CIDIcommentaar: Barre tijden

Nederland maakt barre tijden door. De moord op Theo van Gogh en bepaalde reacties daarop laten zien dat de samenleving – als er niets gebeurt – in een recordtempo polariseert. Wie had ooit kunnen denken dat ons polderlandschap ontsierd zou worden door aanvallen op moskeeën, Islamitische scholen en organisaties, afgewisseld met pogingen tot brandstichting in kerken, moord en terrorisme. Nederland lijkt een stukje Midden-Oosten te zijn geworden.

 

door Ronny Naftaniel

Al jaren is er iets fundamenteels mis met de wijze waarop overheid en burgers met integratievraagstukken, de rechtshandhaving en de normen en waarden discussie omspringen.

Om met het laatste te beginnen: er wordt te vaak lacherig gedaan als politici er op aan dringen dat democratie, diversiteit en respect tot de kernwaarden van onze samenleving behoren. Dat lachen is ongepast. Wie zich niet aan deze waarden wil conformeren verdient eigenlijk het Nederlanderschap niet. In dit verband heeft het te lang geduurd voordat de autoriteiten het aandurfden onderscheid te maken tussen de overgrote meerderheid goedwillende allochtonen die hier willen integreren en diegenen die de samenleving naar hun hand willen zetten of “gewoon” crimineel gedrag vertonen. De kwaadwilligen dienen met de wet in de hand bestreden te worden, de goedwillenden dienen ondersteund te worden in het integratieproces. Ze moeten het gevoel hebben erbij te horen. Waar achterstanden zijn, dient de overheid deze weg te werken.

De grootste problemen doen zich evenwel bij de rechtshandhaving voor. De burger krijgt voortdurend de indruk politie en justitie op zijn nek te krijgen voor simpele verkeers- en milieuover-tredingen. Ondertussen blijft grote criminaliteit buiten schot, zoals het regelmatig neerleggen van misdadigers in Amsterdam. Als burgers klagen over discriminatie en belediging wordt de aangifte keurig genoteerd en daar blijft het meestal bij. Hoogst zelden wordt politiecapaciteit ingezet om uitingen van haat en racisme in de stadions, op internet, in de straat en bij de discours van de commentatoren te bestrijden. Officieren van Justitie geven de indruk dit soort zaken tijdverspilling te vinden. Maar een rechtssysteem dat het zaaien van haat en het uiten van grove beledigingen tolereert, knaagt aan zijn eigen fundamenten. Wie het zaaien van haat toestaat, oogst geweld. Het gaat niet zozeer om meer wetgeving, maar om de goede implementatie van de bestaande regels.

Als we één ding van de recente geweldsspiraal hebben kunnen leren, is het dat we moeten ophouden te denken in wij-tegen-zij termen. Er is hier geen plaats voor een twee-standen-maatschappij, bestaande uit moslims en de anderen. We moeten onderscheiden tussen goedwillende en kwaadwillende mensen. Die laatste groep, ongeacht hun afkomst, dient met de wet in de hand daadkrachtig te worden bestreden.