| Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI Publicaties | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Israels bestuur over de Westoever en Gaza 1967-1994 |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Inhoudsopgave
1. Voorwoord"Het Israelische en het Palestijnse volk, die elkaar bijna een eeuw lang hebben bevochten, hebben besloten vastberaden verder te gaan op het pad van dialoog, begrip en samenwerking ", zo sprak minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres op 13 september 1993 in de tuin van Het Witte Huis in Washington. Daar vond de historische ondertekening plaats van een raamwerkakkoord voor zelfbestuur voor de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever door Israel en de PLO. De ondertekening van het akkoord werd bezegeld met een handdruk van premier Jitschak Rabin en PLO-voorzitter Jasser Arafat. De bereidheid van de PLO om voor Israel onaanvaardbare passages uit het PLO-Handvest te schrappen, waarin opgeroepen wordt tot de vemietiging van de Joodse staat, en terrorisme af te zweren, maakte het voor de Israelische regering mogelijk om met de PLO over de bezette gebieden te praten. Dit akkoord is een nieuw hoofdstuk in het slepende conflict tussen Zionisme en Palestijns nationalisme. Helaas zijn de tegenstellingen uit het verleden diep ingesleten. Vrede heeft vele vijanden, niet in het minst bij extremistische Palestijnse en Joodse groeperingen, die geen genoegen kunnen nemen met een deling van het land. Ondanks de belofte van Arafat dat de Palestijnse terreur zal ophouden, is hij niet bij machte gebleken moorden op Joodse kolonisten en militairen te stoppen. Vrijwel elke dag claimen radicale Palestijnse organisaties zoals de fundamentalistisch-lslamitische Hamas en de Haviken van Fatah aanslagen tegen Joodse Israeli's. Aan Israelische kant zijn het met name kolonisten in de bezette gebieden die het verzet leiden. Enkelen onder hen deinzen er niet voor terug de meest verwerpelijke methodes te gebruiken. De slachting die de kolonist Baruch Goldstein, lid van de fascistische splintergroep Kach, op 25 februari 1994 onder biddende Palestijnen in Hebron aanrichtte, dompelde de gehele Palestijnse gemeenschap in rouw. Deze schanddaad, gericht op het in flarden schieten van het vredesproces, kostte aan tientallen Palestijnen het leven. De Israelische regering en de Joodse geestelijke autoriteiten spraken hun scherpe atkeuring uit. Maatregelen werden getroffen om de extremistische kolonisten het zwijgen op te leggen. Dit kon niet verhinderen dat het toch al vertraagde vredesoverleg tussen de PLO en Israel tot nader order werd opgeschort. Het is vrijwel zeker dat 13 april 1994 als daturn waarop de Israclische troepen conform het akkoord uit de Gazastrook en Jericho moeten zijn teruggetrokken, niet zal worden gehaald. Hetzelfde geldt voor de vrije verkiezingen in de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook, die voor 13 juli 1994 gepland zijn en die moeten leiden tot een gekozen Palestijnse bestuursraad. Maar uiteindelijk is er voor Israel en de PLO geen alternatief dan de ingeslagen weg te vervolgen. Beide volkeren zijn de bezetting en het geweld beu. Volgens de akkoorden is 13 april 1999 de uiterlijke datum waarop de definitieve status van de Westoever en Gazastrook dient in te gaan. Tegen die tijd zal Israels militaire controle van de gebieden tot het verleden behoren en komt wellicht een Palestijnse staat in zicht, alle ontwrichtingen door extremisten ten spijt. Om nader inzicht te verkrijgen in deze stormachtige ontwikkelingen is een historisch besef van de relatie tussen Israel en de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook een vereiste. Om welke gebieden gaat het nu eigenlijk en hoe kreeg Israel ze in handen? Waarorn is het akkoord nu pas tot stand gekomen? Hoe denkt rnen in Israel en de bezette gebieden zelf over het bereikte akkoord? Op die vragen beoogt deze CIDI-Infomatiebrochure een antwoord te geven door middel van een terugblik op bijna zevenentwintig jaar Israelische aanwezigheid in de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook. Zowel Israelische standpunten ten aanzien van de bezette gebieden en de ontwikkelingen in de gebieden onder Israelisch bestuur, als de reacties van de Palestijnse bewoners hierop, worden besproken. Ook wordt het verband gelegd met regionale en internationals gebeurtenissen waardoor de Israeli's en de Palestijnen uiteindelijk met elkaar aan de onderhandelingstafel terecht zijn gekomen. Voor alle duidelijkheid: met 'bezette gebieden worden in deze brochure de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever bedoeld. De in 1981 door Israel geannexeerde Golanhoogte en Oost-Jeruzalem, geannexeerd in j uni 1967. worden buiten beschouwing gelaten, aangezien het huidige akkoord tussen Israel en de PLO zich beperkt tot een regeling voor de Westoever en de Gazastrook, die het gebied vormen waar een Palestijns bestuur gevestigd gaat worden. De hoogte van Golan is onderwerp van de onderhandelingen tussen Israel en Syrië. Over Jeruzalem zal pas veel later (uiterlijk in 1996) door Israel en de Palestijnen worden gesproken. Bovendien is er van CIDI twee jaar geleden een andere brochure 'Jeruzalem, stad van vrede' verschenen, waarin de Jeruzalemproblematiek uitvoerig wordt besproken door (de inmiddels oud-) burgemeester Teddy Kollek. Ronny Naftaniel, directeur CIDI 2. Een korte voorgeschiedenisDe Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook beslaan meer dan 6000 vierkante kilometer. Samen met Israel en Jordanië maakten de gebieden tot 1917 deel uit van het Ottomaanse Rijk. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog kreeg Groot-Brittannie dit deel van het Ottomaanse Rijk, Palestina, onder zijn controle. De Volkenbond plaatste Palestina in 1922 onder Brits mandaat. Engeland raakte al snel verstrikt in de strijd om land tussen het toenemend aantal Joden en de Palestijnse Arabieren in de westelijke helft van Palestina. In 1947 gaven de Britten, niet in staat het betwiste gebied adequaat te besturen, het mandaat terug aan de Verenigde Naties. In november van dat jaar stelden de Verenigde Naties een delingsplan voor Palestina voor, waarbij de Arabieren de Westelijke Jordaanoever, de provincie Gaza, Jaffa en de Arabische delen van Galilea zouden krijgen. De Joodse staat zou gaan bestaan uit de Negev-woestijn, de kustvlakte tussen Tel Aviv en Haifa en stukken van Gaiilea aan de grens met Syrië. De Joden namen het voorstel van de Verenigde Naties aan, maar de Arabieren weigerden het plan te accepteren. Zij eisten het hele grondgebied op.
Op 14 mei 1948, een dag nadat de Britten hun mandaatgebied verlaten hadden, riep David Ben Goerion de staat Israel uit. Een coalitie van zes Arabische landen (Egypte, Transjordanië, Saoedi-Arabie, Syrië, Libanon en Irak) vielen de volgende dag de jonge Joodse staat binnen, 'om voor eens en voor altijd af te rekenen niet het Zionistische ideaal'. Op 11 juni 1948 werd op Rhodos een wapenstilstand getekend tussen Israel en de Arabische landen. Door het grondgebied dat Israel in deze oorlog had veroverd, werd het land groter dan in het VN-plan was voorgesteld. De Westoever kwam onder (Trans)Jordaans bestuur en de Gazastrook werd door Egypte ingelijfd. Geen van deze twee Arabische landen stond de Palestijnen toe een onafhankelijke regering in de gebieden te vormen. Juni-Oorlog Tijdens de oorlog van 1967, die door Syrië en Egypte uitgelokt en door Jordanië begonnen werd, veroverde Israel onder meer de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. In ruil voor vrede en erkenning van het bestaansrecht van de Joodse staat bood Israel na de Juni-oorlog teruggave van de gebieden aan. Na de weigering van de Arabische staten hierop in te gaan, waartoe besloten werd op de Conferentie van Karthoem in 1967, kon Israel uit veiligheidsoverwegingen de gebieden niet op een verantwoorde wijze afstoten. Israelische strijdkrachten bleven dus in de Westoever en de Gazastrook om deze te besturen. Met de vrede tussen Israel en Egypte in 1979, waarbij Egypte de Gazastrook niet terug wilde, en de verklaring van koning Hoessein in 1988, waarmee Jordanië formeel afstand deed van de Westoever, werd dit probleem voor Israel onderstreept. 3. Israelische politiek jegens de bezette gebiedenTientallen jaren heeft het geduurd voordat Israel, de Palestijnen en de Arabische landen met elkaar vredesbesprekingen gingen voeren. Behalve het beginselakkoord tussen Israel en de PLO, is er ook een agenda voor onderhandelingen tussen Jordanië en Israel overeengekomen. Ook tussen Syrië en Israel gaan de besprekingen nog steeds door. In de afgelopen zevenentwintig jaar zijn diverse plannen aangedragen om een oplossing voor de langdurige Israelische aanwezigheid in de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook te vinden. Sinds 1979 zijn de vredesinitiatieven eigenlijk allemaal gebaseerd op de bepalingen betreffende de bezette gebieden in de Camp David Akkoorden', die hieronder nog aan bod zullen komen. Uiteenlopende standpunten in de Israelische politiek kwamen daarbij naar voren. Land voor veiligheid De Arbeidspartij (Avoda) onder wiens regering de West-oever en Gaza veroverd en bezet werden in 1967, is altijd bereid geweest tot territorials concessies in ruil voor vrede en erkenning, zoals dat in VN-resolutie 242, die na de Zes-daagse Oorlog door de Veiligheidsraad werd aangenomen, wordt gesteld. De Israelische regering deed de Arabische landen in 1967 immers al een dergelijk voorstel. Dit betekent echter niet dat de Arbeidspartij voor een onafhankelijke Palestijnse staat pleitte. De discussie onder de duiven in de Israelische politiek ging niet zozeer over terugtrekking uit de gebieden, als wel over het in welke mate tonen van bereidheid tot territoriale concessies in ruil voor diplomatieke en politieke stappen van de Arabische landen. Een territoriaal compromis was alleen mogelijk als dit de veiligheid voor Israel zou vergroten. Het was dus niet in de eerste plaats de erkenning van Palestijnse rechten op het land, maar de veiligheidsgarantie, die de bereidheid van de Arbeidspartij tot territoriale concessies verklaarde. Terroristische acties van de PLO en andere Palestijnse groeperingen voedden deze overtuiging. Op 21 december 1973, na de Yom Kippoeroorlog, lanceerde de socialistische minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban bij de vredesonderhandelingen in Geneve vredesvoorstellen, waarbij in ruil voor vrede en erkenning een territoriaal compromis mogelijk was. Israels veiligheid moest daarbij gewaarborgd blijven en een Palestijnse staat was uitgesloten: er bestonden in dit gebied immers twee naties, twee talen en twee culturen (Joods en Arabisch), niet drie (Joods, Jordaans en Palestijns). "Er is niets om over te praten. want de Palestijnen zijn geen volk", zo stelde de toenmalige premier Golda Meir. De specifieke identiteit van de Palestijnse Arabieren zou zijn uitdrukking kunnen krijgen in de nabuurstaat Jordanië, aldus minister Eban.
