Even voorstellen: Hanna Luden

Portret Hanna LudenOp 1 september start Hanna Luden als directeur van CIDI. U hebt het zeker gelezen in de media of via ons infonetwerk.
U weet dus wat basisfeitjes: Hanna Luden (1958) is in Israel geboren en studeerde computer­technologie aan het Technion in Haifa. Ze kwam in 1985, op haar 27ste, naar Nederland. Zij deed als consultant organisatie­verandering ervaring op met leiding geven en het stimuleren van veranderingen.
Politiek is zij onder meer actief als lid van de Buitenlandcommissie van de Partij van de Arbeid, met als aandachtspunt het Midden-Oosten. Als het gaat over Joodse en Israelgerelateerde zaken kent u haar misschien als voorzitter van het Genootschap Nederland-Israel of als secretaris van de Stichting Jiddisj, maar veel mensen kennen haar ook niet. CIDI Nieuwsbrief stelde de nieuwe directeur een paar vragen, om haar aan u voor te stellen.

Eerste reactie:
Ik wil mij met plezier voorstellen, maar: het gaat niet over mij. Het gaat over CIDI en hoe wij het komende jaar ingaan. Deze tijd, voor Rosj Hajana, is een tijd van bezinning. Dan kijken wij terug op het afgelopen jaar en maken wij plannen voor het nieuwe jaar. Dat geldt natuurlijk nu voor mij helemaal. In de vele aardige reacties op mijn benoeming zag ik vaak de woorden: “Een uitdaging!” En zo zie ik het ook.

Je bent geboren in Israel
Geboren en getogen, en ik heb nooit het idee gehad om ergens anders te gaan wonen. Maar het leven brengt je naar onverwachte hoeken. Ik ging voor een jaar naar Nederland en dat is een heel lang jaar geworden.
Als je in een nieuw land komt, moet je uitvinden wat voor een land het is, hoe de maatschappij in elkaar zit. In Israel had ik gezien dat immigranten die de taal niet spreken altijd een beetje buitenstaander blijven, dus ik vond het belangrijk om snel Nederlands te leren. Ik begon gewoon te praten, met veel fouten. Daardoor ging het snel, maar het nadeel is dat je fouten gaan inslijpen. Toen mijn kinderen naar school gingen heb ik Nederland van binnenuit leren kennen, ik leerde met hen mee.

En?
Het eerste wat opviel toen ik begon te werken, op 1 januari 1986, was het schaatsen. Het vroor, ik vond het prachtig te zien hoe Nederlanders met hun zakje boterhammen in hun lunchpauze het meertje op gingen: schaatsen. Dat vind ik meer echt Nederlands dan fietsen. Ik probeer het elk jaar.
De Nederlandse politiek verbaasde mij. Op de dag van de Nederlandse verkiezingen kreeg ik op het Centraal Station een pamflet over Zuid-Afrika! Ik dacht: hebben zij geen eigen problemen hier?
Het is jammer dat het optimisme van toen is vervangen door zoveel wantrouwen over en weer. Als je dat wantrouwen kan overwinnen, weet ik zeker dat wij nader tot elkaar kunnen komen.

Terreur moet je niet vereren.
Groepen die dergelijke fanatiekelingen steunen moet je isoleren. Ook Palestijnen moeten terreur uit eigen kring veroordelen

Nu ben je actief in de PvdA, daar kwamen nogal wat vragen over: hoe ga je dat combineren met CIDI?
Hoe het in de praktijk zal gaan, daar ben ik nog niet uit. Maar het lidmaatschap van een partij betekent niet dat je alle politieke standpunten van die partij onderschrijft – bijvoorbeeld over Israel. Voor mij geeft het uiting aan mijn geloof in de ideologie – sociaal democratie. En daarbinnen is veel ruimte voor discussies.

Was je politiek actief in Israel?
Ja, ik was lid van de [socialistisch-zionistische, EF] jeugdbeweging Hashomer Hatzair. Vanaf mijn veertiende was ik politiek zoekend: ik was geen lid van een partij, maar heel actief in discussies en forums. Het Israelisch Palestijns conflict hield mij altijd bezig.
Ik weet nog hoe hoopvol iedereen was na 1967: een periode van nieuwe kansen, met de tijd veranderde de houding en ook de onderlinge verhouding aan beide kanten. Ook na de Oslo-akkoorden heerste zo’n stemming, je zag dat beide volkeren écht graag een oplossing wilden.
In die sfeer konden vijandigheden ook bekeken worden als een geval apart. Als er een aanslag was, betekende dat niet: ‘al onze vijanden zijn tegen ons’, maar: ‘er is er één die onze toenadering wil saboteren’.  Dit verschil in stemming kan je ook in Nederland zien: de moordenaar van Fortuyn was “een gekke fanatiekeling”- een individu; de moordenaar van Van Gogh “een gevaarlijke moslim”, een vertegenwoordiger van een groep. Toen in Israel [in 1994] Goldstein bij de grot van de Patriarchen het vuur opende op een groep moslims gebeurde het wel: de samenleving heeft zich krachtig van hem gedistanceerd. En dat gebeurt nu ook met Joodse terreur. De samenleving veroordeelt dat en zegt: het zijn gekken.

Hoe kan CIDI daar invloed op uitoefenen?
CIDI moet zich elke keer afvragen: wat is in dit geval de meest eff ectieve werkwijze. Dat is niet altijd via de grote media. Het kan zijn dat wij ons moeten richten op specifieke groepen die beter op een andere manier bereikt kunnen worden. Zo willen wij bijvoorbeeld samen met CIJO studenten betrekken bij onze activiteiten. Ook Israeli’s in Nederland zijn misschien beter op een andere manier te bereiken, en zo zijn er veel meer groepen.
Ik ga ervan uit dat mensen die kritiek uiten dat doen uit betrokkenheid, maar ik constateer ook een gebrek aan kennis waardoor er in simplistische oplossingen wordt gedacht. Om daar wat aan te doen wil ik goede contacten in politiek en samenleving. Ik nodig iedereen uit ons kritisch te volgen, maar wel constructief kritisch.
Wij willen deze betrokken mensen steunen door meer kennis en bagage aan te dragen. In de BDS-discussie bijvoorbeeld voelen mensen zich geïntimideerd, vaak doordat zij onvoldoende feitenkennis hebben, en CIDI kan daarbij helpen.
Bij gebrek aan feitenkennis wordt een discussie vaak uitsluitend op basis van emoties gevoerd, dan raken mensen zo geëmotioneerd dat zij de discussie niet aankunnen.

Je hebt gezegd dat je een echte discussie mogelijk wilt maken, ook over antisemitisme
Antisemitisme komt niet door Israel. Er zijn wel verbanden tussen Israelkritiek en antisemitisme, maar los daarvan bestaan er ook veel vooroordelen. Ook die moet je tegengaan.
Ik wil de mensen laten begrijpen, werkelijk laten voelen, waar die magische grens ligt tussen wat toelaatbare kritiek is en waar je een duister gebied binnengaat. Als je iemand beschuldigt van antisemitisme, gaat hij meteen in de verdediging. Maar als je de mensen laat voelen wat antisemitisme is en wat het doet, zijn zij eerder bereid hun vooroordelen te onderzoeken en is er weer dialoog mogelijk. Dat wil ik graag: mij richten op groepen die je erop kan wijzen dat hun kritiek iets irrationeels, een duistere kant heeft. ♦