Jeruzalem, Verleden en Toekomst

Voorwoord

De naam Jeruzalem is volgens de traditie afgeleid van de twee Hebreeuwse woorden “ir” (stad) en “sjalom” (vrede). Het is een heilige plaats waar alle mensen ongeacht hun geloof, etnische afkomst of politieke voorkeur in harmonie en tolerantie behoren te leven. In werkelijkheid is de stad van vrede omstreden.

Al drieduizend jaar, sinds koning David er de hoofdstad van zijn Koninkrijk van maakte, is Jeruzalem het nationale en spirituele centrum van het joodse volk. Wanneer de joden er de daadwerkelijke zeggenschap over hadden, verklaarden ze Jeruzalem tot hun hoofdstad, laatstelijk in 1948. Voor islamieten is Jeruzalem, na Mekka en Media, de derde heilige plaats. Voor het christendom is de stad verbonden aan het leven en het sterven van Jezus Christus.

Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 kreeg Israel geheel Jeruzalem in handen. Voordien, vanaf 1948, was de stad door een muur gescheiden in en oostelijk Jordaans deel en een westelijk, door Israel bestuurd gedeelte. De hereniging kwam tot stand nadat Jordaanse troepen de aanval op Israel hadden geopend. Israel sloeg terug en op 7 juni kon de toenmalige Israelische minister van Defensie Mosje Dajan bij de Klaagmuur in het voormalig Jordaanse deel zeggen: “Wij zijn teruggekeerd naar het heiligste van onze heiligdommen om er nooit meer van te scheiden.” Vanaf dat moment heeft Jeruzalem een geweldige expansie doorgemaakt. Nieuwe joodse wijken werden gebouwd, Arabische huizen kregen betere sanitaire voorzieningen, de verwoeste joodse wijk in de Oude Stad werd herbouwd en er kwamen tal van groenvoorzieningen. Alle religies kregen toegang tot hun heilige plaatsen. Momenteel wonen op een oppervlakte van ca. 100 km2 een half miljoen mensen, van wie tweederde joods en eenderde Arabisch.

De internationale gemeenschap en in het bijzonder de Arabische landen hebben echter nimmer de Israelische annexatie van Oost-Jeruzalem in 1967 willen erkennen. Desalniettemin heeft Israel het rotsvaste voornemen de stad niet meer af te staan. Op 4 september 1995, precies twee maanden voor zijn gewelddadige dood, zei premier Rabin bij de plechtigheid voor het begin van de viering van 3000 jaar Jeruzalem nog: “Er is geen staat Israel zonder Jeruzalem en geen vrede zonder een verenigd Jeruzalem.” De meeste Israeli’s, ongeacht hun politieke kleur, en joden in de diaspora delen die visie.

Dat laat ook de Engelse historicus Martin Gilbert in deze brochure Jeruzalem, verleden en toekomst, die eerder door het Instituut van het Joods Wereld Congres werd uitgegeven, zien. Maar of de Israelische wensen gerealiseerd zullen worden, hangt in hoge mate af van het verdere verloop van het vredesproces tussen Israel en de Palestijnen.

Op grond van de op 13 september 1993 in Washington gesloten Beginselovereenkomst tussen Israel en de PLO, dienen de besprekingen over de toekomstige status van Jeruzalem niet later dan twee jaar na de Israelische terugtrekking uit Gaza en Jericho te beginnen. Die terugtrekking vond in mei 1994 plaats, dus de formele onderhandelingen over Jeruzalem moeten in mei 1996 van start gaan. De beslissing over de status van de stad en andere lastige vraagstukken, zoals de grenzen van het Palestijnse gebied, een regeling voor de Palestijnse vluchtelingenproblematiek en de toekomst van de joodse nederzettingen, zijn voor het laatst bewaard. Pas als de partijen voldoende vertrouwen in elkaar hebben, is de tijd kennelijk rijp voor het zoeken naar een oplossing voor het moeilijkste aller vraagstukken.

Deze brochure pretendeert niet hieraan een bijdrage te leveren. Het is een hoogst actueel, historisch onderbouwd relaas, dat diepgaand inzicht verschaft in Israels aanspraken.