Het plan van Arbeidminister Yigal Allon (uit 1976 en aangepast aan de Camp David Akkoorden in 1979) verwoordde opnieuw de 'Jordaanse optie', dit keer in combinatie met een beperkte nederzettingenpolitiek. Het plan ging uit van de vooronderstelling dat Israel, als het een Joodse staat wilde blijven, niet permanent over meer dan een miljoen Palestijnen in de bezette gebieden zou kunnen regeren. Van de andere kant zou de veiligheid van Israel alleen gewaarborgd kunnen worden door een blijvende Israelische militaire aanwezigheid op de Golanhoogvlakte, langs de Jordaan en langs de Rode Zee om dichtbevolkte Arabische gebieden. Deze veiligheidszones zouden niet onder een autonomieregeling voor de Palestijnen vallen, maar Israel zou de soevereiniteit hierover behouden om er nederzettingen te bouwen met een duidelijk militair-strategische fimctie. Alleen om die reden was het nodig een beperkt aantal Joodse nederzettingen in de Westoever te bouwen. Volgens oud-minister Allon moest Israel dichtbevolkte delen van de Westoever prijsgeven. Het overige door Israel bezette gebied zou als autonome Palestijnse entiteit kunnen opgaan in cen confederatie met Jordanië. Israel kon op deze manier de Palestijnen als onafhankelijke onderhandelingspartner omzeilen. Besprekingen over de bezette gebieden moesten gevoerd worden met een gemeenschappelijke Jordaans-Palestijnse delegatie, waarin PLO-vertegenwoordigers geen zitting mochten hebben, maar wel Palestijnen uit de bezette gebieden. Het Allonplan is de basis van de officiate partijlijn van de Arbeid geworden: veiligheid eerst, nederzettingenbouw vanuit strategische doeleinden, mogelijk zelfbestuur voor de Palestijnen in dichtbevolkte delen in de bezette gebieden in confederatie met Jordanië. De Arbeidspartij heeft altijd geweigerd met de PLO te onderhandelen, omdat de PLO het bestaansrecht van Israel ontkende en terroristische acties uitvoerde en goedkeurde. Partijen ter linkerzijde van de Arbeid hebben contacten met de PLO nooit veroordeeld. Merets (een samenvoeging van de links-radicale partijen Ratz en Mapam en de liberaal-progressieve Sjinoei-partij) die momenteel met twaalf zetels in de Knesset deel uitmaakt van de regering Rabin, is bijvoorbeeld al lang voorstander van onderhandelingen met de PLO. Deze partij pleit ook voor de mogelijkheid van een onafhankelijke Palestijnse staat in de West-oever en Gaza. De huidige regering heeft in 1992 dan ook de bizarre anti-PLO-wet afgeschaft. Deze wet was op initiatief van de Likoed-partij in 1986 door de Knesset aangenomen en verbood contacten tussen Israeli's en ver- tegenwoordigers van terroristische organisaties. De vredesactivist Abie Nathan werd tot drie keer toe veroordeeld tot gevangenisstraf vanwege zijn herhaalde ontmoetingen met Jasser Arafat. Met de afschaffing van deze wet toonde de Arbeidspartij dat zij weliswaar op regeringsniveau weigerde te onderhandelen met de PLO, maar dat gesprekken met PLO-ers, die uiteindelijk in belangrijke mate het Palestijnse standpunt vertegenwoordigden, mogelijk moesten zijn, als daarmee de veiligheid van Israel niet werd bedreigd.
In de loop van de jaren zeventig nam de compromisbereidheid van de Israelische bevolking af. Als gevolg van de oliecrisis na de Yom Kippoeroorlog raakte Israel politiek in een isolement. Dit werd benadrukt door het optreden van PLO-leider Arafat voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1974 en de aanname van de "Zionisme = racisme resolutie" door de VN in 1975, die door de hele Arabische wereld werd gesteund. In dezelfde periode werd de PLO door de Arabische topconferentie in Rabat officieel erkend als "enige en legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk". Het aldus groeiende besef van de economische machtspositie van de Arabische landen in de wereld leidde ertoe dat meer en meer Israeli's een havikachtig standpunt innamen. De politieke isolatie maakte dat Israel zich, omringd door vijandige Arabische buren, onveilig voelde. De bezette gebieden werden steeds vaker beschouwd als noodzakelijke veiligheidscordons. Het uit handen geven van het bestuur aan Palestijnen of Jordanië zou Israel veel te kwetsbaar maken. De ruk naar rechts werd bevestigd door de overwinning van de Likoedpartij van Menachem Begin bij de verkiezingen van 1977. Voor het eerst in de geschiedenis van Israel zaten de socialisten niet in de regering. Het waren overigens niet alleen veiligheidsvraagstukken die de Israelische bevolking meer op de Likoed deden stemmen. Ook etnische en economische motieven speelden een belangrijke rol. Bilateraal Tot juli 1992 is de Likoedpartij permanent regeringsverantwoordelijkheid blijven dragen. De Likoedpartij heeft het vraagstuk van de Palestijnen altijd los willen zien van de betrekkingen met de Arabische landen. Likoed is dan ook voorstander van direct bilateraal overleg, waarbij Israel maar met een Arabische onderhandelingspartner tegelijk te maken heeft. De Camp David Akkoorden, die op 27 september 1978 door president Sadat van Egypte en premier Begin werden ondertekend, gevolgd door een vredesverdrag op 26 maart 1979, gaven het voorbeeld. Israel sloot, na intensieve bemiddeling van de Amerikaanse president Carter, een afzonderlijke vrede met Egypte, waarbij het bereid was de Sinai-woestijn op te geven. De teruggave van de Sinai was mogelijk voor Likoed omdat deze woestijn geen onderdeel uitmaakt van Eretz Jisraeel (Het Land Israel), dat het Joodse volk volgens de Likoedpartij om nationalistische en religieus-historische redenen niet kan opgeven. De Westelijke Jordaanoever maakt wel deel uit van Eretz Jisraeel, waardoor Likoed nooit enig territoriaal compromis met betrekking tot dit gebied heeft geaccepteerd. De Camp David Akkoorden waren voor een groot deel gewijd aan de Westelijke Jordaanoever en Gaza. In de akkoorden werd overeengekomen dat de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden gedurende een overgangsperio- de van vijf jaar zelfbestuur zouden krijgen. Binnen drie jaar zouden dan onderhandelingen tussen Israel, Jordanië, Egypte en een Palestijnse delegatie uit de gebieden van start kunnen gaan over de definitieve status van de West-oever en Gazastrook. De Egyptische toenadering tot Israel werd door de rest van de Arabische wereld gezien als verraad aan de Arabische eenheid. Egypte werd vervolgens uit de Arabische Liga gestoten. Verdere onderhandelingen over het autonomieplan voor de Palestijnen tussen Egypte en Israel liepen vast. Het bleek onmogelijk om zonder de Palestijnen zelf over het plan te praten. De PLO had de Camp David Akkoorden, net als alle Arabische landen, direct verworpen en riep bovendien nog steeds op tot de vernietiging van Israel, waardoor de organisatie voor de Israeli's een onacceptabele gesprekspartner bleef. Andere Palestijnen durfden niet of waren niet bereid over het voorgestelde zelfbestuur te praten. Het autonomieplan dat in de Camp David Akkoorden werd voorgesteld, bleek op verschillende manieren te kunnen worden uitgelegd. Het uiterste wat de Palestijnen volgens premier Begin konden verkrijgen, was een regeling, die de autonomie van de bewoners inhield en niet van het land. De soevereiniteit over de gebieden zou altijd bij Israel blijven volgens de Likoed-ideologie. Een onafhankelijke Palestijnse staat was uitgesloten. De Palestijnen zouden zelf kunnen beslissen over zaken als onderwijs, cultuur, rechtspraak, gezondheidszorg en toerisme. Het Israelische bestuur zou de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en defensie blijven dragen. Israeli's zouden te allen tijde het recht behouden zich in Judea, Samaria en Gaza te vestigen. Onder de Likoedregeringen werd de nederzettingenbouw, die verderop uitvoeriger wordt besproken, dan ook enorm opgevoerd. Strategische motieven, zoals die door Yigal Allon waren aangegeven, werden aangevuld met de religieuze en nationalistische overtuiging dat het Joodse volk in Judea, Sarnaria en Gaza thuishoort. De regering stimuleerde ook niet-religieuze Israeli's zich in de bezette gebieden te vestigen door de woningbouw in nederzettingen die dicht bij de steden Tel Aviv en Jeruzalem waren gelegen, zwaar te subsidieren. De plannen die premier Sjamir in 1982 en in 1989 uiteenzette, werden ook gebaseerd op de bepalingen in de Camp David Akkoorden met betrekking tot de bezette gebieden. Ze gingen uit van autonomie voor de Palestijnse bewoners en directe onderhandelingen. De Likoedpartij verwierp ieder overleg met de PLO. De eerder genoemde, door Likoed gesteunde, anti-PLO-wet bevestigde dit. Kleinere rechtse partijen gaan deels verder in hun visie op de situatie in de bezette gebieden. De nationalistische niet-religieuze Kruispuntpartij (Tsomet) en de NRP (Nationaal- Religieuze Partij) verkondigen ongeveer hetzelfde standpunt als Likoed. Voor de Techiyahpartij (Wedergeboorte), die niet meer in de Knesset is vertegenwoordigd, is het Likoedstandpunt te zwak. Deze partij wil de annexatie van de gebieden door Israel. Daarbij worden de Palestijnen als volk niet erkend. Zij kunnen in Israel als Israelisch staatsburger onder de Israelische wet blijven wonen. De extreem-nationalistische Moledet (Vaderlandpartij) gaat nog een stap verder. Deze bepleit de 'vrijwillige uittocht' van de Palestijnen uit Eretz Jisraeel, opdat het Joodse volk zich kan vestigen in het hele land. Religieuze partijen als Shas en Agoeda houden zich nauwelijks bezig met de politiek ten aanzien van de gebieden. Zij zijn van mening dat Joden uit religieuze overwegingen het recht hebben zich te vestigen in voor hen heilige plaatsen. Hoe dit dan politiek wordt geregeld, is van secundair belang. Nationale eenheid De uiteenlopende principes van Likoed en Arbeid over een oplossing voor de bezette gebieden verlamden het kabinet, dat van 1984 tot 1990 uit een regering van Nationale Eenheid bestond bij het nemen van belangrijke beslissingen. Toen bijvoorbeeld minister Peres in april 1987 na langdurige geheime onderhandelingen met koning Hoessein in Londen tot een overeenkomst kwam over een raamwerk voor een internationale vredesconferentie onder auspicien van de VN, werd dit plan getorpedeerd door premier Sjamir en de andere Likoedministers. Zij wilden opnieuw alleen directe bilaterale onderhandelingen, waarbij volledige terugtrekking uit de bezette gebieden al bij voorbaat werd uitgesloten. In 1990 kwam het tweede kabinet van Nationale Eenheid ten val. De Likoedpartij en de Arbeidspartij konden het niet eens worden over de samenstelling van een Palestijnse delegatie, waarmee Israel zou gaan onderhandelen over verkiezingen in de bezette gebieden. Met de gekozen afvaardiging zou over zelfbestuur in de Westoever en Gazastrook gepraat gaan worden. Het kabinet van de Arbeidspartij, dat, na vijftienjaar Likoed in de regering, op 13 juli 1992 aantrad, bood het in oktober 1991 in Madrid gestarte vredesoverleg nieuwe kansen. Anders dan Sjamir, die na zijn verkiezingsnederlaag onthulde dat hij nog wel tien jaar had willen onderhandelen, deed premier Rabin de belofte binnen negen maanden een doorbraak in de vredesbesprekingen in Washington te forceren. "Voor de zaak van de vrede ben ik niet bereid een centimeter van Israels veiligheid op te geven, maar ik wil wel vele centimeters aan gebied en 1,7 miljoen Arabieren opgeven ", aldus Rabin in de Israelische krant de Jerusalem Post in juni 1992. Met de ondertekening van het akkoord met de PLO op 13 september 1993 heeft hij zijn belofte gehouden. Maar daarover later meer. Eerst is het van belang te bekijken om welke gebieden het nu eigenlijk gaat: wie wonen er, hoe is het bestuur geregeld, hoe heeft de economische situatie zich ontwikkeld tijdens de Israelische aanwezigheid? 4. De Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook sinds 1967
