Achtergronden bij VN-resolutie 242

Op 22 november 1967 legde de VN-Veiligheidsraad met Resolutie 242 de basis voor een definitieve regeling van het Arabisch-Israelisch conflict. In veel discussies over het Midden-Oostenvraagstuk wordt deze resolutie ten onrechte gezien als een opdracht aan Israel om unilateraal te handelen en alle in de Zesdaagse Oorlog veroverde gebieden op te geven.

Van groot belang is het door de opstellers van de resolutie bewust weglaten, (onder punt (1.i), van het lidwoord ‘de’ voorafgaand aan ‘gewapende Israelische eenheden’ en tussen de woorden ‘uit’ en ‘gebieden’. Daarmee biedt de resolutie ruimte voor het oveeenkomen van grenscorrecties die moeten leiden tot de onder (1.ii) genoemde veilige grenzen waar ook Israel recht op heeft.

Jeruzalem wordt in 242 niet genoemd en van een aparte Palestijnse nationale groep of politieke entiteit is evenmin sprake. In juridisch opzicht lijkt de resolutie in onderhandelingen tussen de Palestijnen en Israel dan ook niet van toepassing. Niettemin wordt 242 als leidende resolutie genoemd in het merendeel van de officiële documenten die in het sinds 1993 slepende vredesproces tussen de Palestijnen en Israel circuleren.

Uitvoering van de resolutie

In de loop der jaren hebben Israel, Egypte en Jordanië 242 voor wat betreft hun onderlinge verantwoordelijkheden ten uitvoer gebracht. Cairo en Amman sloten in respectievelijk 1982 en 1994 vredesverdragen met Jeruzalem en kregen alle in 1967 door Israel veroverde gebieden terug, voor zover zij daar rechtmatig aanspraak op konden maken. In het geval van Egypte betrof dat de Sinaïwoestijn en in het geval van Jordanië een aantal gebieden in de Arava-woestijn (in het oosten van de Negevwoestijn) en ten zuiden van het Meer van Galilea. Aangezien Egypte de Gazastrook, en Jordanië de West Bank (de landstreken Judea en Samaria) en Oost-Jeruzalem van 1948 tot 1967 illegaal bezet hadden gehouden, werden die gebieden niet in het kader van die vredesverdragen door Israel ontruimd.

De toekomstige status van Oost-Jeruzalem en de West Bank is afhankelijk van een vredes-akkkoord tussen Israel en de Palestijnen.

Camp David

Tijdens de onder Amerikaanse supervisie gehouden marathononderhandelingen in Camp David, in de zomer van 2000, deed de toenmalige Israelische premier Ehud Barak PLO-leider Jasser Arafat het meest vergaande vredesaanbod dat ooit door een Israelische leder was gedaan: overdracht van al de nog onder Israelische controle staande delen van de Gazastrook, het grootste deel van de West Bank, deling van Jeruzalem en territoriale compensatie voor de niet door Israel te ontruimen gebieden. Dat voorstel werd door Arafat zonder een tegenvoorstel afgewezen. Meteen na het mislukken van de onderhandelingen begon de PLO met het voorbereiden van een geweldsoffensief (de zogenoemde Tweede Intifada) dat op 27 september 2000 begon met een bomaanslag op een Israelische patrouille in de Gazastrook.

Ondanks het geweld werd, opnieuw onder leiding van de Amerikaanse president Bill Clinton, verder onderhandeld, van 19 tot 23 december 2000 in Washington en van 21 tot 27 januari in het Egyptische Taba. Het Israelische voorstel werd verder verruimd (tot 97 procent van het betwiste gebied) en Arafat kreeg bovendien een compensatiefonds van dertig miljard dollar aangeboden. Maar hij wees ook dit voorstel af. Volgens de Amerikaanse onderhandelaar Dennis Ross kon de PLO-leider het conflict om psychologische redenen niet beëindigen.

Golan

In het kader van de troepenschei-dingsakkoorden van 1974 (uitvloeisel van de Jom Kippoeroorlog van oktober 1973) ontruimde Israel een deel van de in 1967 veroverde Golanhoogvlakte, waaronder de stad Kuneitra. Het overige deel van de Golan, met een oppervlak van 1.158 vierkante kilometer, werd in 1981 door Israel geannexeerd.

Desondanks kon Clinton, namens Barak, in maart 2000 de Syrische president Assad vrijwel de gehele hoogvlakte aanbieden (behalve een smalle strook grond langs het Meer van Galilea, in ruil voor vrede. Het aanbod werd gedaan in een rechtstreeks gesprek tussen de Amerikaanse en Syrische leiders in Genève. Assad wees het voorstel van de hand.

Resolutie 242 (belangrijkste punten)

De Veiligheidsraad,

Uitdrukking gevend aan zijn voortdurende bezorgdheid over de ernstige situatie in het Midden-Oosten;

Benadrukkend de ontoelaatbaarheid van het door middel van oorlog verwerven van grondgebied, en de noodzaak om te werken aan een rechtvaardige en duurzame vrede waarin iedere staat in het [onderhavige] gebied in veiligheid kan leven;

Voorts benadrukkend dat alle Lidstaten zich met hun aanvaarding van het Handvest van de Verenigde Naties hebben verplicht om in overeenstemming met Artikel 2 van het Handvest te handelen;

Bevestigt dat de uitvoering van het Handvest vereist dat in het Midden-Oosten een rechtvaardige en duurzame vrede wordt gevestigd waarvan de toepassing van de volgende principes deel moet uitmaken:

  1. (i) Terugtrekking van gewapende Israelische eenheden uit gebieden welke in het jongste conflict werden bezet;
  2. (ii) Stopzetting van alle oorlogsverklaringen of oorlogstoestanden, alsmede respect voor en erkenning van de soevereiniteit, territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van iedere Staat in het gebied, en hun recht op leven in vrede binnen veilige en erkende grenzen, gevrijwaard van dreigementen of gewelddaden.
  3. Bevestigt voorts de noodzaak
  4. (a) Voor het garanderen van de vrije vaart door internationale waterwegen in het gebied;
  5. (b) Voor het bereiken van een rechtvaardige regeling van het vluchtelingenvraagstuk;
  6. (c) Voor het garanderen van de territoriale onschendbaarheid en politieke onafhankelijkheid van iedere Staat in het gebied, door middel van maatregelen waaronder de instelling van gedemilitariseerde zones.