Ronny Naftaniel, directeur CIDI

Terug naar boven

Jeruzalem kaart 1581Jeruzalem, verleden en toekomst

door Martin Gilbert, februari 1996

Deze brochure, een uitgave van CIDI, is een iets ingekorte vertaling van Jerusalem: Past and Future (Policy Forum, nr. 1), uitgegeven door het Institute of the World Jewish Congress, Jeruzalem.
Een papieren uitgave van deze zelfde brochure is te bestellen via de CIDI-webshop

 

Verleden en Toekomst

Op 18 augustus 1994 sprak Jasser Arafat als voorzitter van de Palestijnse Nationale Autoriteit in Gaza en Jericho voor Arabische jongeren in een zomerkamp: “Diegenen onder jullie die het vuur van de intifada ontstaken moeten nu optreden als verdedigers van deze jonge staat, waarvan Jeruzalem de hoofdstad is. Dat is Bir Salem [de fontein van Salem]. Salem was een van de Kanainitische koningen, een van onze voorvaderen. Deze stad is de hoofdstad van onze kinderen en van de kinderen van onze kinderen. Als dit niet het geloof en de overtuiging was geweest van de Palestijnse natie, dan zou dit volk van de aardbodem zijn verdwenen – net zoals dat met zo vele andere volkeren is gebeurd”.

Koning Salem is een nieuwkomer op het historische toneel. De geschiedenis kent geen Kanainitische, Jebusitische of Filistijnse koning met die naam. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste onderzoeken naar de status van Jeruzalem, waaronder die van de katholieke schrijver Terence Prittie en de Israelische publicist Elyahoe Tal (beiden hebben een boek geschreven met de titel Wiens Jeruzalem?), beginnen met de oorsprong van de joodse, islamitische en christelijke banden met de stad. Dat de stad ‘heilig is voor de drie monotheistische godsdiensten’ is een veel voorkomende bewering. Voor islamieten echter, zelfs voor hen die de stad sinds Kanainitische tijden als de hunne beschouwen, is niet Jeruzalem, maar de Saoedische stad Mekka de eerste heilige stad. Mekka en niet Jeruzalem is het doel van de belangrijkste pelgrimage die een moslim tenminste een keer in zijn leven moet proberen te maken.

Heiligdommen

Jeruzalem herbergt enkele – niet alle – van de belangrijkste heiligdommen voor het christendom. Er bevinden zich de befaamde lokaties van het Laatste Avondmaal en de Kruisiging, evenals het graf van Jezus, het graf van de Maagd en de Plaats van de Hemelvaart. Maar ook elders in Israel zijn christelijke heiligdommen, zoals de geboorteplaats van Jezus (Bethlehem), het toneel van diens jeugd (Nazareth), de plaats waar hij werd gedoopt (bij de Jordaanrivier) en de streek waar hij zijn belangrijkste predikingen hield en wonderen verrichtte (Galilea).

Alle belangrijke joodse heilige plaatsen liggen in Oost-Jeruzalem, dat in 1967 op Jordanië werd veroverd of in de naaste omgeving van de stad (in Bethlehem en Hebron). De voornaamste hiervan zijn de Tempelberg (de berg Moria) en de Klaagmuur. Toen beide lokaties in 1949 onder Jordaans bestuur kwamen, begon daarmee een periode van bijna twee decennia waarin aan joden de toegang ernaar werd geweigerd. Israel heeft vanaf 1967 de aanhangers van alle drie de godsdiensten onbeperkte toegang tot hun heilige plaatsen in de stad gegeven. Om de gevoelens van de moslims niet te kwetsen werden joodse en christelijke godsdienstoefeningen op de Tempelberg verboden.

Wereldwijd bidden joden in de richting van de Tempelberg. moslims, zelfs zij die op de Tempelberg zelf bidden, wenden zich ervan af – naar Mekka. In Tenach (het Oude Testament) wordt Jeruzalem 656 keer genoemd; het welzijn van de stad staat centraal in de joodse gebeden. In het Nieuwe Testament is Jeruzalem het toneel van de richting bepalende gebeurtenissen van het christendom. In de Koran komt Jeruzalem niet eenmaal voor. De latere islamitische traditie koppelde de verwijzing in de Koran naar al masjid al- aksa (‘het verste heiligdom’) weliswaar aan de Al-Aksa Moskee in Jeruzalem, maar ten tijde van de profeet Mohammed stond er geen gebouw op de Tempelberg. Elders in de Koran wordt naar het Heilige Land verwezen met ‘het dichtstbijzijnde’. En de Koranpassage (over al masjid al-aksa [red.]) slaat volgens de islamitische traditie op Mohammeds nachtelijke hemelvaart naar een hemels heiligdom.

