Centrum Informatie en Documentatie Israel > CIDI Publicaties www.cidi.nl - Terug naar Home Page
 

Dossier Iran, profiel van een terroristisch bewind
Ronny Naftaniel, maart 1996

 
 

Inhoudsopgave

1. Dossier Iran
2. Iraanse agressie
3. Op jacht naar wapens
4. Schending van mensenrechten
5. Amerikaans handelsembargo
6. De Iraanse economie
7. De kritische dialoog van Europa
8. Nederland en Iran
9. Samenvatting en aanbevelingen

1. Dossier Iran

"Het terrorisme is niet anoniem. Het heeft een naam en een adres. Het heeft bankrekeningen, een infrastructuur en netwerken die gecamoufleerd worden als welzijnsinstellingen. Het wordt aangevoerd door een land: Iran. Het Iraanse volk is niet onze vijand. Religie niet onze tegenstander. Het is het regime dat geweld en fanatisme initieert en aanmoedigt. Teheran is de hoofdstad van de terreur geworden. Er moet een methode gevonden worden om dit te bedwingen."

Met deze woorden riep de Israelische premier Peres de regeringsleiders en staatshoofden, die op 13 maart 1996 de anti-terreur top in het Egyptische Sjarm el Sheikh bijwoonden, op tot krachtige maatregelen tegen Iran. De bijeenkomst, die door een verrassend groot aantal Arabische leiders werd bijgewoond, was georganiseerd als antwoord op de dramatische reeks van zelfmoordaanslagen in Israel, die aan 60 mensen het leven kostte. De aanwezigen bogen zich niet alleen over maatregelen tegen het terrorisme, maar spraken tevens de wens uit dat het vredesproces in het Midden-Oosten zal doorgaan.

Premier Peres is niet de eerste die sancties tegen het fundamentalistische bewind in Teheran voorstaat. In mei 1995 kondigden de Verenigde Staten een eenzijdig embargo tegen Iran af. Het is de bedoeling dat die boycot uiteindelijk verder zal gaan dan die tegen Libie en Irak, omdat er tevens maatregelen voorgesteld zijn tegen buitenlandse ondernemingen die in Iran en zijn olie-industrie willen investeren. Tot op heden hebben de Verenigde Staten en Israel echter weinig steun van hun bondgenoten ondervonden. De lidstaten van de Europese Unie en Japan zijn voorstander van een "kritische dialoog" met Iran, maar boeken hiermee geen enkel noemenswaardig resultaat.

Vooral binnen de EU heeft de gedachte postgevat dat Iran juist in toom kan worden gehouden door de economische en politieke banden te handhaven, alle Iraanse betrokkenheid bij recente aanslagen ten spijt. Dat de terreurdaden door Iran geenspireerd zijn, heeft ook PLO-leider Jasser Arafat toegegeven.Volgens sommige Europese politici zou Iran een groter gevaar voor de westerse wereld vormen als de ayatollah's in een hoek worden gedreven. De Golfoorlog heeft echter uitgewezen, dat het gevaarlijk is om koste wat het kost met praten door te gaan. Terecht heeft president Clinton er diverse malen op gewezen dat de wereld conclusies moet trekken uit de Golfoorlog. Iran is op zijn zachtst gezegd op weg een tweede Irak te worden. De Golfoorlog had voorkomen kunnen worden als de westerse wereld Saddam Hoessein niet op zijn wenken had bediend. Vrijwel geen enkel land heeft zijn bedoelingen doorzien. Dankzij de goederen die de westerse handelsondernemingen met goedkeuring van hun regeringen leverden, kon Irak een gevaarlijke militaire macht worden.

De EU vervalt in dezelfde fout met betrekking tot Iran. Het zijn de individuele commerciele belangen van de lidstaten, waardoor Europa zich laat leiden. Het Iraanse regime verhult noch haar hoofdrol in het internationaal terrorisme noch haar ambities op nucleair gebied. Het land is bezig verschillende kerncentrales te bouwen, waarvan de technologie voornamelijk uit Rusland en China komt. De centrales zijn er om aan de toekomstige vraag naar energie te voldoen, aldus Teheran. Maar is Iran niet een van de grootste olie- en gasproducenten ter wereld?

Zelfmoordacties worden in de Iraanse pers geprezen als heroische daden en een straf van God. Een door de regering gecontroleerde krant als Kayhan duidt de omgekomen daders steevast aan als martelaars, die op weg zijn naar het paradijs. Politieke dissidenten worden door de Sji'ietische machthebbers tot ver in het buitenland vervolgd en gedood, of als ze geluk hebben geintimideerd en bedreigd.

Door de extreme denkbeelden en het daarop afgestemde beleid vormt Iran een groter gevaar dan Irak ooit geweest is. Veel informatie hierover is terug te vinden in de rapporten van de Amerikaanse en Duitse inlichtingendiensten. Die informatie is openbaar en is de afgelopen jaren verschenen in de internationale pers. Voor de VS is het vergaren van gegevens over terroristische activiteiten en bewapeningsprogramma's reeds enkele jaren een top-prioriteit.

Het jaarverslag van de Nederlandse BVD van 1995 maakt gewag van een aantal niet op de lijst van strategische goederen staande produkten, die breed toepasbaar zijn, en tot op heden zonder beperkingen naar Iran geexporteerd mogen worden. Op grond van deze feiten en de ervaringen met Irak in het verleden is het duidelijk dat het vijf voor twaalf is. Er is meer dan voldoende reden om Iran politiek en economisch op de knieen te dwingen en niet te wachten totdat het te laat is. Iedere gulden die Iran verdient in de handel maakt een gulden vrij voor internationale terreur.

Dit dossier geeft een beeld van de misdrijven waaraan Iran zich schuldig maakt en de groeiende dreiging van een atoommacht in wording. Daarnaast wordt ingegaan op de Amerikaanse sancties tegen Iran enerzijds en anderzijds de betrekkingen die de Europese Unie nog steeds met het land onderhoudt. Aan het slot van 'Dossier Iran' komen de Nederlandse relaties met Teheran uitgebreid aan de orde. Daarbij blijkt dat ons land een aantal commerciele en vriendschappelijke verdragen met Iran heeft, die nog steeds van kracht zijn. Bovendien wordt sinds kort de wederzijdse handel weer gestimuleerd door de Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij en het ministerie van Financien. Het "Dossier Iran" wordt besloten met vijf suggesties van CIDI voor het nemen van politieke en economische maatregelen tegen Iran, zowel in het kader van de Europese Unie als door Nederland afzonderlijk. Voor de inhoud van deze aanbevelingen en een samenvatting van dit dossier, leze men het laatste hoofdstuk.

2. Iraanse agressie

Internationale terreur

In Europa opereren pro-Iraanse radicale groeperingen onder de auspicien van veiligheidsattache's van de Iraanse ambassades. Volgens de Israelische krant Yedioth Achronoth van 24 februari 1994 is het centrum van de activiteiten het Duitse regeringscentrum Bonn. Tevens is het bij inlichtingendiensten bekend dat de Iraanse ambassades in de Europese lidstaten moslims in moskeeen recruteren. In de zomer van 1993 schreef de Duitse inlichtingendienst hierover een rapport.

In Nederland klagen Iraanse vluchtelingen, die sympathiseren met oppositie groeperingen, dat ze geintimideerd en bedreigd worden door medewerkers van de Iraanse ambassade. De Tweede Kamerleden van D'66, Dittrich en Van den Bos stelden hierover in oktober 1994 vragen aan de regering. De ministers van justitie en binnenlandse zaken antwoordden dat de BVD deze zaak in de gaten houdt. In het rapport van de BVD in 1995 wordt bevestigd dat de Iraanse geheime dienst in Nederland politieke informatie inwint bij vluchtelingen en tegenstanders intimideert. Ali Fallahiyan, de Iraanse minister voor Inlichtingendiensten, heeft in augustus 1992 openlijk toegegeven, dat opposanten in het buitenland uit de weg worden geruimd en dat er op het hoogste niveau gespioneerd wordt. Naar schatting honderd dissidenten en journalisten zijn sinds de revolutie van 1979 door leden van de Iraanse geheime dienst om het leven gebracht. De meeste aanslagen vonden plaats in Turkije, Duitsland en Italie. Een lijst met de namen van de slachtoffers en de omschrijving van de gebeurtenissen ligt bij CIDI ter inzage.

