Dossier: Nederzettingen

Nederzettingen en het internationaal recht

Internationaal recht
Na de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 bezette Jordanië de Westelijke Jordaanoever. Deze bezetting werd alleen wettelijk erkend door het Verenigd Koninkrijk en Pakistan, maar niet door andere landen of de VN. Toen de Westoever in 1967 door Israel veroverd werd, gebruikte de Israelische regering het argument dat het geen bezet gebied was: nadat de Britten uit het mandaatgebied waren vertrokken, behoorde het land aan niemand toe totdat Jordanië het bezette.

In diverse (niet-bindende) resoluties heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties geoordeeld dat het bouwen en uitbreiden van de nederzettingen onrechtmatig is. In 2004 nam ook het Internationaal Gerechtshof dit standpunt in over de bouw van de Israelische veiligheidsbarrière. Deze opvatting is echter niet overgenomen door de Veiligheidsraad, het hoogste orgaan van de Verenigde Naties en het enige dat bindende resoluties kan uitvaardigen. De Europese Unie en Nederland beschouwen de Westoever als “bezet gebied” en de Joodse nederzettingen op de Westoever als illegaal.

Standpunt Israelisch Hooggerechtshof
Het Israelische Hooggerechtshof behandelt de Westoever volgens de internationale rechtsregels die gelden bij bezetting. De Conventie van Genève uit 1949 verbiedt het om in bezette gebieden grond in beslag te nemen voor andere doeleinden dan veiligheid. Ook mag een bezettingsmacht volgens artikel 49 van deze conventie de eigen bevolking niet naar deze gebieden leiden om ze er te laten wonen.

Volgens Israel heeft dit artikel betrekking op gedwongen bevolkingsverplaatsingen naar bezet gebied zoals die in de Tweede Wereldoorlog plaatsvonden. Omdat inwoners van de nederzettingen op de Westoever niet worden gedwongen zich er te vestigen, zou het bestaan van de nederzettingen niet tegen de Conventie indruisen. Zij verhuizen immers geheel uit vrije wil naar de nederzettingen.

Daarnaast oordeelde het Hooggerechtshof dat een nederzetting alleen gebouwd mag worden als deze daadwerkelijk bijdraagt aan de veiligheidssituatie in het gebied en dat een burgergemeenschap “alleen kan bestaan zolang het Israelische leger het land bezit krachtens confiscatiebevel. Dit bezit zou op een dag beëindigd kunnen worden als resultaat van internationale onderhandelingen, die mogelijk kunnen eindigen in een nieuwe regeling die geldig is onder internationaal recht en die het lot van deze gemeenschap zou bepalen.”

Met andere woorden: de status van de nederzettingen is tijdelijk totdat er iets over wordt besloten in een vredesregeling. Het bestaan van de nederzettingen impliceert volgens het Israelische Hooggerechtshof dus geen annexatie van de grond en de nederzettingen leggen geen definitieve claim op het gebied.

Afbeelding: Anita Gould.