Bestuurlijk centrum

Jeruzalem tot 70

Historisch Jeruzalem tot aan de periode van de vernietiging van de Tweede Tempel (70 na Christus). © Martin Gilbert, 1977

Over het algemeen wordt aangenomen dat het islamitische bewind over Jeruzalem in 638 begon, toen de stad veroverd werd door het moslimleger van kalief Umar. Maar toen in 715 Soeleiman de heerser werd, vestigde hij zich niet in Jeruzalem maar in Ramla, dat het economische en bestuurlijke centrum van het land werd. Soeleiman had Ramla overigens enige jaren daarvoor met dat oogmerk laten bouwen. Een islamitische inwoner van Jeruzalem klaagde in die periode over de afgenomen status van zijn stad: “Jeruzalem, eens de plaats van de regeringen van Salomo en David, is een provinciestadje geworden, ondergeschikt aan Ramla”. Voor Israelische joden en voor de joden in de diaspora was Jeruzalem noch een provinciestadje, noch een hoofdstad in de letterlijke betekenis van het woord. Jeruzalem is de spirituele en materiele kern in de geschiedenis van het joodse volk. Omstreeks het jaar 1000 v.Chr. – zo’n 3000 jaar geleden – werd Jeruzalem de hoofdstad van het eerste joodse koninkrijk (zie kaart).

Uitgezonderd de Kruisvaarders, die kortstondig de heerschappij over het gebied hadden (1099-1187), verkoos niet een veroveraar Jeruzalem als hoofdstad. Vijftig jaar nadat zij door de Babylonische veroveraar Nebukadnezar in ballingschap waren gedreven (586 v.Chr.) keerde het joodse volk terug naar zijn land en herbouwde Jeruzalem als zijn hoofdstad. Ook onder de Maccabeeen bleef het hun hoofdstad.

Voor geen ander volk of andere staat betekende Jeruzalem zo veel. Noch de Egyptisch-Mammelukse heersers (1260-1516), noch de Ottomaanse Turken (1516-1917) maakten Jeruzalem tot hun hoofdstad en evenmin overwogen zij dat te doen. Hoewel de Engelsen in 1922 het bestuurlijk centrum van het Palestijns mandaatgebied in Jeruzalem vestigden, berustte het uiteindelijke gezag over Palestina in Londen. Tijdens de mandaatperiode waren de Britten overigens gehouden (op basis van de voorwaarden van het Mandaat over Palestina zoals die waren vastgelegd door de Volkenbond) in het gebied een joods Nationaal Tehuis te helpen stichten, waar vanaf het begin de joodse instellingen voor zelfbestuur in Jeruzalem werden gevestigd.

De gevoeligheden van zowel joden als christenen werden door de achtereenvolgende islamitische veroveraars van Jeruzalem met voeten getreden. Kerken werden omgebouwd tot moskeeen. Stinkende slachthuizen en leerlooierijen kwamen naast joods-religieuze plaatsen te staan. Vlakbij kerken (waaronder de Kerk van het Heilige Graf) en synagoges werden moskeeen gebouwd met minaretten, die bewust zo hoog opgetrokken werden, dat ze boven de joodse en christelijke instellingen uitstaken.

Tijdens de drie decennia, dat de Engelsen het bestuur over Palestina hadden (1917-1948) werd de vrijheid van godsdienstoefening gerespecteerd en werden vele nieuwe kerken, moskeeen en synagoges gebouwd. Maar tussen 1948 en 1967 toen Oost-Jeruzalem door Jordanië werd bestuurd, kwam daar een einde aan en werd aan alle joden (Israelische en buitenlandse) de toegang tot de Klaagmuur ontzegd.

De meeste van de achtenvijftig synagoges in de bezette joodse wijk van de Oude Stad werden met opzet verwoest of anderszins geschonden. Andere joodse heilige plaatsen die onder Jordaans bestuur kwamen, zoals de graven van de profeten Samuel en Simon de Rechtvaardige, de joodse begraafplaats op de Olijfberg, het graf van Rachel (gelegen aan de weg van Jeruzalem naar Bethlehem) en de Grot van de Aartsvaders in Hebron, werden eveneens ontoegankelijk voor joden. In feite werd het joden verboden welk deel van Jordanië dan ook te betreden.

Terug naar boven

Onafhankelijkheidsoorlog

Jeruzalem 1948-67

1948-1967: scheidingsmuur tussen Oost- en West-Jeruzalem

De Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 had tot gevolg, dat zowel joden als Arabieren delen van Jeruzalem waar zij eerder hadden gewoond verloren. Behalve de dichtbevolkte joodse wijk in de Oude Stad moest Israel ook twee kleine woonwijken ten oosten van de wapenstilstandslijn opgeven. Verschillende grote Arabische woonwijken kwamen daarentegen onder Israelisch bestuur en werden een integraal deel van West-Jeruzalem. De juridische status van de nu verdeelde stad kreeg vorm door een reeks unilaterale maatregelen en besluiten, genomen door de partijen aan weerskanten van de scheidslijn.