De Westelijke Jordaanoever is een gebied van 6000 km2 met ruim 1,1 miljoen Arabische inwoners. In de Gazastrook (360 km2) wonen 750.000 Palestijnen, dat is ongeveer 2083 inwoners per km2! Grote aantallen verblijven sinds de oorlog van 1948 in vluchtelingenkampen. In Gaza bijna tweederde van de bevolking, in de Westoever zijn dit er beduidend minder. Veel vluchtelingenkampen bevinden zich aan de oostzijde van de Jordaan in Jordanië. De bevolkingsgroei onder de Palestijnen in de gebieden is explosief. In 1967 woonden er in de Gazastrook niet meer dan 360.000 mensen. In 25 jaar is dit aantal in het inmiddels overbevolkte gebied verdubbeld! Volgens schattingen wonen er ongeveer 3,5 miljoen Palestijnen buiten de gebieden, waaronder 900.000 in Israel. In Gaza is 97 procent van de bevolking Moslim (Soennitisch). In de Westelijke Jordaanoever wonen meer christenen. Op de 1000 inwoners hebben er 18 een academische graad. Er bevinden zich vijf universiteiten op de Westoever en twee in de Gazastrook, die alle onder Israelisch bestuur zijn opgericht. Op last van de Israelische autoriteiten zijn de universiteiten echter van 1988 tot 1992 gesloten geweest. Ze werden gezien als broedplaatsen van verzet. Behalve Palestijnse hebben de gebieden ook Joodse inwoners. Zij wonen in door hen en door de Israelische regering opgerichte nederzettingen. In Gaza wonen ruim 5000 kolonisten in 14 nederzettingen. In de Westelijke Jordaanoever zijn dit er 120.000 in bijna 150 nederzettingen. Economische ontwikkelingen Tussen 1968 en 1980 was er in de bezette gebieden sprake van een jaarlijkse economische groei van 9%. De reden hiervan was een snelle economische integratie met Israel en de economische 'boom' in de regio als gevolg van de grotere opbrengst van de olie. Vanaf het begin van de jaren '80 nam de groei, tegelijk met de dalende olie-inkomsten, af. Bij het uitbreken van de intifada in 1987 bedroeg de economische groei nog steeds 5%. Daarna brak een slechte tijd aan van stakingen, uitgaansverboden en afsluiting van de gebieden, met als dieptepunt de Golfoorlog in 1991. Veel Palestijnse arbeiders keerden terug uit de Golfstaten (er werden 300.000 Palestijnen uit Koeweit gezet), waardoor de inkomsten in de gebieden kelderden. Ook de intrekking van financiele steun van landen als Saoedi-Arabie, de Golfstaten en Koeweit aan de PLO en de bezette gebieden, als gevolg van de Palestijnse pro-Iraakse koers, en de afsluiting van de gebieden door Israel in 1993 wegens terroristische acties waren gevoelige klappen voor de economie in de Westelijke Jordaanoever en de Gaza. De relatieve welvaartsgroei in de bezette gebieden is te zien aan het aantal Palestijnse huishoudens dat in 1970 elekticiteit had (30%) en in 1991 (90%). Het aantal Palestijnse gezinnen met een koelkast is gestegen van 11% naar 85%. Tweederde van de huishoudens is in het bezit van een wasmachine.
Toch zijn de economische activiteiten binnen bezet gebied zelfonderontwikkeld gebleven. Het ontbreken van een goede infrastructuur, een distributiesysteem, informatie en financiele steun en de beperkte exportmogelijkheden hebben ertoe geleid dat Palestijnse ondernemingen klein zijn gebleven. Slechts 5% van de bedrijven heeft meer dan 20 mensen in dienst. De afzetmarkt van produkten is vaak niet groter dan eigen dorp of stad. Investeringen 2ijn uitgebleven door gebrek aan vertrouwen in het slagen van de onderneming. Als gevolg van beperkte waterreserves warden de mogelijkheden op het gebied van de landbouw niet ten volle benut. De exportbeperkingen voor landbouwprodukten naar Israel en de Arabische staten dragen hier ook aan bij. Bestonden er geen handelsbetrekkingen met Israel voor 1967, nu is Israel bijna de enige bandelspartner van de bezette gebieden geworden. Maar de import vanuit Israel7 en Jordanië overtreft de export in ruime mate. Handel met Jordanië is door Israel uit veiligheidsoverwegingen aan banden gelegd. In 1968 bedroeg de export naar Jordanië nog 45%, in 1991 is dat aandeel gedaald tot 15%. Arabische staten hielden eveneens de export van Palestijnse eindprodukten tegen om verzelfstandiging van de Palestijnse economie en dus Palestijnse onafhankelijkheid tegen te gaan. De bezette gebieden kwnpen dan ook met een enorm handelstekort (volgens een rapport van de Wereldbank uit augustus 1993 was dit in 1987 28% van het Bruto Nationaal Produkt, 675 miljoen dollar). Sinds 1967 investeert de Israelische regering in de bezette gebieden. Ze heeft bijgedragen aan de bouw van ziekenhuizen en scholen, aan waterverdelingsprojecten, elektriciteits- en telefoonvoorzieningen en verschafte sporadisch vergunningen aan bedrijven en fabrieken. Verder is altijd hulp verstrekt door de Verenigde Naties (UNRWA en UNDP) en andere intemationale hulporganisaties zoals het Internationale Rode Kruis. Sinds 1989 geeft ook Nederiand 5 miljoen gulden ontwikkelingshulp per jaar aan de bezette gebieden. Dit bedrag staat los van het Nederlands-lsraelisch ontwikkelingshulpprogramma. Ook de Europese Unie geeft financiele steun aan de Westoever en de Gazastrook. Van 1971 tot 1992 betrof dit een bedrag van 518 miljoen ECU, bestemd voor de Palestijnse vluchtelingen.
De laatste vijfentwintigjaar is de beroepsbevolking in de bezette gebieden verdubbeld, terwijl de werkgelegenheid in de Westoever en de Gazastrook slechts met 25% gegroeid is. Hierdoor werden veel Palestijnen gedwongen in Israel en in de Golfstaten te gaan werken. In 1980 werkten 75.000 Palestijnen uit bezet gebied in Israel. In 1987 was dit aantal opgelopen tot 109.000 (40% van de werkende bevolking). Met name lager betaald ongeschoold werk (de agrarische en de bouwsector) werd door hen verricht. Na het afsluiten van de bezette gebieden in 1993 door de Israelische regering wegens toenemende terroristische aanslagen in Israel zelf, nam het aantal Palestijnse arbeiders uit de gebieden in Israel af tot 60.000. Tussen 1973 en 1982 gingen 40.000 Palestijnen werken in de Golfstaten. Hier werd vooral om geschoolde arbeiders voor de olie-industrie gevraagd, waardoor ook de lonen hoger agen. Beginjaren '80 liep de vraag naar Palestijnse arbeiders als gevolg van dalende olieprijzen terug. Vanaf 1991 steeg de werkloosheid onder de Palestijnen in de bezette gebieden enorm door de hierboven al genoemde gevolgen van de Golfoorlog en terroristische aanslagen op Israelische bodem. De economische situatie in de bezette gebieden is dus volledig afhankelijk van exteme arbeidsmarkten en de betrekkingen met Israel. De grote werkloosheid, de afsluiting van de gebieden, de financiele crisis binnen de PLO en de hietuit volgende daling van inkomsten hebben tot politieke radicalisering van de bevolking geleid. De stimulering van de economie in de gebieden is dan ook uitermate belangrijk voor het slagen van het Palestijnse zelfbestuur. Na de ondertekening van het akkoord tussen Israel en de PLO werd door de Amerikaanse regering op 1 oktober een donorconferentie voor hulp aan de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever georganiseerd. De 43 aanwezige staten brachten maar liefst vier miljard gulden bijeen, waarvan 1,1 miljard van de Europese Unie komt. Nederland heeft los hiervan 65 miljoen gulden extra steun toegezegd voor de bouw van een haven in Gaza en de ontwikkeling van Jericho. De economische vooruitgang zal het Palestijnse zelfbestuur uiteindelijk een breder draagvlak geven. Verschillen De hier geschetste economische situatie geldt voor zowel de Gazastrook als de Westelijke Jordaanoever. Maar er zijn een aantal in het oog springende verschillen:
Bestuur Zoals in de Haagse Conventie van 1907 en de Vierde Geneefse Conventie van 1949 inzake het respecteren van mensenrechten ten tijde van oorlog wordt uiteengezet, heeft Israel de wetgeving zoals die voor 1967 in de gebieden gold, gehandhaafd. Voor de Westoever betekende dit dat de Jordaanse wetgeving van toepassing is gebleven, en voor de Gazastrook de Egyptische. In beide wetgevingen zijn veel regels overgenomen uit het Ottomaanse en Britse tijdperk. Bovendien waren in de Gazastrook en Westoever officieel nog steeds de Britse Defense Regulations uit 1945 van kracht. Deze regels waren in 1948 aanvankelijk ook door Israel in de wetgeving overgenomen van de Britten, die ze hadden ingevoerd om zowel Arabisch als Joods verzet in Palestina de kop in te drukken. Veel door Israel gebruikte maatregelen om geweld en terrorisme in de Westoever en Gazastrook te bestrijden, zoals administratieve detentie (het zonder proces vasthouden van arrestanten), uitgaansverboden, verzegeling of vernietiging van huizen en uitwijzing, zijn afkomstig uit deze Regulations. Israel heeft een militair bestuur in de gebieden gevestigd. Zowel in de Gazastrook als in de Westoever is een Districtscommandant aangesteld, die verantwoording verschuldigd is aan de minister van Defensie. De Districtscommandant benoemt de overige Israelische functionarissen, die met hem in de bezette gebieden de openbare orde handhaven en de veiligheid waarborgen. Hij mag hiertoe ook regels en amendementen uitvaardigen, waarmee de oorspronkelijk Jordaanse/Egyptische wetgeving wordt aangepast aan nieuwe situaties. Het is immers niet mogelijk een rechtssysteem ongewijzigd te laten over een langere periode, gezien veranderingen die optreden in een maatschappij. Imniddels zijn er ruim tweeduizend militaire regels in de Westoever en Gazastrook uitgevaardigd. Dit beleid is door velen altijd beschouwd als in strijd met de Vierde Geneefse Conventie en de Haagse Conventie, omdat Israel de wetgeving van voor de bezetting niet strikt handhaaft. Israel brengt hier echter tegen in, dat deze Conventies geen rekening houden met zo'n langdurige bezettingsperiode van een gebied. Een strikte juridische naleving van de Conventies zou geleid hebben tot een verstarring van het leefklimaat in de Westoever en Gazastrook. Daarnaast heeft Israel altijd bepleit dat het twijfelachtig is of de Conventies de jure van toepassing zijn op de gebieden, aangezien het niet gaat om de verovering van gebied dat tot de volledige soevereiniteit behoort van een ander land. De Westoever was sinds 1950 geannexeerd door Jordanië, maar deze inlijving werd nooit door de internationale gemeenschap erkend. Egypte heeft nooit officiele claims op de Gazastrook doen gelden. Daarom heeft Israel de jure de toepassing van de Conventies altijd verworpen, maar heeft het wel verklaard zich in de praktijk zoveel mogelijk aan de internationale rechtsregels te zullen houden. De bestaande lokale rechtbanken in de gebieden zijn gehandhaafd voor de berechting van 'gewone' criininaliteit als diefstal en dergelijke. Rechters zijn alleen vervangen als zij weigerden te werken onder het Israelische bestuur. Voor zaken met betrekking tot de veiligheid van Israel zijn militaire rechtbanken opgericht. Bij onduidelijkheid of het om een 'gewoon misdrijf' gaat of om een bedreiging van Israels veiligheid, beslist de Districtscommandant. Israelische burgers die zich in de gebieden gevestigd hebben, verschijnen niet voor de lokale rechtbanken. Zij worden in Israel berecht, ook al gaat het om een misdrijf dat gepleegd is in de bezette gebieden. Onder het militaire en later ook burgerlijke gezag van Israel zijn de nog door Jordanië aangestelde ambtenaren in de Westoever in dienst gebleven. In 1972 en 1976 liet Israel nog vrije burgemeestersverkiezingen toe in de Westoever en de Gazastrook. Na verloop van tijd zijn veel gekozen burgemeesters die sympathiseerden met de PLO vervangen door meer gematigde Palestijnen of zelfs door Israeli's. Op 31 juli 1988 werden 21.000 Palestijnse ambtenaren in Jordaanse dienst in de Westoever ontslagen als gevolg van de wettelijke en administratieve breuk tussen de Westoever en Jordanië, die door koning Hoessein in een televisietoespraak werd aangekondigd. De meerderheid van hen is evenwel in dienst gebleven onder Israelisch bestuur. Ondanks de breuk hebben de Palestijnen op de Westoever hun Jordaans staatsburgerschap behouden. In 1981 zette Israel een onder militair gezag staand burgerlijk bestuur op om de controle te verscherpen op toenemend Palestijns nationalisme en de daarmee gepaard gaande steun voor de PLO. De intifada, die op 9 december 1987 begon, kwam als een complete verrassing. Met het doel zo min mogelijk dodelijke slachtoffers te maken bij het bestrijden van de plotselinge stroom van geweld werden Israelische soldaten voorzien van wapenstokken en rubberen kogels. Op deze manier, zo stelde de toenmalige minister van Defensie Rabin, konden de met stenen en flessen gooiende Palestijnse jongeren met gelijke middelen worden geantwoord. Soldaten kregen strenge regels (Rules of Engagement) opgelegd over wanneer zij wel of niet mochten schieten, wel of geen fysiek geweld mochten gebruiken. Het ontbreken van een voor Israel acceptabele politieke vertegenwoordiger van de Palestijnen en het voortduren van de intifada maakten dat het Israelische bestuur geen andere optie zag dan een 'ijzeren vuist-beleid' toe te passen. Tijdens het hoogtepunt van de intifada in 1988 dienden ruim 10.000 reservisten en dienstplichtigen in de bezette gebieden. De regering Rabin is nu bereid tot de overdracht van het Israelische bestuur van de gebieden aan de Palestijnen. Het aanhoudende geweld, dat zich tot de afsluiting van de bezette gebieden dreigde uit te breiden naar Israel zelf, heeft bijgedragen aan deze beslissing. Om de veiligheid van de Israelische bevolking te garanderen zal Rabin echter niets nalaten. Zelfs als hij hierdoor het vredesproces tijdelijk stopzet. De periodieke afsluiting van de gebieden, de uitzetting van 415 Hamas-aanhangers in december 1992 en het opvoeren van de militaire aanwezigheid in plaats van terugtrekking op 13 december 1993, zoals in de beginselverklaring staat, zijn hier voorbeelden van. Mensenrechten
De vele orders en bepalingen, die de Defense Regulations en de Rules of Engagement aan de militairen geven, om de orde te bewaren en daarbij gebruik van geweld zoveel mogelijk te beperken, hebben niet de garantie geboden dat de mensenrechten in de gebieden gerespecteerd worden. "In een tijd van nationale noodtoestand en oproer is het onmogelijk de ware geest van het recht in zijn volledige humane, liberale en democratische traditie te handhaven," schreef de huidige Meretsminister Amnon Rubinstein, toen Knessetlid voor Ratz, in het voorwoord van een informatiebrochure van de mensenrechtenorganisatie B'tselem van juni 1990. Hoewel Israel een 'liberate bezetter' is, moet toch ten principale gesteld worden dat bezetting en het respecteren van mensenrechten en democratische principes op gespannen voet met elkaar staan. Israel kreeg door de bezetting van de Westoever en de Gaza-strook te maken met een hem vijandig gezinde bevolking. Om de orde en veiligheid te kunnen waarborgen zag het Israelische bestuur vaak geen andere mogelijkheid dan het nemen van impopulaire maatregelen. Bij het uitbreken van de intifada is dit nog eens extra duidelijk naar voren gekomen. Collectieve straffen als huisverzegeling, instelling van een uitgaansverbod en maatregelen als administratieve detentie en huiszoekingen zijn buitengewoon zwaar, maar voor de Israelische regering zijn het noodmaatregelen geworden om Palestijns geweld en terreur te bestrijden.
Terwijl de Israelische bevolking bereid is gebleven dienstplicht te vervullen in de bezette gebieden om de veiligheid van Israel te garanderen, is men wel steeds meer vraagtekens gaan zetten bij het Israelische optreden in de gebieden en daaruit voortkomende schendingen van mensenrechten. Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en het Arnerikaanse Middle East Watch hebben in het verleden rapporten uitgebracht, waarin het Israelische optreden in de bezette gebieden aan de kaak werd gesteld. In februari 1989 werd in Israel zelf door een aantal juristen, journalisten, Kessetleden en zelfs militairen B'tselem opgericht, een informatiecentrum voor mensenrechten in de bezette gebieden. B'tselem brengt kritische thematische rapporten uit over de situatie in gevangenissen, mishandelingen door de Israelische binnenlandse veiligheidsdienst Shin Beth bij het verhoren van Palestijnse arrestanten, te hard militair optreden in de gebieden, het aantal dodelijke slachtoffers onder Palestijnse kinderen en het aantal onderlinge Palestijnse moorden. De organisatie verzamelt gegevens uit zowel Israelische als Palestijnse bronnen en doet ook zelf onderzoek. Aanklachten over schendingen van mensenrechten worden soms door Israelische autoriteiten bestreden of uitgelegd als betreurenswaardige gevolgen van het handhaven van de veiligheid. Als evenwel blijkt dat Israelische militairen zich schuldig maken aan excessief gedrag, worden zij bestraft met degradatie of gevangenisstraf. Sinds het uitbreen van de intifada zijn ruim 200 soldaten veroordeeld wegens gebruik van geweld, moord of diefstal. Nederzettingenpolitiek Een ander in het oog springend aspect van de Israelische bezetting is de al eerder genoemde bouw van Joodse nederzettingen in de Westeiijke Jordaanoever en Gazastrook. Sinds de verovering van de gebieden in 1967 begonnen Joden zich te vestigen in de Westoever en de Gazastrook. Tot 1977 hanteerde de regerende Arbeidspartij het nederzettingenplan van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Yigal Allon, zoals hierboven al uiteengezet. Hij bepleitte de stichting van nederzettingen langs de Jordaan en om dichtbevolkte Arabische delen heen, zoals Ramallah, Nabloes en Jenin. Op deze manier kon de veiligheid van Israel gegarandeerd worden, zonder dat de Arabische bevolking hier in het dagelijks leven iets van zou merken. De Joodse nederzettingen hadden in dit beleid dus een zuiver militair-strategische functie. Het aantal inwoners beperkte zich in de eerste tien jaar tot slechts 5000 personen. Deze koers veranderde toen in 1977 de Likoedpartij aan de macht kwam. Met de overtuiging dat Judea en Samaria een onlosmakelijk deel vormen van Eretz Jisraeel, werd de bouw van nederzettingen opgevoerd. Nationalistische en historisch-religieuze overwegingen kregen nu de overhand op strategische motieven. Onder de regeringen van Nationale Eenheid ging de nederzettingenbouw door. In 1982 woonden er al 25.000 kolonisten in bezet gebied. Tien jaar later beliep dit aantal 120.000. De Arabische bewoners van de gebieden voelen zich bedreigd door de territoriale eisen van een zo groot aantal Joden in bezet gebied. Het grotere waterverbruik van de kolonisten en de aansluiting van de nederzettingen op het Israelische elektiriciteitsnet, door veel Palestijnen gezien als een vorm van sluipende annexatie, voedden deze angst. Tot het aantreden van de regering Rabin in 1992 ging de nederzettingenbouw gewoon door. De Verenigde Naties en de Europese Unie hebben de nederzettingenpolitiek van Israel altijd als strijdig met het internationale recht en als een obstakel voor de oplossing van het Palestijns-lsraelisch conflict bestempeld. Dit ging zelfs zover dat de Amerikaanse regering in 1991 de toegezegde kredietgaranties voor de opvang van Russische immigranten in Israel niet wilde verstrekken, zolang de bouw van nederzettingen in de bezette gebieden zou doorgaan.