Hieronder volgen enkele voorbeelden:

Zoals bekend vaardigde Ayatollah Khomeini op 14 februari 1989 de fatwa (doodvonnis) uit over de Britse schrijver Salman Rushdie, de auteur van Satanic Verses. Er werd een premie van $ 1 miljoen voor een buitenlander en $ 3 miljoen voor een Iranier uitgeloofd aan degene die de schrijver zou weten te vermoorden. Ook na de zoveelste veroordeling door het Europees Parlement en de Europese Raad (februari 1996) bleef de fatwa van kracht. Intussen werd in juli 1991 in Milaan de vertaler van Satanic Verses aangevallen en neergestoken. In Japan werd een week later de Japanse vertaler van het boek doodgestoken. En op 11 oktober 1994 kwam de Noorse vertaler van Satanic Verses bij zijn woning in Oslo door pistoolschoten om het leven.

In augustus 1991 werd Shapur Bakhtiar, de voormalige premier van de overgangsregering in zijn Parijse appartement vermoord.

In september 1992 schoten Hizbollah terroristen in het Berlijnse restaurant Mykonos acht leiders van de Democratische Partij van Iraans Koerdistan neer. Vier van hen waren op slag dood. De daders voerden de moorden uit in opdracht van Iraanse diplomaten. Deze feiten waren op 15 maart 1996 aanleiding voor de Duitse justitie een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen de eerder genoemde Iraanse minister voor Inlichtingendiensten Ali Fallahiyan. Dit gebeurde op grond van aanwijzingen van Koerdische activisten en verklaringen van een functionaris van de Duitse contraspionage.

In 1992 en 1993 vonden in Turkije moorden op verscheidene journalisten en Iraanse dissidenten plaats. Volgens de Turkse politie werden de islamitische moordenaars politiek en militair getraind in Teheran. Tevens kwam een Israelische veiligheidsofficier om het leven en was er een mislukte poging tot moord op een Turks-Joodse zakenman.

De afgelopen maanden heeft het Iraanse ministerie van Staatsveiligheid een ongekend offensief geopend op Iraanse ballingen, teneinde hen te bewegen afstand te nemen van de Nationale Raad van Verzet. Duizenden gevallen zijn daarvan al gedocumenteerd in Europa, Canada en de Verenigde Staten. Op 2 februari ontvoerden Iraanse agenten een Iranier in Duitsland en martelden hem 48 uur lang. Op 20 februari van dit jaar liquideerden Iraanse agenten in Istanbul Zahra Rajabi, al twintig jaar prominent lid van het verzet en lid van de Nationale Raad, en een collega van haar. Het was de eerste keer dat de terroristen in Europa een vrouw tot prooi hadden.

De CIA zegt over harde bewijzen te beschikken dat militaire activisten afkomstig uit diverse Arabische landen regelmatig Teheran bezoeken. Zij hebben daar ontmoetingen met hooggeplaatste veiligheidsfunctionarissen. Deze coordineren acties die in Egypte, Marokko, Algerije, Tunesie, Jordanië en Israel worden uitgevoerd. Volgens het in Parijs uitgegeven blad 'al Watan al Arabi' van 12 augustus 1994 ontvangen moslimfundamentalisten militaire training in kampen nabij Teheran, Qom en Kashan. De Iraanse inlichtingendienst recruteert onder meer studenten op de Imam Ali Universiteit in de heilige stad Qom en leidt ze op tot terroristen. Iran is verder betrokken bij de militaire training van moslimfundamentalisten in een kamp in de buurt van de Soedanese hoofdstad Khartoum. Recentelijk rolden de NAVO troepen in Bosnie een soortgelijk trainingscentrum op.

Volgens hooggeplaatste Amerikaanse regerings-functionarissen (US News & World Report van 11 maart 1996) vertoont de Iraanse trainingsfaciliteit in Bosnie dezelfde opzet als Iraanse trainingskampen in Soedan en Libanon. Het kamp werd op 12 februari 1996 ontdekt. Iran heeft tevens de grootste diplomatieke vertegenwoordiging in Sarajevo. In totaal zijn op de ambassade 40 medewerkers werkzaam. Een aantal Bosniers heeft militaire training in Teheran ontvangen. Bosnische militaire leiders zoals de ondercommandant van de Bosnische strijdmacht Hasan Cengic en functionarissen die sleutelposities binnen Ali Izbetgovic's partij vervullen hebben connecties met Teheran. De onthulling van het trainingskamp leidde tot een voorstel van de Amerikaanse Senaat om de economische hulp aan Bosnie op te schorten totdat de Iraniers verdwenen zijn.

Op 12 maart 1996 ontdekte de Belgische douane in de haven van Antwerpen een Iraans vrachtschip. Het schip was afkomstig uit de Iraanse havenstad Bandar Abbas en bevatte explosieven voor een Iraanse handelaar in Munchen. Volgens de afdeling terrorismebestrijding van de Belgische politie was de lading verscheept met de bedoeling aanslagen te plegen. Sinds de ontdekking worden gebouwen van Joodse instellingen door de Duitse politie extra beveiligd.

De strijd tegens Israel

De ideologische en gewapende strijd tegen "het duivelse" Israel is een prioriteit van de Iraanse buitenlandse politiek. De International Herald Tribune van 13 mei 1995 meldt dat Iran pakweg $ 100 miljoen uitgeeft aan terroristische groeperingen in Libanon, voornamelijk de Hizbollah, de Islamitische Jihad en de PFLP-General Command van Ahmad Jibril. De krant baseert zich op gegevens van de CIA.

De Hizbollah kan worden beschouwd als een verlengstuk van het Iraanse regime. De pakweg 2000 Hizbollah manschappen worden in het noordelijk deel van de Beka'avallei getraind door Iraanse militairen. Sinds het begin van de jaren '80 heeft de Hizbollah honderden katjoesjaraketten op het noorden van Israel afgeschoten. De organisatie claimt dat ze alleen al in 1995 in Zuid-Libanon 673 operaties heeft uitgevoerd. Sinds het begin van 1996 werden tientallen Israelische militairen gedood of gewond door aanvallen van Hizbollah. De organisatie was in het verleden ook verantwoordelijk voor anti-westerse terroristische acties.

Voorbeelden hiervan zijn zelfmoordaanslagen op Amerikaanse doelen in Libanon, waaronder de autobom bij de VS-ambassade en -marinebarakken in oktober 1983 en de VS-ambassade in september 1984. De beweging kaapte een TWA vliegtuig in 1985. Elementen van de groep waren verantwoordelijk voor het vasthouden van westerse gijzelaars in Libanon. Begin maart erkende de leider van de Libanese Hizbollah, Hassan Nasrallah in een interview met Al Wasat, een Arabisch tijdschrift dat in Londen verschijnt, dat Iran zijn beweging financiert: "Wij verbergen niet dat Iran ons steunt, er bestaat geen reden te ontkennen, dat we financiele en politieke steun van Iran ontvangen". Bij die gelegenheid juichte Nasrallah de zelfmoordacties van Hamas tegen Israel toe als een heroische daad.

Zowel de Amerikaanse, de Israelische als Palestijnse inlichtingendiensten gaan ervan uit dat de reeks bloedige zelfmoordaanslagen in Israel door Iran geinspireerd zijn. De eerste twee zelfmoordaanslagen, op 25 februari 1996, vonden in Jeruzalem en Asjkelon plaats. Hierbij kwamen 27 mensen om en raakten er 50 gewond. Op 3 maart vonden bij een zelfmoordaanslag in een bus in Jeruzalem 19 inzittenden de dood. Een dag later kwamen bij een zelfmoordaanslag in Tel Aviv 14 mensen om het leven en raakten meer dan 100 mensen gewond.

