Antisemitische haatmisdrijven in Zweden met 53% gestegen tot recordhoogte

Het aantal antisemitische haatmisdrijven gedurende 2018 in Zweden is met 53% toegenomen ten opzichte van 2016. Dat blijkt uit cijfers van de Zweedse Nationale Raad voor Misdaadpreventie.

Niet minder dan 280 antisemitische haatmisdrijven werden in 2018 door de Raad voor Misdaadpreventie geregistreerd. Dat is een record en een toename van 53% ten opzichte van 2016, toen 182 haatmisdrijven werden genoteerd.

Voor 2017 heeft de Zweedse Nationale Raad voor Misdaadpreventie nooit cijfers gepubliceerd. Een geruchtmakend incident dat jaar was een aanval op een synagoge in Gothenburg, toen tien mensen molotovcocktails richting het Joodse gebedshuis gooiden. 

Het aantal haatmisdrijven in Zweden met een racistisch of xenofobisch motief is met 69% toegenomen ten opzichte van 2016. In totaal zijn 4865 gevallen genoteerd. Van alle geregistreerde haatmisdrijven, is 4% antisemitisch. Met ongeveer 20.000 inwoners beslaat de Joodse gemeenschap echter slechts 0,2% van de Zweedse bevolking.

Bij bijna de helft van de door de politie geregistreerde antisemitische haatmisdrijven, 45%, gaat het om het aanzetten tot haat. 34% van de geregistreerde misdrijven betreft bedreigingen.

De meeste antisemitische haatmisdrijven in 2018 hebben volgens het rapport op het internet plaatsgevonden. In Duitsland is onlangs een pakket aan maatregelen om Jodenhaat aan te pakken voorgesteld, waaronder het aanscherpen van wetgeving omtrent het verwijderen van illegale content op sociale media.

In Duitsland is al sprake van een boetewet. Sociale mediaplatforms worden geacht binnen 24 uur na melding content waarin haatspraak voorkomt te verwijderen, anders kunnen ze een geldboete ontvangen. In Nederland nam de Tweede Kamer in 2017 op initiatief van Gert-Jan Segers (CU) en Chris van Dam (CDA) een motie aan die het Kabinet oproept onderzoek te doen naar mogelijkheden voor een vergelijkbaar model in Nederland. Toenmalige ministers van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken Stef Blok en Ronald Plasterk lieten daarop weten een dergelijke boetewet in Nederland niet wenselijk te achten.