CIDI vraagt Netanyahu de boycotwet te herroepen

IN ISRAEL / Door: WEBMASTER / 13 jul 2011 CIDI CIDISTANDPUNT KNESSET

In een brief aan de Israelische premier Benjamin Netanyahu, vraagt CIDI om de herroeping van de anti-boycotwet die maandag 11 juli werd aangenomen. De wet maakt sancties mogelijk tegen een ieder die oproept tot een boycot van Israel, hetzij economisch, academisch of cultureel. Burgers en organisaties kunnen hen voor het gerecht dagen en een schadevergoeding eisen. Tevens zijn bedrijven uitgesloten van inschrijving op offertes van de overheid.

Ronny Naftaniel, directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israel, verzocht in zijn brief aan de premier van Israel de wet te herroepen.

‘Namens het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel (CIDI) wil ik mijn zorgen uiten over de anti-boycot wet van de Knesset. Ik zou u willen vragen om uw macht aan te wenden en uw best te doen om deze contraproductieve wet in te perken en te herroepen.

Door het opleggen van een wettelijke aansprakelijkheid tegen iedereen die oproept tot een economische, academische of culturele boycot van Israel dient de Wet om Schade aan de Staat Israel door middel van Boycots te Voorkomen van 11 juli vrijheid van meningsuiting en andere burgerrechten een grote klap toe. Inplaats van de Israelische samenleving en Israels status op een cruciaal moment te versterken, verzwakt deze wet dit juist.

Sinds de oprichting in 1974 heeft CIDI zich gekeerd tegen acties om Israel te boycotten en heeft het zijn best gedaan om dergelijke initiatieven te bestrijden. Deze strijd mag echter niet de hoekstenen van de Israelische democratie aantasten. Wij zijn er trots op deze te steunen en, zo nodig, te verdedigen. Verder vinden wij dat acties om deze schadelijke wet in te perken eerst vanuit u, als Israels leider, moet komen, voordat het voor het Hooggerechtshof verschijnt.

Als laatste wil ik zeggen dat CIDI gelooft dat Israels maatschappij, met zijn traditie van levendig en democratisch publiek debat, bekwaam genoeg is om het boycot fenomeen op te lossen zonder parlementaire bemoeienis.’