De Palestijnse terreurorganisatie Hamas (letterlijk: geloofsijver), verantwoordelijk voor vier van de vijf aanslagen, is fel gekant tegen het Midden-Oosten-vredesproces. Ze heeft een kantoor in Teheran. De leiders van de organisatie overleggen geregeld met Iraanse leiders, zowel in Teheran als in Damascus, over acties tegen Israel. Volgens de New York Times en de Washington Post hebben Hamas-leiders eind februari, tussen de reeks terreuraanslagen in, op de Iraanse ambassade in Damascus overleg gevoerd met de Iraanse vice-president Habibi.

Ook de verbale agressie van Iraanse leiders jegens Israel en zijn leiders is veelbetekenend. Op 16 februari jl. werd er een massale anti-Israel bijeenkomst belegd in Teheran ter ere van Jeruzalemdag, ingesteld door ayatollah Khomeini in 1979 uit protest tegen een Jeruzalem onder Israelisch bestuur. In een officiele verklaring na de demonstratie werd plechtig beloofd dat het Iraanse volk de strijd zal voortzetten 'tot de dood van het Zionistische regime'. De voorzitter van het Iraanse parlement Nateq Nuri noemde bij die gelegenheid de strijd tegen 'het regime dat Jeruzalem bezet houdt' zelfs een 'religieuze en heilige verplichting'. Ayatollah Khamenei heeft Israel eerder 'een vals en kunstmatig land' genoemd en gezegd dat 'Teherans afwijzing van Israel de reden voor de Westerse vijandschap jegens Iran is.' President Rafsanjani noemde de moord op premier Rabin 'een straf van God'. Hij hekelde openlijk het Arabisch-Israelische vredesproces en noemde de regering Peres nationalistisch en racistisch. Het Iraanse persbureau IRNA noemde de reeks aanslagen in Israel in februari en begin maart 'goddelijke vergelding' en 'het begin van het einde voor Israel'

Tot slot moet ook nog het lot van Ron Arad gememoreerd worden. De Israelische inlichtingendienst beschikt over aanwijzingen dat hij nog leeft en zich in Iraanse gevangenschap bevindt. Deze Israelische navigator werd in 1986 boven Libanon neergeschoten en viel in handen van een terreurorganisatie die nauwe banden onderhoudt met Iran. Na zijn overbrenging naar Iran heeft niemand enig bericht van hem ontvangen.

3. Op jacht naar wapens

Conventionele wapens

Volgens het Jaarboek van 1995 van het Stockholm International Peace Research Institute vertonen de Iraanse militaire uitgaven een zorgwekkende stijging. In 1994 bedroeg deze 42,5 %. Dat is de grootste stijging van alle landen in het Midden-Oosten. Mogelijk zijn de uitgaven hoger, omdat de cijfers ontleend zijn aan openbare bronnen. Iran vormt in toenemende mate een ernstige bedreiging voor zijn buurlanden. Door China geleverde Silkwormraketten staan opgesteld op platforms in de Perzische Golf. Het regime geeft prioriteit aan de modernisering van de luchtmacht en streeft naar een nucleus van 300 gevechtsvliegtuigen. De ballistische No Dong raketten die Noord- Korea aan Iran leverde hebben een reikwijdte van 1300 km en kunnen Saoedi-Arabie, alle Golfstaten en Israel treffen.

De meeste van zijn gevechtsvliegtuigen betrekt Iran uit Rusland. Het gaat hierbij om de MiG-31, Tu-22M bommenwerpers bewapend met middellange afstandsraketten en A- 50 vliegcommando- en controleplatforms. Rusland heeft Iran ook enkele diesel onderzeeboten van het type Kilo geleverd. Met een groot aantal boten zal Iran in de toekomst in staat zijn olietransporten vanuit de Golfregio naar het westen te belemmeren. In februari 1996 berichtte een woordvoerder van Rosvooruzheniye, de Russische staatsonderneming voor wapenhandel, aan het persbureau Itar-Tass, dat Rusland Iran MiG-29 en SU-25 gevechtsvliegtuigen, S-200 luchtafweerraketten, T-72 gevechtstanks en BMP pantserwagens heeft geleverd. Meer dan 85 % van de Russische export naar Iran bestaat uit militaire en strategische goederen.

In 1995 leverde Rusland aan Iran wapens en strategische goederen ter waarde van $ 400 miljoen. Een zegsvrouw van het Russische ministerie van Buitenlandse Handel verklaarde volgens het Russische persbureau Interfax op 14 februari 1996, dat Iran in de komende twee jaar voor een totale waarde van $ 1 miljard aan militaire apparatuur van Rusland zal kopen.

Atoomwapens

Iran werkt reeds geruime tijd aan de produktie van een nucleair wapen. De New York Times van 14 mei 1995 meldt dat Reza Amrollahi, directeur van de Iraanse Atoomenergie Organisatie, verklaard heeft dat zijn land 10 kernreactoren nodig heeft om in 20 % van de totale energie behoefte te voorzien. Twee zouden worden gebouwd door Rusland en twee door China. Iran is een van de grootste olieproducenten ter wereld. Daarnaast heeft het land de op een na grootste gasreserves ter wereld. Daarom noemde de Amerikaanse minister van Defensie, William Perry het volstrekt onverklaarbaar waarom Iran een kernreactor voor vreedzaam gebruik nodig zou hebben. Gas is namelijk veel goedkoper dan de ontwikkeling van nucleaire energie.

Volgens de doorgaans zeer goed geinformeerde nucleaire vakbladen Nucleonics Week en Nuclear Fuel werkt Iran op minimaal twee geheime plaatsen aan de ontwikkeling van ultracentrifuges. Het gaat mogelijk om het Sharif Research Centrum aan de universiteit van Teheran, het Bonab Atoom Centrum in Noord-Oost Iran, dat gebouwd zou zijn voor landbouwdoeleinden en mogelijk een locatie in Qazvin, een stad ten westen van Teheran. Deze laatste installatie doet dienst als recreatiecentrum. Sommige van de installaties zijn onschuldig en dienen slechts om de aandacht af te leiden van de in het geding zijnde nucleaire centra. De inspecties die voor het IAEA door een team deskundigen werden uitgevoerd brachten niets aan het licht.

Iran is lid van de IAEA en heeft het non proliferatie verdrag getekend. Daarnaast heeft er in 1993 een IAEA routinebezoek plaatsgevonden. Dit sluit echter niet uit dat het land niet in het geheim toch aan een kernwapen werkt. Dit is een van de ervaringen die de wereld de laatste paar jaar met buurland Irak heeft opgedaan.

Iran is actief op zoek naar onderdelen voor kernreactoren en Iraanse handelaren stropen in opdracht van hun regering een groot aantal landen af. Hieronder bevinden zich ook lidstaten van de EU. De Binnenlandse Veiligheids Dienst schrijft in haar jaarverslag van 1995 dat ze ervan op de hoogte is dat Iran op zoek is naar grondstoffen en nog meer naar apparatuur voor de bouw van fabrieken. Zodoende kan het land op den duur de grondstoffen zelf produceren en volledig zelfvoorzienend worden. De controle op de Iraanse nucleaire en militaire activiteiten wordt dan aanmerkelijk gecompliceerder. Volgens het Jordaanse weekblad 'Achbar al Oesboe' van begin februari 1996 zou Iran reeds 15 ton uranium bezitten. Het blad baseert zich op bronnen uit Washington.

Net als met de conventionele bewapening speelt Rusland een belangrijke rol in de bevoorrading van Iran. Het blad Business Middle East van 16 oktober 1995 meldt dat Iran een overeenkomst met Rusland heeft afgesloten om de door Siemens stopgezette bouw van de kerncentrale in Bu Shehr te voltooien. Het gaat om een kernreactor met een capaciteit van 1300 MW. Over een tweede kernreactor zal nadien onderhandeld worden. Dit is dr. Amrollahi, de directeur van de Iraanse Organisatie voor Atoom Energie toegezegd tijdens zijn bezoek aan Moskou op 28 augustus 1995. Rusland zal Iran verder gedurende 10 jaar nucleaire brandstof ter waarde van $ 300 miljoen leveren. Amerikaanse druk op de regering om van de verkoop af te zien heeft niet het beoogde resultaat opgeleverd. De Russische overheid heeft de leveringen slechts gebagatelliseerd.