De stelling dat de nederzettingenpolitiek in strijd is met het internationale recht wordt overigens door Israel in twijfel getrokken. De Verenigde Naties en de Europese Unie baseerden hun uitspraak op artikel 49 van de Vierde Geneefse Conventie, dat het overbrengen van delen van de eigen bevolking naar bezet gebied verbiedt. Israel wijst dit argument echter van de hand. Het artikel werd opgesteld na de Tweede Wereldoorlog, nadat gedwongen volksverhuizingen plaatsgevonden hadden naar Tsjecho-Slowakije, Hongarije en Polen, waarbij de oorspronkelijke bevolking werd gedeporteerd. In het geval van de Westoever en Gazastrook gaat het om de vrijwillige vestiging van Joden in bezet gebied, waarvan bovendien de status onduidelijk is. Op het moment beslaan de nederzettingen ongeveer drie procent van de Westoever en eenderde deel van de Gazastrook. Volgens de diverse Israelische regeringen gaat het daarbij grotendeels om land dat gekocht is van de Palestijnen of om land dat voor 1967 werd beschouwd als Jordaans staatsland. Mensenrechtenorganisaties en Palestijnen menen echter dat met name door de regering Sjamir veel grond onterecht tot staatsland werd gerekend en dat zich dus wel degelijk landonteigeningen hebben voorgedaan. Maar ook die landonteigeningen zijn volgens de Israelische regeringen niet zonder meer onwettig. Artikel 53 van de Geneefse Conventie en artikel 23 G van de Haagse Conventie stellen dat alle grond die bezet is, gebruikt mag worden voor militaire doeleinden, dus ook voor militair-strategische nederzettingen. Israel maakt onderscheid tussen nederzettingen die van militair-strategisch belang zijn en civiele nederzettingen, zoals die onder premier Begin voor het eerst gepropageerd werden en die soms midden in dichtbevolkte Arabische woongebieden zijn opgericht. Soms is de scheidslijn tussen strategisch en civiel onduidelijk. In die gevallen dat een nederzetting een militaire functie vervult, lijkt er volkenrechtelijk weinig tegen in te brengen. Voor de civiele nederzettingen is de uitspraak van het Israelische Hooggerechtshof van 22 oktober 1979 over de nederzettingen Eilon Moreh en Beth El in de Westoever van belang. Toen werd bepaald dat "een burgernederzetting mag bestaan in het gebied, zolang het leger het land bezit krachtens inbeslagname. Dit bezit zal op een gegeven moment beeindigd kunnen worden, als resultant van internationale onderhandelingen die waarschijnlijk in een nieuwe regeling zullen eindigen. Zo'n regeling zal geldigheid verkrijgen op grond van het internationals recht en zal het lot van deze nederzetting en alle andere nederzettingen die in de bezette gebieden gevestigd zijn bepalen". Met andere woorden: het Hooggerechtshof meende dat de nederzettingen geen definitieve claim deden gelden op het eigendom van de grond in de Westoever. De besprekingen tussen Israel en de Palestijnen in het kader van het in Washington ondertekende akkoord zullen uiteindelijk de toekomst van de nederzettingen bepalen. Het uitgangspunt zou hierbij moeten zijn, dat Joden er kunnen blijven wonen, ongeacht de status die de gebieden zullen krijgen. In Israel wonen ook 900.000 Palestijnen, andersom zouden ook Joden in een eventuele Palestijnse staat moeten kunnen wonen. Ze moeten zich dan wel aan de wetten van die staat houden. Kolonisten De Palestijnse opstand heeft het leven van de Joodse kolonisten ingrijpend veranderd. De intifada maakte een eind aan hun relatief rustige bestaan. Het Israelische leger moest schoolbussen gaan escorteren en de bewaking van nederzettingen werd verhoogd. Veel kolonisten eisten een grotere inzet van het Israelische leger om hen te beschermen. In plaats van een veiligheidscordon, zoals volgens het Allonplan, werden de nederzettingen een extra zorg voor leger en regering bij het verzekeren van de veiligheid van Israel. De kolonisten protesteren met harde acties tegen het huidige akkoord tussen Israel en de PLO. Ze zijn doodsbe- nauwd voor de komst van een Palestijnse politiemacht en kijken met grote onzekerheid naar de toekomst. Weerzinwekkend was evenwel de aanslag op biddende Moslims in de grot van Machpela bij Hebron, in februari 1994, door het lid van de fascistische Kachpartij Baruch Goldstein. Met deze daad wilde Goldstein het vredesproces om zeep helpen. Ook was het een wraakactie voor de 33 Joodse kolonisten die sedert het akkoord met de PLO door Palestijnse terroristen werden omgebracht. De Israelische regering en tal van Joodse religieuze leiders veroordeelden de misdaad van Goldstein in de scherpste bewoordingen. Overal braken onder de Palestijnen onlusten uit die met harde hand door Israel werden bedwongen. 5. De Palestijnen en de bezette gebiedenDe Palestijnen binnen en buiten de bezette gebieden hebben nooit nagelaten hun ongenoegen te uiten over het bestaan van Israel en de Israelische aanwezigheid in de Westoever en Gaza. Internationaal terrorisme was jarenlang het middel van de PLO en zijn groeperingen om aandacht op te eisen voor de Palestijnse kwestie. Het PLO-Handvest uit 1968 bevestigt deze strategic. Artikel 10 noemt "guerilla-actie de kern van de Palestijnse volksbevrijdingsoorlog... " en verderop verklaart artikel 19 "... de vestiging van Israel fundamenteel nietig..". De aanslag door Zwarte September op het Israelische Olympische team in Munchen in 1972, waarbij elf atleten omkwam, en de kaping van het jacht de 'Achille Lauro' in 1986 door het Bevrijdingsfront van Aboe Abbas, waarbij een Amerikaan werd vermoord, zijn slechts enkele voorbeelden van de vele terreuracties van de PLO. Met het uitbreken van de intifada in december 1987 vonden de Palestijnen in de bezette gebieden zelf een manier om intemationale belangstelling op te wekken. Belangstelling die verloren ging door de Golfoorlog, maar daarna weer groeide en uiteindelijk de oplossing van het Palestijnse vraagstuk een stapje dichterbij heeft gebracht. Hieronder volgt en overzicht van de Palestijnse weg naar de onderhandelingen. Intifada In de ochtend van 9 december 1987 werden de Israelische reservisten in Jabaliya, Gaza's grootste vluchtelingenkamp, opgeschrikt door een onverwachte uitbarsting van protest en geweld. Eerder die dag was een busje met Palestijnse arbeiders, die terugkeerden van hun werk in Israel naar Jabaliya in de Gazastrook, aangereden door een Israelische vrachtwagen. Voor vier van de Palestijnen had het ongeluk een dodelijke afloop. In Jabaliya verspreidde zich onmiddellijk het gerucht, dat het zou gaan om een vergeldingsactie voor de dood van een Israelische handelaar twee dagen eerder op de markt van Gaza. De vier verongelukte Palestijnen werden de aanleiding voor een massale opstand, die zich spoedig uitbreidde over de hele Gazastrook en later ook de Westelijke Jordaanoever.
In eerste instantie was de geweldsexplosie niet meer dan een uiting van woede over de Israelische bezetting en over de Arabische wereld, die de Palestijnen aan hun lot dreigde over te laten. Maar naarmate de intifada ("afschudden" in het Arabisch) voortduurde, werd de opstand het middel om het uiteindelijke doel van de Palestijnen in de Westoever en Gazastrook dichterbij te brengen: de bedindiging van de Israelische bezetting. Een doel dat de PLO en de Arabische landen niet leken te kunnen waarmaken. Al lang voor het uitbreken van de intifada was het de Palestijnen duidelijk geworden, dat zij voor de realisering van een Palestijnse staat niet op de steun van de Arabische staten hoefden te rekenen. Met de oorlogen van 1967 en 1973 was gebleken dat Israels Arabische buren niet in staat waren Israel een definitieve klap toe te brengen, laat staan de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook te heroveren. In 1970 werden Palestijnse radicale organisaties uit Jordanië verdreven (Zwarte September). Zij vormden een te grote bedreiging voor de positie van koning Hoessein. En in 1982 lieten de Arabische landen de Palestijnen aan hun lot over toen het Israelische leger Libanon binnentrok om de PLO-bases, vanwaaruit aanvallen op Israel werden georganiseerd, te vernietigen. Sterker nog, Syrië speelde Israel alleen maar in de kaart met pogingen de macht van de PLO in Libanon te beperken door pro-Arafat groeperingen zoals Fatah uit te spelen tegen Palestijnse pro-Syrische organisaties, die tegen het eigenmachtig optreden van Arafat in verzet kwamen (zoals het Volksfront van George Habash en Fatah-rebellen). Een bittere interne PLO-strijd volgde. Onder druk van de Israelische invasie en de Syrische sabotage waren Arafat en zijn verzwakte organisatie gedwongen in 1983 uit te wijken naar Tunis, en hun Palestijnse 'staat in een staat' achter te laten. Voor de bezette gebieden veranderde ondertussen weinig. De isolatie van Israel na 1974 als gevolg van de oliecrisis leverde de Palestijnen in de Westoever en Gaza niets op. De verwerping van de Camp David Akkoorden in 1978 door de Arabische landen en de PLO maakte het omnogelijk om ook maar na te denken over de autonomieplannen, zoals die in het akkoord werden uiteengezet. Iran-Irak oorlog Bovendien nam een andere gebeurtenis in het Midden-Oosten de aandacht van de Arabische landen en van de hele wereld volledig in beslag: in 1980 was een conflict over een rivier op de grens tussen Iran en Irak uitgelopen op een oorlog tussen de twee staten. Midden jaren '80 dreigde deze bloedige oorlog te escaleren. Voor het eerst sinds 1967 stond de Palestijnse kwestie niet bovenaan de agenda van de Arabische topconferentie, die in november 1987 in Amman werd gehouden. Door de oorlog tussen Iran en Irak werden de Palestijnen gewoonweg vergeten. Ook op de topontmoeting tussen president Reagan en president Gorbatsjov eind 1987 was het Palestijnse vraagstuk door deze oorlog van de agenda verdrongen. De Palestijnse bevolking in de Westoever en Gazastrook voelde zich door de wereld in de steek gelaten. Met de intifada namen de bewoners van de bezette gebieden voor het eerst hun lot in eigen hand, nu de PLO en de Arabische landen hun dromen niet konden verwezenlijken. Doden Actiemiddelen van de Palestijnen tijdens de intifada waren burgerlijke ongehoorzaamheid, stakingen en demonstraties, die vaak gepaard gingen met confrontaties tussen stenengooiende Palestijnse jongeren en gewapende Israelische militairen. Een incident dat binnen en buiten Israel veel opschudding veroorzaakte, vond plaats op de Tempelberg op 8 oktober 1990 tijdens het Loofhuttenfeest. Palestijnen op de Tempelberg bekogelden de Israelische politie en vervolgens de duizenden Joden, die zich hadden verzameld bij de