 

In december 1948 annexeerde Jordanië alle door de Arabieren beheerste delen van de Westoever inclusief het gedeelte van Jeruzalem dat eerst alleen onder de Jordaanse militaire bezetting viel. Zo ontstond de deling in Oost- en West-Jeruzalem. Het was de schepping van een oorlog, afgebakend door wapenstilstandslijnen.

1949-1967: een gescheiden stad © Martin Gilbert, 1977

Kort na de eerste Israelische algemene verkiezingen in januari 1949 vestigde de Israelische regering haar parlement, de Knesset, in Jeruzalem (zie kaart).

De Israelisch-Jordaanse wapenstilstandsovereenkomst van april 1949 voorzag in vrije Israelische toegang tot de enclave op de berg Scopus, waar de Hebreeuwse Universiteit en het Hadassah Ziekenhuis stonden, alsmede tot de Klaagmuur. Jordanië heeft deze verdragsclausule evenwel nooit gehonoreerd.

In december 1949 riep Israel Jeruzalem uit tot zijn hoofdstad en vestigde er zijn nationale instellingen zoals de Knesset, het hooggerechtshof, het opperrabbinaat en het joods Agentschap (Jewish Agency). Aan de andere kant van het prikkeldraad en het niemandsland die de scheidslijn markeerden, lag het door Jordanië bestuurde Oost-Jeruzalem, dat niet tot hoofdstad werd verklaard – noch voor de Palestijnse inwoners, noch voor de Jordaanse bezetters. De Jordaanse hoofdstad bleef Amman.

De Jordaanse koning deed in feite hetzelfde als zijn voorgangers gedurende het dertien eeuwen lange islamitische bestuur over de stad. Niet een Arabische heerser of veroveraar heeft Jeruzalem ooit tot zijn hoofdstad gemaakt. Dat is overigens een normale gang van zaken: niet een islamitische heilige stad fungeert vandaag als hoofdstad van een Arabische of islamitische staat. Teheran, niet Meshet of Qum is de hoofdstad van Iran. Riad, niet Mekka of Medina, is de hoofdstad van Saoedi-Arabië (zie kaart).

 

Terug naar boven

overheersers

Heersers over Jeruzalem, 587 voor-1967 na © Martin Gilbert, 1977

Voor het christendom is Jeruzalem een spiritueel en niet een wereldlijk koninkrijk. Alleen de joden beschouwen Jeruzalem zowel als hun geestelijk als wereldlijk centrum (het ‘hemelse Jeruzalem’ en het ‘aardse Jeruzalem’, zoals beschreven in de joodse liturgie).
Tijdens de drie jaarlijkse zogenaamde voetfeesten (Pesach, Wekenfeest en Loofhuttenfeest [red.]) is Jeruzalem bovendien het doel van joodse pelgrimages en de enige stad in de richting waarvan joden verplicht zijn hun voeten te plaatsen als uitdrukking van vroomheid.
In de smeekbede ter gelegenheid van Pesach (het joodse paasfeest) wordt gezegd: ‘Het volgend jaar in Jeruzalem’.

 

Bevolkingssamenstelling

Jeruzalem was voor joden door de eeuwen heen niet alleen een verafgelegen plaats waarnaar in geestelijk opzicht terug werd verlangd, maar ook een stad waar zij zich daadwerkelijk vestigden. In 1845, meer dan een halve eeuw voordat het eerste Zionistische Congres in Basel de territoriale doelstellingen van het politieke zionisme formuleerde (een joodse staat in Palestina), woonden er volgens schattingen van de Pruisische consul in Jeruzalem, dr Schultze, 7120 joden, 5000 moslims en 3390 christenen. Vanaf dat moment zouden de joden de grootste religieuze gemeenschap blijven. Hun aantal bleef zelfs groeien ondanks de Turkse overheersing en de latere Britse beperking van hun emigratie naar Palestina. Twee jaar na de berekeningen van Schultze schreef een Britse bezoeker van de stad, dr John Kitto, in zijn boek Modern Jerusalem: “Hoewel wij Jeruzalem routinematig als een islamitische stad beschouwen, maken de moslims in feite niet meer uit dan een derde van de totale bevolking”.