Intussen werken er reeds enige jaren 150 - 200 Russische kernfysici in Bu Shehr. Dit aantal zal oplopen tot 500 man. Ook worden Iraniers in Rusland opgeleid. Met de constructie van de centrale is begin 1996 begonnen. Aleksei Jablokov, voorzitter van de Russische Regeringscommissie voor Milieu en Veiligheid heeft verklaard dat Iran binnen enkele jaren over een eigen kernbom kan beschikken. Washington beschikt over aanwijzingen dat het Iraanse kernwapen programma naar Pakistaans voorbeeld gemodelleerd is. Dit land slaagde er op slinkse wijze in om in acht jaar alle benodigde technologie te vergaren (o.a. door spionage in Nederland).

Eerder, in februari 1993, tekende ook China een overeenkomst met Iran voor de verkoop van kerncentrales. De Chinese minister van Buitenlandse Zaken Qian Qichen verklaarde dat zijn land de opdracht in september 1995 wegens financiele problemen geannuleerd heeft. Het ging om kerncentrales met een totaal vermogen van 300 MW. Volgens de Sunday Times van 25 september 1995 gaat de opdracht uiteindelijk toch door. Er is een bedrag van $6 miljard mee gemoeid. Daarnaast zou China Iran laserapparatuur voor de verrijking van uranium hebben verkocht en hot cells- en tributylfosfaat, noodzakelijk voor de scheiding van plutonium uit opgebrande splijtstof. Ook heeft China een calutron (een kleine elektromagnetische installatie) voor de zuivering van isotopen geleverd.

Iran ging volgens de Amerikaanse en Duitse inlichtingendienst ook winkelen in andere landen. Zo'n 600 Duitse en Oostenrijkse ondernemingen zouden op illegale wijze militaire en strategische apparatuur verkopen. De New York Times van 14 mei 1995 maakt melding van de volgende incidenten:

-In 1991 heeft het Sharif instituut getracht speciale magneten van de Duitse onderneming Thyssen te kopen. Het instituut ondernam ook pogingen om fluorine cilinders en balansmachines te kopen.

-In 1992 heeft Iran pogingen gedaan om van Argentinie zwaar water, uranium hexafluoride en centrifuges te kopen. In Kazachstan trachtten Iraniers verrijkt uranium te kopen.

-In 1993 heeft de Italiaanse douane acht stoomcondensoren voor Iran onderschept.

-In de zomer van 1994 hebben Iraniers gepoogd nucleaire apparatuur te kopen in Duitsland, Zwitserland en Belgie. De apparatuur was geschikt voor de verrijking van uranium.

-In januari 1995 werden in de Italiaanse havenstad Bari Iraniers aangehouden met hightech ultrasonische uitrusting.

4. Schending van mensenrechten

Iran is sinds 1979 een theocratische dictatuur waar nauwelijks ruimte is voor afwijkende standpunten. Andersdenkenden staan bloot aan vervolging, soms op subtiele en soms op brute wijze. Parlementsverkiezingen zijn een schertsvertoning. De kandidaten worden altijd zorgvuldig gescreend door diverse partijorganen.

Het regeringsbeleid wordt getoetst aan Ayatollah Khomeini's interpretatie van de Koran. Sinds 1979 is Amnesty International en andere non-gouvernementele organisaties de toegang tot Iran ontzegd. Wel heeft de afgezant van de Commissie voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, Maurice Copithorne, begin 1996 voor het eerst in vijf jaar een bezoek aan Iran gebracht. Het regime in Teheran beschouwt de mensenrechtenkwestie als een werktuig van de grote mogendheden om druk op Iran en andere landen uit te oefenen. Daarnaast hebben de islamitische landen volgens Iraanse functionarissen een ander concept van mensenrechten dan westerse landen.

In 1982 werden alle wetten die niet in overeenstemming waren met de islam afgeschaft. Hiervoor in de plaats kwam islamitische wetgeving, gebaseerd op de Shari'a. Alle nieuwe wetten worden getoetst aan de zogenaamde velayat-e-faqih, het gezag van de wetsgeleerden. Deze vermenging van religie en politiek is ontleend aan Khomeini's boek 'De Islamitische regering'. Lijfstraffen als geseling, handafhakken en steniging werden weer in ere hersteld. Verder staat op een groot aantal zogenaamde misdrijven, zoals drugsdelicten, overspel en homoseksualiteit de doodstraf. Daarnaast worden veel Iraniers terechtgesteld vanwege 'contrarevolutionaire' activiteiten. Hieronder vallen oppositionele politieke of religieuze activiteiten. Zo staat op bekering van de islam naar het christendom de doodstraf. Ook kunnen vrouwen bestempeld worden als 'contrarevolutionair' wanneer zij weigeren zich te conformeren aan de islamitische gedragsregels.

Het parlement heeft in de herfst van 1995 een wet aangenomen die de veiligheidsdienst de bevoegdheid geeft het vuur te openen op vreedzame demonstranten. Andere wetgeving bepaalt dat personen die zich kritisch uitlaten over de overheid en behoren bij verenigingen met meer dan twee leden in binnen-of buitenland, gestraft worden met tien jaar gevangenisstraf en publieke geseling. De grootste oppositiepartij is de Iraanse Volksorganisatie Mujaheddin Khalq, een links- islamitisch georienteerde beweging. Aanvankelijk steunde deze beweging de Islamitische revolutie, maar ze werd verboden in 1981 toen ze zich kritisch uitliet over de te grote politieke invloed van de geestelijkheid. Ook linkse bewegingen die op communistische leest geschoeid zijn zoals de Fedayan en de Tudehpartij worden hard aangepakt. Daarnaast bestaat er een groot aantal grotere en kleinere oppositionele monarchistische organisaties zoals Babak Khoramdin en Kaviyani Vaandel van Iran.

Volgens in mei en september 1995 gepubliceerde rapporten van Amnesty International worden religieuze minderheden zoals Christenen en Baha'i de laatste paar jaar in toenemende mate onderdrukt en vervolgd. Hier volgt een greep uit de misdaden:

-Bisschop Haik Hovsepian-Mehr, voorzitter van de Raad van Protestantse Geestelijk Leiders in Iran werd begin 1994 ontvoerd en ter dood gebracht. Hij had zich ingezet voor de vrijlating van Mehdi Dibaj, een Christelijke geestelijke, die op 24 juni verdwenen was. Dibaj had 10 jaar vastgezeten, omdat hij zich 45 jaar daarvoor had bekeerd tot het Christendom. Enkele maanden na zijn vrijlating werd hij doodgestoken. Tatavous Michaelian, die bisschop Haik Hovsepian-Mehr later dat jaar opvolgde, stierf ook in 1994, onder verdachte omstandigheden.

-De leden van de Baha'i beweging worden beschouwd als ketters en systematisch vervolgd. De Baha'i wordt niet als religieuze groepering erkend. Zeker 200 volgelingen zijn al ter dood gebracht. De Franse afdeling van de Baha'i meldt dat op 11 februari 1996 een 49 jarige 'afvallige' (Dhabihu'llah Mahrami) door een Iraanse Islamitische Revolutionaire Rechtbank ter dood werd veroordeeld. Dhabihu'llah Mahrami, een Baha'i ging in 1981 over tot de Islam, maar keerde zeven jaar later tot zijn geloof terug.

-Haji Mohammad Ziaie, een Soennietisch geestelijk leider uit Bandar Abbas werd in juli 1994 ondervraagd door de inlichtingendienst. Enkele dagen later werd zijn verminkte lichaam op een verlaten plek aangetroffen.