Klaagmuur vanwege de zegening door de afstammelingen van de priesters. De politie greep hard in met traangas en geweervuur. Onder de Palestijnen vielen 21 doden en 200 gewonden. Ongeveer twintig Joden raakten gewond door de stenenregen. De VN-Veiligheidsraad veroordeelde het Israelische politie-optreden en stelde een onderzoek in naar de gebeurtenissen. De onlusten op de Tempelberg zijn een extreem voorbeeld van de gewelddadige incidenten, die zich sinds het uitbreken van de intifada met grote regelmaat hebben voorgedaan. Na zes jaar intifada zijn de slachtofferaantallen opgelopen tot ongeveer 1095 Palestijnse en zo'n 130 Israelische doden, aldus de mensenrechtenorganisatie B'tselem. Deze aantallen stijgen nog steeds. In 1993 is het aantal Palestijnse gevangenen volgens de Israelische regering opgelopen tot zo'n 9500. Ook uitwijzingen kwamen weer vaker voor: in de periode 1985-1987 werden 45 Palestijnen de bezette gebieden uitgezet, in de eerste twee jaar van de intifada waren dit er 58. Het aantal uitwijzingen bereikte een piek in december 1992. Premier Rabin gaf toen opdracht 415 leden van de Hamasbeweging uit te zetten naar Libanon. Rabin wilde hiermce een einde maken aan het toenemende aantal steekpartijen in de gebieden, maar vooral ook in Israel zelf, waarvan willekeurige burgers het slachtoffer waren. Islamitisch fundamentalisme Door de verdrijving uit Libanon en de moordpartijen tussen PLO-ers onderling verloor de PLO veel krediet onder de Palestijnen in de bezette gebieden. Hun teleurstelling in de Arabische wereld deed de idealen van pan-Arabisme en Arabisch socialisme vervagen om plaats te maken voor een Palestijns nationalisme. De sympathie voor de Islamitische en nationalistische organisaties in de gebieden zelf, zoals de Moslim Broederschap, de Islamitische Jihad en de in 1988 opgerichte Hamasbeweging, groeide. Deze organisaties bewogen zich aanvankelijk meer op maatschappelijk dan op politiek terrein. Zij poogden de Palestijnse bevolking van onderaf klaar te maken voor een Islamitische staat. De omverwerping van Israel zou dan automatisch volgen. De Islamitische organisaties waren betrokken bij de op richting van scholen, moskeeen en liefdadigheids-instellingen, waardoor ze grote groepen van de bevolking bereikten. Als voorbeeld van een geslaagde Islainitische revolutie werd de omwenteling in Iran in 1979 aangehaald. Deze vormde een inspiratiebron voor de strijd van de Islam tegen het Westen, van de Palestijnen tegen Israel. Aanvankelijk ondervonden de Islamitische bewegingen in de bezette gebieden nauwelijks tegenstand van de israelische autoriteiten. Israel ging er vanuit te maken te hebben met a-politieke groeperingen, die alleen maar verdeeldheid onder de Palestijnen konden zaaien en de invloed van de PLO, die en gewelddadige en nationalistische koers volgde, in de gebieden konden verminderen. Dat Israel hier een verkeerde inschatting heeft gemaakt, is duidelijk. De Hamsbeweging, die een combinatie van Palestijns nationalismse en lslam predikt en dus zeker niet a-politiek te noemen is, heeft inderdaad de positie van de PLO in de bezette gebieden aangetast. De aanhang voor deze radicale groepering is met name in de Gazastrook gegroeid, waardoor de Palestijnen zich juist radicaler tegen Israel zijn gaan opstellen. Naast de Islamisering van de bevolking is de gewelddadige vernietiging van Israel de belangrijkste doelstelling van Hamas. "Tegenover de Joodse overweldiging van Palestina moet de vlag van de Jihad worden gehesen", aldus het Handvest van de beweging, die de militante vleugel van de Moslim Broederschap vormt (zie voor de doelstellingen en het Handvest van de Hamasbeweging de CIDI-Informatiebrochure 'Handvest van de Palestijnse Islamitische Verzetsbeweging Hamas', maart 1989). Hamas heeft zich niet aangesloten bij het door de PLO gesteunde Verenigde Leiderschap van de Opstand. De groeiende invloed van de moslimfundainentalisten heeft het karakter van de intifada veranderd. Vuur- en steekwapens namen steeds vaker de plaats in van stenen en flessen. De spontane volksopstand werd een fanatieke, goed gecoordineerde strijd. De steun voor Hainas nam toe, toen na de Golfoorlog de PLO in financiele nood raakte. Niet alleen had de PLO geen geld meer om te investeren in de gebieden, Arabische geldschieters besloten ook hun steun, in plaats van aan de PLO, aan Hamas te geven. De verslechterende economische situatie in de Gazastrook en de Westoever heeft verder bijgedragen aan de radicalisering van de Palestijnse bevolking. Harde Israelische maatregelen als het afsluiten van de gebieden en de uitzetting van de Hamas-leden, hebben de fundamentalisten alleen maar fanatieker gemaakt in hun strijd. Ook het geweld tussen Palestijnen onderling is schrikbarend toegenomen met de opkomst van het fundamentalisme. Radicale Palestijnen deinzen er niet voor terug vermeende collaborateurs met Israel te vermoorden. Het aantal Palestijnen dat vermoord is door andere Palestijnen (volgens een begin 1994 verschenen rapport van de Israelische mensenrechtenorgariisatie B'tselem zo'n 900) overtreft momenteel het aantal Palestijnse doden door Israelisch geweervuur. Niet alle slachtoffers waren overigens collaborateurs. Volgens B'tselem ging het in veel gevallen om vereffeningen van persoonlijke vetes of om executies van de onderwereld. Het huidige akkoord tussen Israel en de PLO is door de Hamasbeweging en andere radicale Palestijnse groeperingen resoluut verworpen. "Er is geen oplossing voor de Palestijnse kwestie behalve door de Heilige Oorlog (Jihad). Initiatieven, voorstellen en internationale conferenties zijn tijdverspilling en vergeefse inspanning..." zo stelt Hamas in artikel 13 van zijn Handvest. Met geweld proberen niet alleen de Hamasbeweging, maar ook radicale PLO-rebellen (de Fatah-haviken) en de Isiamitische Jihad de uitvoering van het akkoord te blokkeren. Belangstelling Na aanvankelijk uit het veld te zijn geslagen door de onverwachte acties van de Palestijnen in Gaza en even later ook in de Westoever, maakte ook de PLO gebruik van de internationale belangstelling die voor de intifada was ontstaan, Uit angst zijn invloed in de bezette gebieden kwijt te raken aan de oprukkende fundwnentalistische bewegingen en regionale Palestijnse leiders, begon de PLO de intifada naar internationaal politiek niveau te vertalen. Op 15 november 1988 riep de Palestijnse Nationale Raad de staat Palestina uit, met Jasser Arafat als president in ballingschap. Enkele weken later, op 13 december 1988, sprak de PLO-voorzitter de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties toe. Tijdens deze toespraak erkende hij het bestaansrecht van Israel, onder voorwaarde dat Israel een Palestijnse staat in de bezette gebieden zou erkennen. Hij verklaarde dat de PLO internationaal terrorisme afzwoer als strijdmiddel. Hierop openden de Verenigde Staten een dialoog met de PLO. Israel achtte de uitspraak van Jasser Arafat onvoldoende om de PLO als gesprekspartner te accepteren. Ook al verklaarde de PLO-voorzitter op de Franse televisie dat het Handvest van zijn organisatie "caduque " was, de voor Israel grievende passages werden niet officieel geschrapt. In de bezette gebieden zelf wist de PLO zijn invloed enigszins te handhaven door nauw betrokken te zijn bij de oprichting van het Algemeen Leiderschap van de Opstand, dat stakingsdagen, demonstraties en andere acties organiseerde. Een onafhankelijke Palestijnse staat in de bezette gebieden leek een optie te worden toen koning Hoessein eind 1988 in een televisietoespraak formeel afstand deed van de Jordaanse aanspraken op de Westelijke Jordaanoever. Angst voor onrust onder de Palestijnen in zijn eigen land was daarbij een belangrijker beweegreden dan zijn steun aan de Palestijnse zaak. Ondertussen was in augustus 1988 een staakt-het-vuren tussen Irak en Iran tot stand gekomen, dat in augustus 1990, onder druk van de Golfcrisis, omgezet werd in een vredesverdrag. Nieuwe oplossingen Deze ontwikkelingen in de regio en in de bezette gebieden stimuleerden het zoeken naar nieuwe oplossingen voor het conflict. In mei 1988 reisde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Schultz en daarna zijn opvolger James Baker verschillende malen naar het Nfidden-Oosten in een poging een intemationale vredesconferentie op touw te zetten. In mei 1989 kwam de Israelische regering van Nationale Eenheid met een vredesplan, dat voorzag in verkiezingen voor een Palestijnse onderhandelingsdelegatie door de bewoners van de Westoever en de Gazastrook. Deze gekozen Palestijnen zouden met Israel gaan praten over een interimregeling, zoals die in de Camp David Akkoorden van 1978 was voorgesteld. President Moebarak van Egypte en minister Baker maakten aanvullende punten op het vredesinitiatief, maar de onderhandelingen verliepen moeizaam. In Israel leidde de discussic over het vredesplan tot een kabinetscrisis. De daarop aangetreden Likoedregering bleef bezwaar maken tegen de voorgestelde samenstelling van de Palestijnse delegatie. Bovendien rezen er problemen tussen de Amerikaanse en de Israelische regering over de huisvesting van de Russische immigranten, die in groten getale in Israel aankwanen. De Amerikaans-lsraelische relatie bereikte een dieptepunt. Aan de in 1988 gestarte dialoog tussen de PLO en de Verenigde Staten kwam abrupt een einde toen de PLO weigerde een - weliswaar verijdelde - aanslag op het strand van Tel Aviv door het Bevrijdingsfront van Aboe Abbas, welke lid is van de PLO, te veroordelen. Bovendien werd de aandacht al weer afgeleid van de bezette gebieden door alarmerende berichten uit de Perzische Golf. 6. Veranderde verhoudingen in het Midden-OostenOp 2 augustus 1990 marcheerde het Iraakse leger het buurland Koeweit binnen. De invasie werd internationaal onmiddellijk veroordeeld. De VN-Veiligheidsraad nam bijna unaniem - alleen Jemen onthield zich van stemming - een resolutie aan, die de onvoorwaardelijke en onmiddellijke terugtrekking van de Iraakse troepen uit Koeweit eiste (VN-resolutie 660). Vier dagen later werd een totale handelsboycot tegen Irak afgekondigd door middel van VN-resolutie 661. De Golfcrisis en daarna de Golfoorlog (15 januari tot 2 maart 1991) hadden enorme gevolgen voor de politieke situatie in het Midden-Oosten. De bestaande verhoudingen in de regio hadden al krassen opgelopen door het einde van de Koude Oorlog, dat in november 1989 werd ingeleid door de val van de Berlijnse Muur. De Golfoorlog betekende de definitieve nekslag voor de status quo in het Midden-Oosten.
