Meerdere malen heeft CIDI zijn zorg uitgesproken over het rabiate antisemitisme in de Arabische landen. Anders dan in de westerse staten, waar meestal individuen verantwoordelijk zijn voor anti-Joods gedrag, is in het Midden-Oosten antisemitisme vaak een zaak van overheden en de geestelijkheid. Dat heeft te maken met het Palestijns-Israelisch conflict, maar vooral ook met de aloude behoefte van leiders een zondebok te hebben voor hun eigen falen.

door Ronny Naftaniel

De Arabische staten en Iran zijn niet in staat hun bevolkingen te besturen en van welvaart te voorzien en daarom krijgen de Joden de schuld van alle misère in de wereld. Mythen over Joden, die de wereldeconomie beheersen, of de mensheid willen vernietigen zijn er aan de orde van de dag. De Sjoa wordt regelmatig een verzinsel genoemd, waarmee Joden politieke sympathie proberen te wekken en zich proberen te verrijken.

Het antisemitisme in de islamitische wereld is nog zorgelijker als men zich bedenkt dat deze uitingen door satelliet-tv en het internet geëxporteerd worden. Een voorbeeld daarvan is de serie ‘Zara’s eyes’, uitgezonden op de Turkse en Iranese televisie, waarin Israeli’s ervan beschuldigd worden organen van levende Palestijnen te stelen. Of de serie ‘Diaspora’, uitgezonden op de Syrische en Libanese tv, waarin de Joden ervan worden beschuldigd het bloed van kinderen te drinken. Beide series waren ook in Nederland via de satelliet-tv en het internet te ontvangen. Ze beënvloeden op kwalijke wijze jonge islamieten. Dat gebeurt ook door antisemitische en antihomo-geschriften als “de Gids voor de Islamitische opvoeding”, tegen de uitgever waarvan CIDI vorige week een strafklacht indiende. Terecht heeft de Tweede Kamer meerdere keren zijn zorgen over deze haat geuit.

Het is dan ook ongehoord dat de top van de Utrechtse Universiteit het aan de scheidend hoogleraar Pieter van der Horst onmogelijk maakte zijn volledige afscheidsrede over het thema: “De mythe van het joodse kannibalisme” te houden. In die rede zegt Van der Horst onder meer dat er in de “islamitische wereld op zeer grote schaal een hysterische vorm van antisemitisme bestaat” en geeft daar voorbeelden van. Hij toont zich hierover ernstig ongerust. De rector magnificus noemt deze uitspraken “onwetenschappelijk” en zorgde ervoor dat de islamitische component geschrapt werd. Dit is een ergerlijke vorm van censuur, ingegeven door misplaatste angst, vooroordelen en misschien ook wel, zoals prof. Arnold Heertje beweert, economisch gewin. Prof. Van der Horst heeft niemand beledigd. Zijn toon was hier en daar emotioneel, maar de feiten zijn er dan ook naar. Van der Horst sprak, hoe confronterend dat soms ook is, de waarheid. Het is een schandaal dat de Universiteit van Utrecht deze niet onder ogen wenst te zien.