-Zelfs andersdenkende Sji'ietische geestelijken worden de laatste tijd vervolgd. Het gaat ondermeer om Opper Ayatollah Shirazi en Opper Ayatollah Sadeq Rouhani. Voor beide geestelijk leiders geldt dat tenminste 25 van hun volgelingen waaronder ook een zoon van elk van hun in hechtenis worden gehouden. Een aantal van hen is gefolterd.

-Fayzollah Mechubad, een 77 jarige Jood uit Teheran werd in '94 na wrede folteringen geexecuteerd. Hij werd beschuldigd van spionage. Er wonen in Iran 30.000 Joden.

Van de etnische minderheden hebben de Koerden het meest te lijden van de Iraanse overheid. Zij streven naar grotere autonomie en voeren een guerilla-oorlog. Activisten van bewegingen als de KDPI en Komala worden met grote regelmaat ter dood veroordeeld. Politieke verdachten worden berecht door Islamitische Revolutionaire Rechtbanken. Er is sprake van oneerlijke processen en een gebrek aan eenduidigheid in de rechtspraak, Gevangenen worden routinematig mishandeld en gemarteld om bekentenissen af te dwingen. Sinds het uitroepen van de Islamitische Republiek in 1979 zijn vele duizenden gevangenen terechtgesteld. Enkelen van hen werden in het openbaar opgehangen. Amnesty International vreest dat de werkelijke cijfers veel hoger liggen.

5. Amerikaans handelsembargo

Amerikaanse bedrijven mogen sedert mei 1995 geen zaken doen met Iran. Daarnaast zijn in de Senaat en op 22 maart 1996 ook door de Commissie Internationale Betrekkingen van het Huis van Afgevaardigden voorstellen aangenomen om ook buitenlandse ondernemingen te dwingen Iran te boycotten. President Clinton zal deze voorstellen waarschijnlijk van zijn handtekening voorzien. Het wetsvoorstel van het Huis van Afgevaardigden is gericht tegen buitenlandse bedrijven (dus ook Europese) met vestigingen in Amerika, die tevens handelen met Iraanse en Libische olie- en gasindustrieen of in die landen investeren.

Het wetsontwerp verplicht de president tenminste twee sancties op te leggen aan deze buitenlandse bedrijven. Hij kan daarbij kiezen uit een pakket van vijf strafmaatregelen: een totaal vestigingsverbod voor de Amerikaanse binnenlandse markt, het weigeren van exportgaranties en exportleveringen van de federale overheid, een verbod op de bevoegdheid in Amerikaans schatkistpapier te handelen (voor bankinstellingen), een verbod op Amerikaanse commerciele kredieten van meer dan 10 miljoen dollar of een verbod op het uitvoeren van overheidsprojecten. Als het embargo wordt ingesteld, is dit het meest vergaande dat in de VS ooit van kracht werd.

Door het secundaire karakter van de toekomstige maatregelen krijgt vrijwel elke buitenlandse onderneming of bankinstelling met een vestiging in de VS in de nabije toekomst te maken met de keuze of ze handelsbetrekkingen met Iran of met de VS willen. Uiteraard zijn de VS met een 70 maal grotere markt vele malen aantrekkelijker. Met de sancties willen de Amerikanen Iran treffen in zijn achilleshiel: de oliesector. President Rafsanjani heeft de modernisering van de olievelden tot Iran's eerste economische prioriteit gemaakt. Zonder buitenlandse hulp zal de olieproduktie de komende jaren snel dalen. Iran's Tweede Vijfjarenplan (1995-2000) voorziet in de ontwikkeling van 11 grote projecten. Het gaat voornamelijk om de winning van olie in diepwatervelden in de Perzische Golf en de Kaspische Zee. Die projecten kunnen slechts door buitenlandse oliemaatschappijen uitgevoerd worden, omdat Iran zowel de know how als de financiele middelen hiervoor ontbeert. De investering die Iran door de afkondiging van het VS embargo misloopt wordt geschat op $ 6,5 miljard.

Het is duidelijk dat de VS geen sancties tegen Iran treffen uit commerciele belangen, maar uit veiligheidsoverwegingen. Niettemin gaat de voorgestelde boycot de EU lidstaten veel te ver. Zij tonen zich zonder uitzondering fel tegenstander en betogen dat de huidige wet in strijd is met het internationale recht. Experts sluiten zelfs vergeldingsmaatregelen of het uitbreken van een handelsoorlog niet uit. De Britse ambassadeur in Washington noemde het embargo een VS inmenging in interne aangelegenheden. De lidstaten van de EU gaan echter voorbij aan het feit dat ze zelf niet de kracht hebben om, ondanks herhaalde scherpe veroordelingen van het regime in Teheran, sancties af te kondigen. Het mislukken van de 'kritische dialoog' heeft de Amerikaanse autoriteiten doen beseffen, dat ze zelf maatregelen moeten treffen om dit gevaarlijke regime te isoleren.

De roep om secundaire economische sancties werd veroorzaakt, doordat het bestaande verbod voor Amerikaanse bedrijven om zaken te doen met de Iraanse overheid of naar olie en gas te boren, omzeild werd. In maart 1995 tekenden de Iraanse staatsonderneming NIOC (National Iranian Oil Company) en Conoco een overeenkomst voor de ontwikkeling van twee offshore olievelden. Conoco was een speciaal voor deze overeenkomst opgerichte Antilliaanse dochtermaatschappij van E.I. Dupont de Nemours, een Amerikaanse onderneming gevestigd in Delaware. Het contract werd in Nederland ondertekend. Dit leidde tot woedende reacties van minister Warren Christopher en andere regeringsfunctionarissen.

Nauwelijks een maand nadat Conoco onder druk het contract annuleerde, ging Total SA met de Iraniers in zee. De Franse regering heeft een aandeel van 5 % in Total. De Iraniers zouden aan de overeenkomst in totaal $ 12,5 miljard aan extra olie-inkomsten overhouden, en nog eens $ 750 miljoen aan inkomsten uit de verkoop van aardgas.

Het verbod voor Amerikaanse bedrijven om met de Iraanse regering zaken te doen, of zich met de oliewinning bezig te houden, wierp alleen in het begin vruchten af. Iran werd de eerste maanden zwaar getroffen doordat het de VS - 24 % van de Iraanse olie werd naar Amerika geexporteerd- niet langer olie kon leveren. Het leverde een maandelijkse strop van $ 90 miljoen op. Iran moest zijn olie opslaan in Zuid-Afrika, tientallen kolossale olietankers leasen en olie onder de prijs verkopen. Binnen enkele maanden had de Iraanse overheid echter afnemers in Zuid-Afrika, Europa en Japan gevonden die zich niet door sancties gehinderd zagen. Wel besloot de regering van Japan, na Duitsland Iran's grootste crediteur, op 2 mei 1995 een lening van $ 542 miljoen aan Iran op te schorten.

6. De Iraanse economie

De Iraanse economie staat er al jaren slecht voor. Ongeveer de helft van de beroepsbevolking is zonder werk, 46 % is analfabeet en rond de 70 % van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Het gemiddelde jaarinkomen per hoofd van de bevolking bedroeg in 1995 slechts $ 440. Het grootste probleem is de dalende opbrengsten in de oliebranche. Daarnaast is er de hoge schuldenlast. De olie- opbrengsten zijn sinds de laatste dagen van de Sjah gedaald van $ 6 miljard tot $ 3,6 miljard nu. Dit is het gevolg van jarenlange verwaarlozing en veroudering van de vindplaatsen. Om de opbrengst te verhogen is het onvermijdelijk dat de Iraanse oliebranche met spoed gemoderniseerd wordt. Hiervoor zijn omvangrijke buitenlandse investeringen in de vorm van de elf eerder genoemde diepzeewater projecten onontbeerlijk.

Van de $ 18 miljard die Iran in 1994 aan goederen exporteerde kwam $ 14 miljard voor rekening van de oliebranche. In 1995 daalde de totale export met $ 2 miljard als gevolg van de sancties van President Clinton. Daarnaast werd de opbrengst uit de niet-olie export gehalveerd als gevolg van de strikte valuta restricties die de Iraanse regering ondernemingen oplegde. Volgens de Bundesstelle fnr Aussenhandelsinformation lopen schattingen over Iran's buitenlandse schuld uiteen van $ 25 miljard tot $ 30 miljard.