De ineenstorting van het communisme was het einde van de strijd tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie om zoveel mogelijk bondgenoten. Jarenlang hadden zij landen financieel en met wapenleveranties aan zich gebonden. Syrië, voorheen de trouwste Russische bondgenoot en tevens aartsrivaal van Irak, sloot zich nu aan bij de door Amerika geleide anti-Irak-coalitie en stond impliciet dus aan dezelfde kant als Israel. Saoedi-Arabie zag de militaire escapades van Saddam Hoessein als een directe bedreiging en gaf de Verenigde Staten toestemming troepen op Saoedisch grondgebied te stationeren. Al snel waren er ook Franse, Engelse en andere buitenlandse eenheden in de Golf aanwezig. Nederland stuurde twee fregatten. De Arabische wereld was verscheurd: de Iraakse inval en annexatie waren afkeurenswaardig, maar de toenemende Westerse aanwezigheid in de Golf werd ook als bedreigend ervaren. Op de Arabische conferentie in Cairo op 29 augustus 1990 stuurden slechts 13 van de 21 leden van de Arabische Liga een delegatie. Alleen de Arabische landen Syrid, Marokko en Egypte waren bereid troepen naar de Golf te sturen om Saoedi-Arabie te beschermen. De PLO van Jasser Arafat koos onomwonden de zijde van Irak. Een keuze die de Bevrijdingsorganisatie duur kwam te staan. DE PLO in het nauw De sympathie die de PLO in het buitenland leek te hebben verworven sinds de intifada en de uitspraken van Arafat in 1988, had al deuken opgelopen als gevolg van de voortgaande Palestijnse terreuraanslagen. Maar met de Palestijnse steun aan de Iraakse leider verspeelde de PLO alle krediet. "Men heeft een gasmasker nodig om de giftige en rotte lucht van het standpunt van de PLO ten aanzien van Saddam Hoessein te weerstaan", sprak de Israelische vredesactivist en huidige minister van Milieu, Yossi Sarid, die altijd een voorstander is geweest van rechtstreekse onderhandelingen met de PLO. Een uitspraak die de afschuw van de Israelische bevolking van de Palestijnse steunbetuigingen aan de Iraakse leider overduidelijk weergeeft. Saddam Hoessein had een enorme aantrekkingskracht op de Palestijnen. Zij zagen in hem een Arabische leider die korte metten maakte met het imperialistische pro-westerse Koeweit. Hij trok fel van leer tegen de "Zionistische handlanger van Amerika". In een televisietoespraak op 2 april 1990 dreigde hij "half Israel met chemische wapens te vergassen ". En hij maakte de koppeling tussen de Israelische aanwezigheid in de bezette gebieden en de Iraakse bezetting van Koeweit. In de Westelijke Jordaanoever stonden sommige Palestijnen dan ook op de daken van hun huizen te juichen toen de lraakse Scudraketten over hun hoofden op Israel werden afgevuurd. De PLO, toch al getroffen door de toenemende invloed van de fundamentalisten in de bezette gebieden en altijd op zoek naar steun voor de Palestijnse zaak van wie dan ook, koos de zijde van Irak. De gevolgen van deze misstap van de Palestijnen bleven niet lang uit. De Arabische landen die deeinamen aan de anti-Irak-coalitie waren tegelijkertijd de grote geldschieters van de PLO. Zij zetten hun finaneidle steun aan Jasser Arafat en zijn organisatie onmiddellijk stop. Ook de bijdrage van de Sovjet-Unie, jarenlang de trouwste militaire en financiele steunpilaar van de PLO, viel weg. De inkomsten van de PLO daalden dramatisch. Er was nauwelijks nog geld om te investeren in de bezette gebieden. De jaarlijkse PLO-begroting van 500 miljoen dollar werd in een k]ap ingekrompen met 70%! Bovendien besloten de conservatieve leiders van Saoedi-Arabid en Koeweit, uit woede over het verraad van Arafat en als voorstanders van een traditionele lslamitische samenleving, hun steun te geven aan de fundamentalistische Hamasbeweging in de bezette gebieden. Dit betekende nog een extra tegenslag voor de bijna failliete PLO. Ondertussen werden de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook overstroomd door Palestijnen die jarenlang in Koeweit en andere Golfstaten in de olie-industrie hadden gewerkt. Beschuldigd als handlangers van Saddam Hoessein waren 300.000 Palestijnen Koeweit uitgejaagd. Berooid en werkloos keerden de Palestijnse gastarbeiders nu terug naar Jordanië en de bezette gebieden. Met hun terugkeer kwam tevens een einde aan de door hen gecreeerde geldstroom van de Golfstaten naar de bezette gebieden. De financiele en politieke crisis binnen de PLO dwong Arafat en de zijnen naar de onderhandelingstafel. Sterker nog, het dwong hen erin toe te stemmen dat alleen Palestijnen uit de bezette gebieden in een onderhandelingsdelegatie werden opgenomen. Israels veiligheid Ook voor Israel bleven de gevolgen van de Golfoorlog niet uit. De Scudraketten, die Saddam Hoessein afvuurde op Israel, hadden aangetoond dat de veiligheid van Israel niet gegarandeerd kon worden door streng bewaakte territoriale grenzen. De wapens van Israels vijanden reikten verder dan ooit en de benodigde afweersystemen werden steeds kostbaarder en ineffectiever. Bovendien, hoe lang zou de Amerikaanse regering Israels veiligheidsrekening nog willen betalen? De Koude Oorlog was voorbij en Israel was zijn strategische positie als bruggehoofd tegen het communisme kwijtgeraakt. Toen de Amerikaanse druk op de regering Sjamir toenam om deel te nemen aan een internationale vredesconferentie, kon premier Sjamir dan ook niet weigeren. Een internationale conferentie bood deze keer bovendien de mogelijkheid met Syrië tot een vergelijk te komen. De Israelische regering volhardde wel in haar standpunt niet te praten met de PLO voordat de organisatie officieel en expliciet Israel zou erkennen en terrorisme zou afzweren. Ook de Arabische buren van Israel stemden in met een internationalse vredesconferentie. Koning Hoessein wilde na zijn halfslachtige opstelling tijdens de Golfoorlog weer in de gunst komen van de Verenigde Staten. Syrië zocht een nieuwe sponsor na het wegvallen van de Sovjet-Unie als jarenlange geldschieter en wapenleverancier. Madrid De Nieuwe Wereldorde, zoals president Bush de situatie tijdens de Golfcrisis karakteriseerde, had zijn eerste wapenfeit op 30 oktober 1991 in Madrid. Na intensieve pendeldiplomatie door het Midden-Oosten van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker vond daar de ceremoniele opening plaats van een internationale vredesconferentie voor het Midden-Oosten. Onder toeziend oog van de VS, de Sovjet-Unie, de EU en een aantal andere Arabische landen zaten de Israelische, Palestijns-Jordaanse, Libanese en Syrische delegaties met elkaar aan de onderhandelingstafel. De historische bijeenkomst werd voortgezet door middel van vervolgrondes van bilaterale besprekingen in Washington en multilaterale bespreldngen van een vijftal werkgroepen (Water, Ontwapening, Vluchtelingen, Economie en Milieu) elders in de wereld. Deze onderhandelingen gaan nog steeds door, maar zonder Syrië en Libanon, die de multilaterale besprekingen als een vorm van erkenning van Israel beschouwen.
