Haat en vernedering

Wat heeft Arafat bezield toen hij ruim een maand geleden het groene licht gaf voor de tweede Palestijnse intifada? Het eenvoudigste, en nog steeds meest plausibele, antwoord is dat hij het onderhandelingsaanbod van premier Barak niet kon aanvaarden. Hoe redelijk dit aanbod ook was, het voldeed niet aan Arafats eis, dat Israel de gehele Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem ontruimt, en het recht van de Palestijnse vluchtelingen om terug te keren accepteert.

door Ronny Naftaniel

Voor een compromis was Arafats positie in eigen kring niet sterk genoeg. De Palestijnse leider zag in dat premier Barak van de Knesset geen millimeter speelruimte had om verder dan het aanbod te gaan en bovendien krachtig door de VS gesteund werd. Vandaar dat Arafat naar zijn enige, reeds vele malen beproefde, wapen greep: het geweld van de straat.

Deze optie mag dan vanuit Palestijns perspectief te verklaren zijn, te billijken valt zij geenszins. Sinds de Palestijnse leiders zich gebonden hebben aan de Oslo-akkoorden, hebben ze contractueel beloofd de conflicten met Israel alleen via de onderhandelingstafel op te lossen. Geweld werd afgezworen en behoorde plaats te maken voor een vruchtbare samenwerking van de Palestijnse en Israelische inlichtingendiensten, opdat terreurdaden zouden worden voorkomen.

De opzwepende taal van de Palestijnse leiders, de oproepen tot strijd vanuit de moskeeën en de Palestijnse media en de vrijlating van Hamas-strijders uit de Palestijnse gevangenissen staan haaks op alles wat Arafat en de zijnen ooit beloofd hebben. In Israel heeft dit tot gevolg dat het Palestijnse leiderschap geen enkele geloofwaardigheid meer geniet.

Daarnaast bestaat er verbijstering over de middelen die Arafat hanteert. Kinderen worden met schoolbussen aangevoerd om stenen te gooien. Andere kinderen krijgen van de Tanziem les in het gebruik van vuurwapens. Gewapende kinderen (niet met stenen, maar met geweren) nemen deel aan de strijd. Deze methodiek geeft voer aan het onbehaaglijke gevoel bij Israeli’s dat de Palestijnen verteerd worden door haat. Als jongeren al zo tegen ons vergiftigd worden, wat hebben we dan te verwachten van toekomstige relaties met de Palestijnen, vraagt men zich af. De roep om sancties en tegenmaatregelen wordt daardoor heftiger. Zo valt het voorstel van het gemeentebestuur van Jeruzalem, om opnieuw in Har Choma, nu op onteigende Arabische grond, huizen te bouwen, te verklaren. Het is een verkeerd en dom signaal, dat de tegenstellingen alleen maar verder kan aanscherpen. De haat van de Palestijnen zal er zeker niet minder door worden, maar het begrip voor Baraks politiek gericht op het bereiken van een eerlijke vrede wèl. Haat beantwoorden met vernederingen maakt de wonden dieper.

Er is nog hoop dat partijen ondanks alles zullen doorgaan met praten. Arafat heeft in eigen kring weer aanzien gekregen door zijn optreden als guerrillaleider. Barak heeft de huidige veiligheidscrisis uitgebuit door tijdelijk politieke steun van Shas te verwerven. Dat schept voor beiden de mogelijkheid concessies te doen die tijdens Camp David onmogelijk waren. De grote vraag zal evenwel blijven, zelfs als alsnog een akkoord tot stand komt, of het Palestijnse leiderschap zich in de toekomst wel zal houden aan zijn afspraken. Vrede sluiten moet, maar vertrouwen valt niet af te dwingen.