Een rapport van de American Israel Public Affairs Committee (AIPAC) van november 1995 citeert de vice-voorzitter van de Iraanse Kamer van Koophandel die verklaart dat zijn land een buitenlandse schuld van $ 36 miljard heeft. Dit bedrag komt overeen met 30 - 40 % van het Iraanse Bruto Nationaal Produkt. In 1996 moet Iran $ 5 miljard van die buitenlandse schulden aflossen. Dat is 40 % van de totale olie-opbrengst. Verder moet Iran $ 3 miljard uitgeven aan onderhoud van de olie- en gasvelden en de uitbreiding van de capaciteit van de olieraffinaderijen om de groeiende binnenlandse vraag op te vangen. De Iraanse regering heeft tenminste $ 10 miljard nodig voor het importeren van goederen, toch al niet veel voor de snel groeiende bevolking van bijna 65 miljoen zielen. In 1992 bedroeg de invoer nog $ 19 miljard.

Deze cijfers maken duidelijk dat Iran zich de aankoop van wapens in het geheel niet kan veroorloven en dat vooral het Iraanse volk zelf van dit bestedingspatroon de dupe wordt. De bezuinigingen en prijsstijgingen hebben een aantal keren rellen veroorzaakt, maar niet van dien aard om het regime te doen wankelen. Desondanks heeft Iran volgens het eerder genoemde Iran rapport van AIPAC van november 1995 in de periode 1990 - 1994 voor $ 5,7 miljard aan wapens aangeschaft. Volgens Iran Brief heeft Iran in dezelfde periode van Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk en Italie voor $ 15 miljard aan zware machines en materialen voor wapenproduktie ingekocht.

7. De kritische dialoog van Europa

De officiele politiek van de Europese Unie is het best verwoord in de conclusies van de top van regeringsleiders en staatshoofden in Madrid op 15 en 16 december 1995. Daarin werd ondermeer gesteld dat de EU bij samenwerking met Iran de nodige garanties zal eisen, zodat in elk geval "elke bijdrage aan de nucleaire militaire macht" vermeden zal worden. In "de context van eerbied voor de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting" zeiden de regeringsleiders dat ze, "binnen het kader van de kritische dialoog, een bevredigende oplossing wilden bewerkstelligen voor de schrijver Salman Rushdie". Het antwoord uit Iran op de EU kritiek liet niet lang op zich wachten. minister van Buitenlandse Zaken Velayati bevestigde in februari de fatwa en zei zich niets van de Europese politiek aan te trekken. Ook het Europees Parlement heeft zich in tientallen resoluties vernietigend uitgesproken over de systematische schendingen van mensenrechten door Iran, de moord op dissidenten en de Rushdie kwestie. Dit ontlokte op 13 februari Labour Europarlementarier, Glenys Kinnock, de hartekreet: "Jullie kritische dialoog is niets anders dan een monoloog."

Dit was nog voor de discussies over de Iraanse betrokkenheid bij de terreur van Hamas en de Islamitische Jihad. Tijdens de top van Europese ministers van Buitenlandse Zaken in het Italiaanse Palermo op 9 maart 1996 wist de EU niet veel beters te doen dan de reeks aanslagen in de meest krachtige termen te veroordelen, de PLO om maatregelen tegen de terreur te vragen en de wens uit te spreken dat elke steun aan Hamas ophoudt. Ook de rol van Iran werd voor de zoveelste maal gekritiseerd, maar de kritische dialoog met dit land werd ondanks aandringen van de VS niet stopgezet. Integendeel, de ministers spraken af dat de Trojka bij het bewind in Teheran op bezoek zou gaan om een veroordeling van de terreur tegen Israel te eisen. De ontmoeting zal op 2 april aanstaande plaatshebben. De Iraanse reactie laat zich raden.

Tot de Europese landen die zich het meest keren tegen sancties behoort Frankrijk. Dat is niet zo verwonderlijk als men weet, dat Frankrijk het enige EU-land was dat erin slaagde in 1995 een grotere export naar Iran te hebben. Deze steeg 3%. In 1993 was het totale handelsvolume tussen Iran en de Europese lidstaten ECU 5,6 miljard (11,6 miljard gulden), de helft minder dan in 1992. De uitvoer van Iran bestond voor ECU 4,7 miljard uit aard-olieprodukten. Exportprodukten van de Europese Unie zijn voornamelijk industriele goederen en transportmiddelen. In 1994 daalde de Iraanse invoer uit de EU opnieuw, ditmaal met 28 %. Iran had dat jaar een handelsoverschot van $ 1,7 miljard. De belangrijkste handelspartners Duitsland, Japan en Italie exporteerden dat jaar aanmerkelijk minder. Zo daalde in 1994 de export vanuit Duitsland, Iran's belangrijkste handelspartner, met 37 % en in 1995 opnieuw met 25 %.

Zoals gezegd, de Franse uitvoer was een uitzondering. Op de dag, 25 februari, dat in Jeruzalem en Asjkelon de eerste Hamas zelfmoordaanslagen plaatshadden, bracht de Franse minister van Transport, Bernard Pons, een vertrouweling van president Chirac, een werkbezoek aan Teheran. Hij had ontmoetingen met de Iraanse ministers van Transport, Bouw en van Olie, maar ook met de minister van Buitenlandse Zaken Ali Akbar Velayati. Het geheel van de Frans-Iraanse betrekkingen werd besproken. Hij werd tot grote ergernis van Washington begeleid door generaal Victor Lenata, ex- stafchef van de Franse luchtmacht en lid van Pons' bureau. Het moet gezegd worden dat de bijzondere Franse relatie met Teheran wel heel schril afsteekt tegen de recente dreiging van invloedrijke Franse politici om Europartner Nederland met sancties te treffen vanwege ons 'te' liberale drugsbeleid. Tegen bovenstaande achtergrond en met de wetenschap dat Europese ondernemingen als Daimler-Benz, Peugeot, Total, en Rover investeringen in Iran hebben, is het weinig verwonderlijk dat een aantal lidstaten van de EU weinig voelt voor strafmaatregelen tegen Iran en dat de Unie zich als geheel gekeerd heeft tegen het Amerikaanse voornemen boycotmaatregelen te nemen tegen buitenlandse ondernemingen die in Iran investeren.

8. Nederland en Iran

Het Nederlandse beleid is in hoofdlijnen in overeenstemming met dat van de EU. Minister van Mierlo van Buitenlandse Zaken verklaarde in april 1995 dat een EU embargo tegen Iran averechts kan uitpakken. Hij sprak de vrees uit dat het Iraanse bewind de eigen bevolking ervan zou weten te overtuigen dat het westen de burgers in armoede stort. Wel was hij bereid in Europees verband na te gaan hoe lang de kritische dialoog doorgevoerd moest worden. Op de EU top in Palermo op 9 maart verklaarde van Mierlo zich als een van de weinigen voorstander van een herziening van de Europese houding ten opzichte van Iran. Hij voegde hier echter aan toe dat het treffen van economische sancties slechts zinvol is als dit wereldwijd gebeurt.

Van Mierlo's stellingname was in lijn met hetgeen hij op 7 maart tegenover een Joodse delegatie zei, die bij hem op bezoek was wegens de Hamas aanslagen in Israel. "De kritische dialoog tussen Europa en Iran levert weinig op, omdat Iran naar niets en niemand luistert", verklaarde hij toen. Die onwrikbaarheid van Iran moet de doorslag hebben gegeven bij het besluit van minister van Landbouw Van Aartsen om vorig jaar december zijn Iraanse collega Kalantari niet te ontvangen. Het bezoek werd door Den Haag afgezegd, nadat president Rafsanjani de moord op de Israelische premier Rabin 'een goddelijke wraak' had genoemd.