Naar de wens van Israel mochten de Palestijnse delegatieleden geen lid zijn van de PLO of afkomstig zijn uit Oost-Jeruzalem. In de bilaterals onderhandelingsrondes die volgden op Madrid bleek desondanks dat de Palestijnse onderhandelaars geen enkele beslissing namen zonder overleg met 'Tunis'. De regering Rabin (een coalitie bestaande uit de Arbeidspartij, Meretz en de orthodoxe Shaspartij, samen 62 van de 120 zetels), die op 13 juli 1992 aantrad, dacht hierin verandering te kunnen brengen door de vooraanstaande Oostjeruzalemmer Faisal Hoesseini toe te laten tot de Palestijnse delegatie. Tevergeefs. Het was wederom duidelijk dat de Palestijns-lsraclische kwestie niet opgelost kon worden zonder overleg met de echte politieke vertegenwoordigers van de Palestijnen, de PLO. Terwijl Rabin concessies deed, zoals het stopzetten van de nederzettingenpolitiek en het opheffen van voor Palestijnen in de bezette gebeiden beperkende maatregelen, schrok hij er niet voor terug keihard op te treden tegen het moslimfundamentalisme. De irritatie onder de Palestijnen in de bezette gebieden over het teruglopen van de economie en de uitzichtloosheid van de bezetting groeide naarmate de besprekingen in Washington larger duurden. Hun hoop op een snelle oplossing na de doorbraak, die Madrid was, veranderde in teleurstelling door het gebrek aan resultant. Het uiterst ingewikkelde karakter van de op te lossen problemen was daar debet aan. Noorse gesprekken In april 1992 sprak Knessetlid Yossi Beilin, nu onderminister van Buitenlandse Zaken, met een Noorse politicoloog, die hem in contact wilde brengen met PLO-vertegenwoordigers. Beilin, die wel geinteresseerd was, stuurde er een bevriende hoogleraar, Yair Hirschfeld, op af. In september van hetzelfde jaar startten in Oslo in het diepste geheim gesprekken tussen Israeli's en de PLO. De recentelijk overleden Noorse minister van Buitenlandse Zaken Johan Jurgen Holst begeleidde de bijeenkomsten. In maart 1993 werd minister Peres door Beilin op de hoogte gesteld van de ontmoetingen. Hij lichtte vrijwel direct premier Rabin in. Rabin vond dat de Noorse contacten de moeite van het proberen waard waren. De Israelische delegatie werd verzwaard met Oeri Savir, directeur-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken. In Oslo ondertekende hij, samen met Aboe Alaa voor de PLO, op 19 augustus 1993 een geheime overeenkomst. "Van Arafat verwachten dat hij de lokale Palestijnse leiders rustig een akkoord met Israel laat sluiten, is hetzelfde als van een kalkoen verwachten dat hij behulpzaam is bij de voorbereidingen voor Thanksgiving". Met deze uitspraak gaf Shirtion Peres precies aan, om welke redenen Israel en de PLO instemden met de geheime onderhandelingen. De dreigende ondergang van Jasser Arafat, leider van een bijna failliete organisatie, die was uitgesloten van de officiele onderhandelingen in Washington en steeds meer steun verloor aan fundamentalistische bewegingen in de bezette gebieden, dwong de PLO-leider zijn laatste troef uit te spelen: de erkenning van Israel. De geheime onderhandelingen in Noorwegen boden hiertoe een geschikt handvat. De Israelische regering besefte, dat onderhandelen over vrede zonder echte vertegenwoordigers van de Palestijnen een illusie was. Bovendien vroeg de opleving van Palestijns geweld dringend een structurele oplossing. Frustratie over de moeizame besprekingen in Washington speelde ook een rol bij het besluit van premier Rabin in april 1993 de geheime onderhandelingen in Oslo een kans te geven. 7. Het beginselakkoord en verderOp 9 september 1993 stuurde Jasser Arafat namens de PLO een brief aan premier Rabin en de Noorse minister Holst waarin hij toezegde, dat de PLO terrorisme als strijdmiddel verwierp en het bestaansrecht van Israel erkende. Ook stelde Arafat het PLO-Handvest buiten werking, voor zover hier passages in voorkomen, die het bestaansrecht van Israel ontkennen. De Israelische regering erkende de PLO daarop als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk en volwaardig onderhandelingspartner. Vier dagen later, op 13 september, werd het beginselakkoord in Washington door minister Peres en PLO-vertegenwoordiger Mahmoed Abbas (Aboe Mazen) ondertekend en bekrachtigd met de handdruk van Jasser Arafat en Jitschak Rabin. De volledige tekst van de brieven, de toespraken en het akkoord tussen Israel en de PLO is zowel als CIDI-Informatiebrochure verkrijgbaar en ON-LINE te raadplegen. In het akkoord is overeengekomen dat de gehele Westelijke Jordaanoever en Gazastrook, uitgezonderd de Joodse nederzettingen en Jeruzalem, onder Palestijns zelfbestuur komen te staan. Uiterlijk op 13 juli 1994 moeten er vrije verkiezingen worden gehouden voor de Palestijnse bestuursraad. Deze zal in ieder geval bevoegdheden krijgen op het gebied van gezondheidszorg, cultuur, onderwijs, welzijn, directe belastingen en toerisme. Israel blijft minimaal verantwoordelijk voor de externe verdediging van het hele gebied en de veiligheid van de Joodse kolonisten. Voor april 1996 moeten onderhandelingen beginnen over de definitieve toekomst van de gebieden. Dan komen ook moeilijke onderwerpen, zoals Jeruzalem en het vluchtelingenprobleem, aan bod. Vooraf aan het bestuur op de Westoever gaat de zogenawnde 'Gaza en Jericho Eerst' optie. Uit deze gebieden moet het Israelische leger zich voor 13 april 1994 volledig hebben teruggetrokken, waarna een Palestijnse politiemacht de orde zal handha- ven en het bestuur in handen komt van een bestuursraad. Gaza en Jericho gelden als proeftuin voor de Palestijnse zelfstandigheid. Het akkoord is een beginselverklaring. ledere stap gaat weer gepaard met intensieve onderhandelingen over de precieze uitvoering ervan. Tegenstanders Dat de uitwerking en uitvoering van het akkoord niet gemakkelijk zou verlopen, was meteen duidelijk. De eerste euforie moest meteen plaats maken voor de harde realiteit: Arafat had de grootst mogelijke moeite om het akkoord door het Uitvoerend Comite van de PLO te slepen. Niet meer dan twaalf van de achttien leden waren bij de beslissende zitting aanwezig; van hen hebben slechts negen voor het akkoord gestemd. Zelfs binnen Arafats eigen partij, Fatah, bevinden zich felle tegenstanders van het akkoord. Grote oppositie komt van de Palestijnse vluchtelingen in Syrië en Libanon, die Arafat verwijten dat er geen enkele toezegging is van Israel over hun 'recht op terugkeer' naar hun woonplaatsen van voor 1948. Een tiental Palestijnse organisaties, zoals het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van George Habash en het Democratisch Volksfront voor de Bevrijding van Palestina van Nayef Hawatmeh, hebben in Damascus een afwijzingsfront tegen de overeenkomst gevormd. Verder wordt Arafats autoritaire leiderschap binnen de PLO fel gekritiseerd. Openlijke kritiek op Arafat van Mahmoed Abbas, de ondertekenaar van het akkoord, en het opstappen van Hanan Ashrawi uit de Palestijnse delegatie om een Palestijnse mensenrechtencommissie op te zetten, illustreren het gebrek aan vertrouwen in Arafats autoritaire beleid. Fundamentalistische bewegingen, als Hamas, hebben het akkoord ook onmiddellijk verworpen en grijpen elk incident aan om aan te tonen dat de relatie tussen Israel en de PLO geen toekomst heeft. Aanslagen op kolonisten, op Palestijnen die voorstander van het akkoord zijn en op willekeurige Israelische burgers zijn toegenomen. Het Israelische leger treedt hard op tegen het geweld van de fundamentalisten. Het begin van de terugtrekking van het Israelische leger, dat gepland was op 13 december 1993, werd uitgesteld. Premier en minister van Defensie Rabin voerde de militaire aanwezigheid in de bezette gebieden zelfs op tot ruim tienduizend reservisten en dienstplichtigen. Evenveel als tijdens de 'hoogtijdagen' van de intifada in 1988! Ook voerden speciale eenheden acties uit om Palestijnse terroristenleiders op te pakken.
Ook aan Israelische zijde bevinden zich felle tegenstanders van het akkoord. De Joodse kolonisten, georganiseerd in Goesj Emoeniem, vrezen de komst van een Palestijnse politiemacht en de toekomst van hun nederzettingen. Zij lijken vooralsnog niet bereid gebiedsoverdracht aan de Palestijnen te accepteren. Enkele acties waarbij Palestijnen zijn vermoord, waaronder die in Hebron, hebben zich al voorgedaan. Ook hebben kolonisten actie gevoerd door middel van blokkades van brandende autobanden op de toegangswegen van de gebieden naar Israel. Er is een geweldspiraal ontstaan die steeds meer Israeli's en Palestijnen doet twijfelen aan de uitvoerbaarheid van de gesloten overeenkomst. Net als Arafat heeft Rabin smalle marges, waarbinnen hij het akkoord moet uitwerken. Het akkoord is goedgekeurd door de Knesset met 61 stemmen voor en 50 stemmen tegen. Er waren 8 onthoudingen. Likoedleider Benjamin Netanyahoe verklaarde zich een fel tegenstander van de overeenkomst, maar zijn partij verkeert in verwarring. Bij de stemming waren drie van de stemonthouders Likoedleden. Economische steun De enige manier waarop de PLO en de Israelische regering de steun van de Palestijnen in de bezette gebieden voor het akkoord kunnen behouden, is hun zichtbare verbeteringen in de levensomstandigheden te bieden. Een basisgegeven is dat tevreden mensen geen geweld gebruiken en evenmin streven naar het aftreden van hun vertegenwoordigers, een gevaar dat zowel Arafat als Rabin steeds boven het hoofd hangt. Massale economische steun is aldus de belangrijkste voorwaarde voor het welslagen van het vredesproces. Dat moet ook de gedachte zijn geweest van de 43 staten die vier miljard gulden bijeenbrachten tijdens de donorconferentie voor hulp aan de Westelijke Jordaanoever en Gazastrook. De karigheid van de Arabische landen, die slechts 5% van die vier miljard toezegden, kan geinterpreteerd worden als de vrees van de feodaal geregeerde oliestaten voor het tot stand komen van een seculiere Palestijnse democratie in hun midden. Wereldbank Het op de donorconferentie toegezegde geld zal moeten dienen voor de versterking van de infrastructuur in de bezette gebieden, zodat een fundament gelegd wordt voor economische onafhankelijkheid en meer welvaart. Om dit te bereiken, pleit de Wereldbank in verschillende rapporten voor grotere onafhankelijkheid van arbeid in Israel, meer Palestijnse export, het vervaardigen van produkten die import kunnen vervangen en verbetering van het openbaar bestuur en diensten. Hierdoor kunnen niet alleen de levensomstandigheden verbeteren, maar wordt ook het particuliere bedrijfsleven ondersteund. De Wereldbank is optimistisch over de toekomst van de gebieden. De Palestijnen beschikken over hoogopgeleide mensen (18 academici op 1000 inwoners), de gebieden hebben geen nationale schuld en liggen gunstig voor toerisme en export naar Europa en de Arabische wereld. Wel is samenwerking noodzakelijk met Israel en ook Jordanië. De Palestijnse economie is te klein voor absolute onafhankelijkheid. Het beginselakkoord tussen Israel en de PLO beaamt dit. Artikel 11 "erkent dat het tot wederzijds voordeel is, samen te werken bij de ontwikkeling van de Westelijke Jordaanoever de Gazastrook en Israel" en kondigt de oprichting van een Israelisch-Palestijns Comite voor Economische Samenwerking aan. Artikel 12 betrekt Egypte en Jordanië erbij. Als de vrede doorzet en zelfs de dimensie van een regionale vrijhandelszone krijgt, kan het Midden-Oosten bloeien. Israelisch en Palestijns intellect kan samenwerken met het arbeidspotentieel van Egypte en de rijkdom aan grondstoffen van Saoedi-Arabid, Koeweit en de emirates. Er ontstaat dan een economische gemeensehap, die de puinhopen van het verleden achter zich laat en welvaart brengt voor alle burgers. President Clinton zei het op 13 september 1993 als volgt: "Er was een tijd dat verkeer van ideeen, handel en pelgrims ononderbroken tussen de steden van de vruchtbare halve maan plaatsvond, in het Midden-Oosten werkten Moslims en Joden samen aan briljante hoofdstukken in de geschiedenis van literatuur en wetenschap. Dit alles kan opnieuw gebeuren ". Vooralsnog is dit toekomstmuziek. Eerst moeten veel obstakels overwonnen worden. De regering Rabin en de PLO van Arafat moeten consequent gesteund worden in hun pogingen de gecreeerde vredeskansen uit te werken. Internationale diplomatieke en economische steun is hierbij onontbeerlijk. Extremistische groeperingen aan beide zijden mogen geen enkele sympathie ontmoeten; ze zijn slechts uit op het vernietigen van het vredesproces. Het septemberakkoord is nog maar een eerste stap. Het herhaaldelijk stilleggen van de besprekingen tussen Israel en de PLO en de gewelddadige acties van tegenstanders, zoals in Hebron, laten zien dat er nog veel hobbels en kuilen zitten op de lange weg naar vrede die de PLO en Israel zijn ingeslagen. Maar het is een gouden kans voor de Palestijnen om hun droom van een eigen staat op termijn verwezenlijkt te zien en voor de Israeli's om na ruim vijfenveertig jaar in vrede en veiligheid in hun land te kunnen leven. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| (c)CIDI, 2003 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||