Barbarij in Kosovo

In vrijwel elk conflict, waarbij burgers het slachtoffer worden van etnische tegenstellingen is er altijd wel iemand die een vergelijking trekt met de Sjoa. Die behoefte lijkt te zijn ingegeven door de wens de wereld duidelijk te maken hoe ernstig het lijden van de betrokken burgerbevolking is. Dat gebeurt ook nu weer. In de afgelopen dagen heeft menigeen de tragedie in Kosovo vergeleken met het lijden van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. En het zij gezegd, de beelden van onafzienbare stromen hulpeloze vluchtelingen, soms getransporteerd met Servische treinen, roepen de donkerste gevoelens in je op. Hoe is het mogelijk dat een land dat zelf zo onder de Nazibezetting heeft geleden tot een dergelijke barbarij kan vervallen?

door Ronny Naftaniel

Hoe gruwelijk het Servische optreden in Kosovo ook is, het is historisch onjuist het op één lijn te stellen met de Nazi-politiek tegen de Joden. Bij de huidige tragedie worden de Albanese Kosovaren niet systematisch uitgeroeid. De etnic cleansing, waarvan we nu getuige zijn, is het onder dwang verplaatsen van een volk, omdat het een andere afkomst heeft. Het is een onderdeel van een verwerpelijk, expansionistisch nationalisme, dat bestaat zolang er nationale staten zijn. Bovendien hadden de Joden in de dertiger en veertiger jaren, in tegenstelling tot het UCK nu, geen politiek-militaire strijdgroepen; ze waren rustige staatsburgers, die vernietigd moesten worden omdat ze tot het ‘verkeerde ras’ behoorden. Zelfs al zouden de Joden indertijd massaal steun hebben betuigd aan de nationale Duitse aspiraties, dan had dat hun lot niet kunnen wijzigen. Hoezeer we moeten oppassen met het vergelijkingen trekken met de Sjoa bleek afgelopen week, toen Servische vrouwen in Nederland uit woede over de NAVO-bombardementen de straat op gingen met Jodensterren. De Sjoa mag niet verworden tot propagandamiddel.

Waar de wereld echter wel aan mag, en zelfs aan moet, rappelleren is de passiviteit in de jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en het grote zwijgen toen de eerste Jodenvervolgingen door de Nazi’s begonnen. Uit de grote hulpacties die overal ten behoeve van de vluchtelingen uit Kosovo worden gehouden, blijkt dat we die les in ieder geval geleerd hebben. De actie in Nederland voor de Samenwerkende Hulporganisaties was hartverwarmend. Het is niet meer dan logisch dat ook het Centraal Joods Overleg steun aan deze campagne heeft betuigd. Het vervult de Joodse gemeenschap met een zekere trots dat Israel tot de eerste landen behoorde, die een noodhospitaal inrichtte in Macedonië. Vorige week maandag werd in dit hospitaal de Sjoa herdacht. De leider van het medische team, Kolonel Levy, sprak bij die gelegenheid: “Als vertegenwoordigers van een onafhankelijk Israel, dat zijn 51ste verjaardag binnenkort viert, strekken wij onze hand uit om humanitaire hulp te bieden aan anderen, die honger, pijn en ellende lijden.” Het is één van de momenten, die ons doen realiseren hoe goed het is, dat er een Joodse staat is.