Tot dusverre heeft de Nederlandse regering het bedrijfsleven volledig vrij gelaten handel met Iran te drijven. Er zijn zelfs ondernemingen, die rechtstreeks aan het Iraanse militaire apparaat leveren. Sommige van de geexporteerde produkten vallen onder de categorie 'dual use' goederen. Dit betekent dat ze zowel voor civiele als militaire doeleinden gebruikt kunnen worden, maar niet voorkomen op de Nederlandse Lijst Strategische Goederen. Er bestaan hiervoor dus geen exportrestricties en een exportvergunning is niet vereist. Voor zover de Binnenlandse Veiligheids Dienst bekend is hebben Nederlandse ondernemingen tot dusver geen exportrestricties overtreden. Maar de BVD dringt wel aan op uitbreiding van de Lijst Strategische Goederen.

Een goed voorbeeld van de problemen met dual use goederen verscheen in Vrij Nederland op 7 januari 1995. Kommer Damen Shipyards uit Gorinchem exporteerde, volgens het standaardwerk Jane's Fighting Ships acht vrachtschepen naar Iran. (Volgens A.J. Egas manager Midden-Oosten van het bedrijf, waren het er slechts zes en zullen er vier in Iran worden gebouwd.) De boten werden rechtstreeks aan de Iraanse marine geleverd. De Pasdaran (de revolutionaire garde van Iran) gebruikt zo'n 150 snelle aanvalsboten van het "Damentype" voor de marine. Ze hebben een landingsklep die geschikt is voor het laden en lossen van militaire voertuigen en uitrusting. Damen ontkent de levering van dit type boten. Mogelijk heeft Iran een aantal van de schepen van Damen omgebouwd tot aanvalsvaartuigen. Hoe het ook zij de boten worden merkwaardig genoeg door het ministerie van Economische Zaken als 'net niet' militair beschouwd en mochten dus uitgevoerd worden.

De omvang van de handel tussen Nederland en Iran is sinds de islamitische revolutie geleidelijk afgenomen en bedraagt nu nog slechts een fractie van de handel in de tijd van de Sjah. In vergelijking met landen als Duitsland, Italie, Frankrijk, Groot-Brittannie en Japan is de Nederlandse uitvoer naar Iran bescheiden. Die export naar Iran (voornamelijk landbouwgoederen, chemische en farmaceutische produkten) bedroeg 288 miljoen gulden in het jaar 1994, de import (95% olie) 1,8 miljard. Een aantal bedrijven, zoals de banken Mees Pierson, ING Postbank en de Rabobank en de multinationals KLM, Philips en Shell hebben een vestiging of vertegenwoordiging in Teheran.

In 1994 ging het economisch zo slecht met Iran dat het niet langer aan zijn betalingsverplichtingen kon voldoen. Eind 1994 hadden zo'n 160 Nederlandse ondernemingen in totaal ongeveer 150 miljoen gulden (exclusief de achterstallige interest) bij Iran uitstaan aan onverzekerde vorderingen. Op verzoek van Bank Markazi, de Centrale Bank van Iran, alsmede van Nederlandse exporteurs verklaarde VNO-NCW zich bereid om onderhandelingen namens de Nederlandse exporteurs te voeren over de afwikkeling van de vorderingen op Iran, welke niet door de Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij (NCM) verzekerd waren.

Vanaf 31 maart 1991 had de NCM geweigerd nog langer contracten tussen Nederlandse en Iraanse bedrijven te verzekeren. Deze verzekeraar en het Ministerie van Financien, die als herverzekeraar van de NCM optreedt en hierdoor eveneens risico draagt, vonden de Iraanse economie te zwak. De Nederlandse Credietverzekerings Maatschappij is een particuliere onderneming, maar ze kan niet haar werk doen zonder de hulp van het Ministerie van Financien. Indien ondernemingen uit risicovolle landen in gebreke blijven en verzekerde Nederlandse crediteuren gedupeerd worden betaalt de NCM het verschuldigde bedrag. Het Ministerie van Financien neemt hierop de schuld over van de NCM. Hierna treft de Nederlandse overheid een regeling met de regering van het desbetreffende land. Het probeert dan voor zover mogelijk de openstaande schuld te vorderen.

In oktober 1994 slaagden het VNO-NCW en de Iraanse bank Markazi erin een 'Memorandum of Understanding' te sluiten, waarna de betrokken Nederlandse schuldeisers zich verenigden in de Stichting Afwikkeling Onverzekerde Vorderingen op Iran. De Nederlandse exporteurs konden hier hun openstaande vorderingen op Iraanse debiteuren aanmelden. In maart 1995 werd een 'Agreement on the Settlement of Uninsured Claims of Netherlands Creditors against Commercial Banks in the Islamic Republic of Iran' gesloten tussen Bank Saderat en de Stichting. Inmiddels is het grootste deel van de vorderingen terugbetaald.

Het soepele verloop van de schuldafhandeling tussen de VNO NCW en Bank Markazi heeft de NCM meer vertrouwen gegeven in de kredietwaardigheid van Iran. Daarom besloot zij in september 1995, na vier jaar afwezigheid op de Iraanse markt weer tot het verzekeren van contracten over te gaan. Het gaat om kortlopende faciliteiten tot een maximaal bedrag van 150 miljoen gulden. De NCM dekt 90 % van de schade en stelt als voorwaarde een Internationale Letter of Credit en een usantiele krediettermijn. Ook nu weer stelt het ministerie van Financien zich garant voor de herverzekering. Daarbij trekt het Ministerie zich niets aan van de reeks politieke veroordelingen van Iran. Ze volgt het voorbeeld van Duitsland, Oostenrijk en Italie, die eveneens de voorwaarden van krediet-verstrekking hebben verruimd. Ingeval van Duitsland stuitte dit op scherpe kritiek van de Amerikaanse senator d'Amato. Hij beschuldigde de Duitse regering ervan te hebben ingestemd met een terugbetalingsregeling van de $ 5,6 miljard schuld tegen veel voordeliger voorwaarden, dan gebruikelijk is. Door deze geste zal Iran alleen maar meer wapens kunnen kopen, aldus d'Amato.

De heer H. Groen, tot voor kort lid van de raad van bestuur van NCM, verklaarde op 12 februari in De Balie tijdens een bijeenkomst van het Rushdie Defence Committee dat de NCM geen rol van gidsende dominee wil vervullen. "Tot op het hoogste niveau binnen het bedrijfsleven wordt de fatwa tegen Rushdie als volstrekt onaanvaardbaar gezien. Tegelijkertijd kan het bedrijfsleven er niet echt veel aan doen de ayatollah's te bewegen het doodvonnis in te trekken. Want je hebt niet alleen commerciele belangen, je hebt ook je verantwoordelijkheden tegenover je mensen en voor de continueteit van de organisatie", aldus Groen.

Uiteraard heeft hij gelijk dat men het bedrijfsleven niet met de taak kan opzadelen het regime in Iran een humanere en democratischer koers te laten varen. Dat is de plicht van de Nederlandse overheid en de EU. Het is hun politieke verantwoordelijkheid erop toe te zien dat het regime in Teheran geen enkele economische of financiele overheidssteun ontvangt waardoor het meer mogelijkheden krijgt zijn terroristische missie te vervullen en zijn nucleaire programma te ontwikkelen.

Vooralsnog neemt de Nederlandse regering die verantwoordelijkheid niet, doordat het ministerie van Financien de NCM alle mogelijkheden biedt contracten met Iran te verzekeren. Zonder deze verzekering zou de wederzijdse handel zijn dalende trend voortzetten. Aldus helpt de Nederlandse overheid mee een inhumaan en terroristisch bewind in stand te houden.

