatschappij te ontdoen van het meest indrukwekkende eigentijdse symbool van de gevolgen van rassenwaan, en aldus ontvankelijker te maken voor nieuwe vormen van nationalisme en rassenhaat.

Nog geen drie jaar na de Tweede Wereldoorlog schreef de Fransman Maurice Bardeche (oprichter van het fascistische blad Defense de l'Occident) het eerste boek waarin het bestaan van de gaskamers ontkend werd. Hij werd in 1964 nagevolgd door de Franse socialist Paul Rassinier in zijn boek Le drame des Juifs Européens en de Amerikaan Arthur R.Butz die in 1976 het negationistische standaardwerk "The Hoax of the Twentieth Century" publiceerde. Andere namen zijn de quasi historicus David Irving, de oud-hoogleraar Robert Faurisson die het dagboek van Anne Frank een vervalsing noemt en in zekere zijn ook de filosoof Garaudy, die meent dat de zionisten de holocaust exploiteren. Deze geestelijke vaders van het revisionisme hebben groepjes neo-nazi's om zich heen geschaard, die op alle mogelijke wijzen het revisionisme koppelen aan het moderne racisme en antisemitisme. En daarin schuilt nu juist het grote gevaar van de Auschwitz-luge. Nu nationalisme in Europese landen als België, Frankrijk, Oostenrijk en zelfs Noorwegen, om maar te zwijgen van het voormalige Joegoslavië, niet langer taboe is, kunnen revisionisme en nationalisme elkaar versterken en bevruchten. Het is een misselijk makende omhelzing, die er voor zorgt dat vreemdelingenhaat een kans kan krijgen, zonder dat er een scherp maatschappelijk protest op volgt.

Vooralsnog zijn het kleine groepen die het revisionisme propageren. Dit kan evenwel geen reden zijn het verschijnsel te bagatelliseren. Ons historisch besef is aan het afnemen. Naarmate de jaren 1940-1945 verder van ons verwijderd zijn, zijn er minder mensen in leven, die precies weten wat er gebeurd is. De revisionisten spelen met hun materiaal hierop in. Paradoxaal worden ze daartoe ook gedwongen door de scherpere wetgeving in een aantal Europese staten en uitspraken, zoals de eerder door mij aangehaalde in de zaak Verbeke. Nu de platte ontkenning van de Holocaust in veel landen verboden is, zijn de revisionisten overgegaan tot subtielere methoden. De Sjoa-ontkenning heeft plaats gemaakt voor het in twijfel trekken van vaststaande feiten. Zo verspreidde de broer van Siegfried Verbeke, Herbert, vorig jaar op grote schaal onder Nederlandse scholen een boekje, waarin zogenaamd berekend werd dat de in Auschwitz aanwezige crematoria onvoldoende capaciteit hadden om op meer dan een miljoen lijken te verbranden.

Het gaat om het geschrift "De Crematoria-ovens van Auschwitz en Birkenau." van Carlo Mattogno en ir. Franco Deana. Op grond van de onvoldoende capaciteit van de crematoria en op basis van de hoeveelheid gebruikte cokes concluderen ze, dat Auschwitz-Birkenau nimmer een vernietigingskamp kon zijn geweest. In andere kampen hadden wellicht wel vergassingen van Joden plaats gevonden, in Auschwitz echter niet. Duitse documenten die het tegendeel beweren, worden als vervalsing afgedaan. Scholieren die dit soort boekjes in handen krijgen, moeten verdraaid goed de geschiedenis kennen om te ontdekken wat het misleidende van deze bewering is.

Deze ontwikkeling in het revisionisme gaat gepaard aan de onbegrensde mogelijkheden voor de verspreiding van het gedachtengoed, die het medium internet biedt. In eigen land is deze doelbewuste verspreiding verboden, maar in landen als Amerika en Canada niet. Dat stelt elke Nederlandse internet gebruiker in staat om toch kennis te nemen van de 'weerzinwekkende pseudo-wetenschap' die de revisionisten beoefenen. Ondanks alle goede voornemens is er niets dat de revisionisten tegenhoudt. De Canadese Zundel site is zo'n voorbeeld.

Concluderend kan men stellen, dat de groter wordende afstand in tijd met de Tweede Wereldoorlog, de nieuwe verspreidingsmogelijkheden en het subtielere karakter van het revisionisme nieuwe middelen noodzakelijk maken om het revisionisme, in aanvulling op de juridische bestrijding ervan, terug te dringen. Daarbij denk ik aan de publikatie van simpele boekjes bestemd voor het onderwijs, waarin nog eens gedocumenteerd wordt uitgelegd wat er werkelijk in de concentratiekampen is gebeurd. De Anne Frankstichting, CIDI, het LBR en het Overlegorgaan voor Joden en Christenen zouden, eventueel aangevuld met anderen, hiertoe het initiatief moeten nemen.

Tot dusver hebben holocaust deskundigen nooit een dergelijke reactie op de revisionisten willen geven, omdat dit de indruk zou kunnen wekken dat de argumenten van de revisionisten serieus genomen worden. De herlevende vreemdelingenhaat moet ons dwingen die ivoren toren te verlaten, zodat we een overtuigend antwoord kunnen geven op ondermijnende activiteiten van het revisionisme.

Ronny Naftaniel is directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israel