‘Het is aan Nederlandse bedrijven zelf welke activiteiten zij ontplooien’

Het is aan Nederlandse bedrijven zelf om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien. Dat schrijven ministers Blok en Kaag in antwoord op Kamervragen over de publicatie van een VN-zwarte lijst van bedrijven die zaken doen in Israëlische nederzettingen.

In februari heeft het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) de langverwachte zwarte lijst gepubliceerd van bedrijven die zaken doen met Joodse nederzettingen op de Westoever. De lijst, opgesteld in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad, noemt 112 bedrijven, waarvan vier Nederlandse. SP, PvdA, DENK, SGP, CU en PVV dienden naar aanleiding hiervan verschillende vragensets in bij minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok en minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Sigrid Kaag.

De ministers herhalen in hun beantwoording dat het Kabinet geen voorstander is van de database. Blok en Kaag wijzen op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse bedrijven zelf: het is aan de bedrijven “om te bepalen welke activiteiten zij ontplooien en met welke partners zij samenwerken en hierover onder eigen verantwoordelijkheid tot afgewogen besluiten te komen waarover zij bereid zijn publiekelijk verantwoording af te leggen”. 

Wel hanteert de regering een ontmoedigingsbeleid. Nederlandse bedrijven worden ontmoedigd “economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen in bezet gebied” aan te gaan. “Bedrijfsactiviteiten die bijdragen aan het ontwikkelen of bestendigen van dergelijke nederzettingen in bezet gebied, beschouwt het kabinet dan ook als onwenselijk”, aldus ministers Blok en Kaag.

‘Geen positieve bijdrage’

SGP, CU en PVV vroegen aandacht voor de economische bijdrage van bedrijven in de Palestijnse gebieden. Volgens de partijen leveren deze bedrijven “economische vooruitgang, werkgelegenheid, en waardevolle intermenselijke contacten”. Ze verdienen daarom alle steun, aldus SGP, CU en PVV. Ministers Blok en Kaag gaan hier echter niet in mee. Volgens de ministers zijn de nederzettingen een “obstakel voor vrede”. Ze halen een onderzoek van de Wereldbank in 2017 aan waarin naar voren komt dat “opheffen van Israëlische restricties op de Westelijke Jordaanoever voor een economische groei van ongeveer 33% kan zorgen in 2025”. Hierop concluderen Blok en Kaag dat nederzettingen en bedrijven niet een positieve bijdrage leveren aan de economische ontwikkeling of verzoening. Hierbij zetten zij overigens niet uiteen hoe bedrijven verantwoordelijk zouden zijn voor de door hen genoemde restricties.

Het ontmoedigingsbeleid moet echter niet verward worden met een boycotbeleid. De bewindspersonen op het ministerie van Buitenlandse Zaken wijzen op de “eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid” van Nederlandse bedrijven. Oproepen tot het aanspreken van de genoemde Nederlandse bedrijven in de database of hen zelfs verbieden zaken te doen in nederzettingen, gaan ministers Blok en Kaag dan ook niet doen. De ministers wijzen erop dat Nederland geen voorstander is van de zwarte lijst.

‘Buitenproportionele aandacht voor Israël bij VN-fora’

In hun beantwoording herhalen Blok en Kaag dat de Nederlandse regering zich inzet tegen de disproportionele agendering van Israël bij de VN. De ministers noemen het “onverkwikkelijk dat binnen de VN het aantal resoluties over Israël aanzienlijk hoger is dan over landen als Saudi-Arabië, Iran, Syrië of Venezuela”. Het kabinet is dan ook “van mening dat Israël buitenproportionele aandacht krijgt in VN-fora”, aldus de bewindspersonen op Buitenlandse Zaken. In een recente toespraak bij de Raad hekelde minister Blok de anti-Israël obsessie van het internationale orgaan.

Desondanks stapt Nederland niet uit de VN-Mensenrechtenraad. Blok en Kaag noemen de Raad een “belangrijk forum voor dialoog” en een “instrument om mensenrechten te beschermen en druk uit te oefenen op regeringen en andere spelers om internationale verplichtingen na te leven”. Volgens de ministers “blijkt reeds hieruit dat regeringen zich tot het uiterste inspannen om zich aan de aandacht van de Raad te onttrekken”. De bewindspersonen op Buitenlandse Zaken noemen de Mensenrechtenraad een “waardevol instrument” voor het beschermen van de rechten van de mens wereldwijd, die waar mogelijk moet worden versterkt en hervormd. “Het uittreden is geen bijdrage aan de bescherming van de rechten van de mens en kan schade doen aan het systeem”, aldus de ministers.