Bilaterale verdragen

Opmerkelijk is ook dat regering en parlement, ondanks hun voortdurende ergernis over het Iraanse optreden, een aantal bilaterale verdragen tussen beide landen in stand hebben gehouden. Zelfs al stellen deze verdragen materieel weinig voor en zijn ze al oud, dan is het nog het verkeerde gebaar extra vriendschappelijke banden met een dergelijk regime te hebben. Hieronder volgen de belangrijkste bilaterale verdragen:

Op 20 juni 1928 kwam in Teheran de "voorlopige regeling van de vriendschaps- en handelsbetrekkingen tussen Nederland en Perzie" tot stand. Deze voorlopige regeling is sindsdien elk jaar verlengd, laatstelijk in 1995 door de Raad van Ministers van de EU tot 30 april 1996. De opzegtermijn is 30 dagen. Het is de bedoeling dat de bilaterale overeenkomst ter zijner tijd wordt vervangen door een multilaterale in EU verband. De regeling voorziet naast een aantal diplomatieke bepalingen ook in preferentiele regelingen voor bepaalde produkten. Landbouw- en industriele produkten uit Nederland komen bij export naar Iran in aanmerking voor het minimum-tarief en daarmee gepaard gaande verlagingen; omgekeerd krijgen deze produkten de behandeling als behorend bij die van meestbegunstigd land.

De "Culturele Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Keizerrijk Iran", van 22 mei 1959 is eveneens nog steeds formeel van kracht. De opzegtermijn bedraagt 6 maanden. Beide landen spreken hierin af "hun goede betrekkingen op het gebied van onderwijs en op intellectueel, wetenschappelijk en kunstzinnig gebied zoveel mogelijk te zullen ontwikkelen" (artikel 1). Kunstuitingen over wederzijdse cultuur worden gestimuleerd en culturele uitwisselingen aangemoedigd (artikel 2).

De "Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Keizerrijk Iran betreffende commerciele luchtdiensten tussen en via hun onderscheidene grondgebieden" van 31 oktober 1949, aangevuld en gewijzigd in 1968 en in werking getreden op 13-3-1968 wordt nog steeds gebruikt. Hierin wordt o.m. de vervoerscapaciteit tussen beide landen geregeld.

Het meest pikante aller verdragen is het "Vriendschapsverdrag tussen Nederland en Perzie" dat in 1931 in werking trad en ondanks het voortdurende geweld en de bedreigingen door Iran niet eerder door de Nederlandse regering werd opgeschort. Art. 1 van deze overeenkomst spreekt van de "onschendbare vrede en oprechte en voortdurende vriendschap tussen landen en onderdanen". De diplomaten van de landen krijgen volgens art. 2 een behandeling van "meest begunstigde natie". Geschillen over de verdragen kunnen volgens art. 3 aan arbitrage onderworpen worden. Dit artikel kan binnen 6 maanden worden opgezegd.

Er bestaan nog enkele wederzijdse akkoorden met als meest opvallende een uit 1967 stammend memorandum over technische samenwerking, maar deze is nooit in werking getreden. De volledige teksten van bovengenoemde verdragen zijn bij CIDI verkrijgbaar.

9. Samenvatting en aanbevelingen

Iran heeft zich sinds de islamitische revolutie ontpopt tot een theocratische dictatuur, die geen respect opbrengt voor religieuze en etnische minderheden en politiek andersdenkenden. Het buitenlandse beleid wordt gekenmerkt door agressie en intimidatie. Internationale terreur is Iran's handelsmerk geworden en de export van de fundamentalistische ideologie staat hoog in het vaandel.

Om zijn doelen te verwezenlijken bewapent Iran zich in razendsnel tempo. Iran's militaire uitgaven gingen in 1994 op zijn minst met 42,5% omhoog, de grootste stijging van alle landen in het Midden-Oosten. Iran heeft Chinese Silkwormraketten opgesteld op platforms in de Perzische Golf. Met zijn ballistische raketten kan Iran Saoedi-Arabie, de Golfstaten en Israel bereiken. Teheran betrekt zijn militair materieel voornamelijk uit Rusland: gevechtsvliegtuigen, dieselonderzeeboten, tanks en luchtafweerraketten. Meer dan 85% van de Russische export naar Iran bestaat uit militaire en strategische goederen. Voor de komende twee jaar zullen de leveringen een waarde van 1 miljard dollar hebben, aldus een Russische regeringsfunctionaris. Op minimaal twee geheime plaatsen werkt Iran aan ultracentrifuges. Ook hier speelt Rusland een belangrijke rol. Zo zal dit land de kerncentrale in Bu Shehr afbouwen en krijgt Iran gedurende 10 jaar nucleaire brandstof. Met China heeft Iran eveneens een contract voor de levering van een kerncentrale. Bovendien zouden zo'n 600 Duitse en Oostenrijkse ondernemingen op illegale wijze militaire en strategische produkten aan Iran verkocht hebben.

De kritische dialoog die de EU voert, heeft niet geleid tot enige matiging van het Iraanse beleid. De VS besloten tot sancties, omdat deze het terrorisme en de bewapeningsmogelijkheden kunnen terugdringen. Waarschijlijk zullen die sancties binnenkort ook Europese ondernemingen die in Iran willen investeren, treffen.

Nederland heeft zich in het verleden vol overgave ingezet voor het isoleren van Zuid- Afrika en kwalijke dictaturen in landen als Argentinie en Chili. Het valt daarom te betreuren dat onze regering in het voetspoor van de Europese Unie nu jegens Iran onvoldoende signalen uitzendt en niet overgaat tot het nemen van maatregelen. Die sancties kunnen niet langer uitblijven.

Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan het stopzetten van de Nederlandse krediet verzekeringen voor contracten met Iraanse ondernemingen. De NCM kan hiertoe worden genoodzaakt, indien het ministerie van Financien per ommegaand ophoudt met het herverzekeren van die contracten. Ter aanvulling op een dergelijke stap, zou de regering de Europese lidstaten kunnen verzoeken eveneens geen verzekeringen voor contracten met Iran meer toe te staan.

Ten tweede dient, in de wetenschap dat Iran een sterk militair apparaat aan het opbouwen is, het BVD rapport uit 1995 serieus genomen te worden. Daarin wordt bepleit dat meer 'dual use' produkten worden toegevoegd aan de Lijst Strategische Goederen. De Nederlandse regering behoort hieruit de passende conclusies te trekken. Uiteindelijk zou het wellicht het beste zijn om alleen nog pure consumentengoederen naar Iran te exporteren.

Ten derde is het politiek onverdedigbaar dat ons land nog een viertal oude verdragen met Iran in stand houdt. Die dienen binnen de daartoe geldende termijnen opgezegd, danwel bevroren te worden.

In Europees verband is allang de tijd aangebroken de 'kritische dialoog' met Iran te beeindigen. Een moment om hiertoe over te gaan zou 3 april kunnen zijn, de dag nadat de Trojka een bezoek aan Teheran heeft gebracht. Het is uitgesloten dat Iran door een gesprek met Europa de steun aan de terreur en de haatcampagnes tegen Israel en het Westen zal stoppen. Het beeindigen van de dialoog zou ook het terugroepen van de ambassadeurs moeten impliceren.

Tot slot verdient het aanbeveling dat de 15 Europese lidstaten gezamenlijk afspreken niet langer mee te werken aan het herschikken van de schulden van Iran. Iraanse ondernemingen en banken zouden van nu af aan stipt hun aflossingen en rente behoren te betalen. Een dergelijke maatregel zal de Iraanse economie nog verder de duimschroeven aandraaien. Van gunstiger rentecondities dan gebruikelijk kan al helemaal geen sprake zijn. In dit verband dient de EU ook zijn verzet tegen het Amerikaanse voornemen om ook buitenlandse ondernemingen met sancties te treffen als zij in Iran investeren, op te geven.

Een krachtiger Europees en Nederlands optreden tegen Iran zal de stabiliteit in de regio en het vredesproces tussen Israel, zijn Arabische buren en het Palestijnse volk zeer ten goede komen. Nederland heeft zich altijd ingezet voor de mensenrechten, heeft een bijzondere historische band met Israel en staat achter een rechtvaardige regeling van het Palestijnse vraagstuk. Op dit cruciale moment, waarin het vredesproces in het Midden Oosten gevaar loopt door terroristen die over lijken gaan, kunnen we niet anders dan onze tanden laten zien. Het Iraanse bewind dat er een levenswerk van heeft gemaakt het levensgeluk van anderen te vernietigen moet weten waar onze grenzen liggen.

 
  (c)CIDI, 2003