In de negentiende eeuw kwamen joden uit verre landen naar Jeruzalem – zowel om er te leven als om er te bidden. Sommigen van hen werkten op boerderijen en akkers in de omgeving van de stad. Anderen vonden emplooi in het onderwijs of de medische zorg. In 1841 werd in Jeruzalem een joodse drukpers gevestigd en zeven jaar later een joodse bank. Vier eeuwen lang hadden de Ottomanen de stad verwaarloosd. Voor hen was Jeruzalem niet meer dan een provinciestadje – ver weg van de hoofdstad Constantinopel. Ondertussen groeide de joodse bevolking gestaag en bleef zij de meerderheid van de stad uitmaken. Op 15 april 1854 publiceerde de New York Daily Tribune een artikel over onder andere de demografie van de stad: “De permanente bevolking van Jeruzalem telt ongeveer 15.500 zielen, waarvan 4000 muzelmannen en 8000 joden”. De  van het artikel heette Karl Marx. De Jerusalem Almanack (een vroege gids voor de stad) die veertien jaar later verscheen, vermeldt eenentwintig synagoges, eenentwintig kloosters en elf moskeeen.

Jeruzalem van 1900 – 1914. © Martin Gilbert, 1977

In de periode na 1860 stichtte de joodse gemeenschap een ziekenhuis, een bibliotheek, scholen, hotels en handelshuizen. Tegen het eind van de negentiende eeuw waren de joden de belangrijkste bouwers van nieuwe wijken buiten de stadsmuren. In 1888 stichtten Jemenitische joden een wijk in het dorpje Silwan (Siloah) – waaruit zij later werden verdreven. Momenteel proberen joden, tot groot ongenoegen van de Arabieren, zich weer op die plaats te vestigen. Eveneens in 1888 kreeg een jood uit Jeruzalem, Joseph Navon, toestemming van de Turkse sultan een spoorlijn (van de kust [red.]) naar de stad aan te leggen. Dit bleek van grote invloed op de joodse migratie naar Jeruzalem. Die werd een stuk makkelijker omdat de stad beter bereikbaar werd voor immigranten die per boot in Jaffa aan land gingen (de meesten van hen waren hun reis begonnen in de Russische of Roemeense havensteden aan de Zwarte Zee).

De Schotse dominee High Callan, die in 1891 de stad bezocht, vroeg zich af wat de toekomst van de stad zou zijn. “Zullen de Russen er heersen door middel van hun Griekse kerk (zoals men graag wil), of zullen de joden haar bezitten? Een ding is in ieder geval zeker: terwijl de anderen vreemdelingen zijn, zijn de joden hier de enige patriotten”.

In het laatste decennium van de negentiende eeuw groeide de joodse bevolking tot ruim 28.000 zielen. De meeste nieuwkomers waren Asjkenazische joden, veelal uit het tsaristische Rusland. In die tijd telden de islamitische en christelijke gemeenschappen van Jeruzalem ieder minder dan 9000 zielen. De joodse immigranten woonden voornamelijk in de nieuwe joodse wijken buiten de muren. Die wijken hadden zelfs hun eigen joodse postkantoor. In 1914 was de joodse bevolking gegroeid tot 45.000 op een totaal inwonertal van 60.000. Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog nam het joodse inwonertal af, zonder dat het demografische overwicht verdween. Veel Jeruzalemse joden werden uitgewezen naar Egypte of gedeporteerd naar Turkije (zie kaart).

Terug naar boven

Na Balfour

De zionisten – na 1917 daartoe aangemoedigd door de Balfour Verklaring en de instelling van het Britse Mandaat over Palestina – vestigden hun instituten voor zelfbestuur in Jeruzalem. Ondanks de joodse meerderheid benoemden de Britten een Arabier als eerste burgemeester. Ook al diens opvolgers die gedurende het Britse mandaat werden benoemd, waren uitsluitend Arabieren. De groeiende joodse infrastructuur omvatte onder andere de joodse Nationale Bibliotheek, het Hadassah Ziekenhuis en de Hebreeuwse Universiteit. Er werden drie joodse tuinsteden gesticht – voorlopers van de moderne planning van voorsteden. Maar, drie Arabische opstanden binnen twee decennia leidden ertoe dat de Arabische en de joodse buurten wezenlijk van elkaar werden gescheiden. Er werden zelfs aparte busroutes ingesteld.

Het Britse bestuur bracht de genoegens van het moderne stadsleven naar Jeruzalem en als gevolg daarvan kwamen veel Arabische en joodse immigranten naar de stad. Uit Britse volkstellingen blijkt dat de bevolkingstoename door immigratie in Jeruzalem in de periode 1921-1933, 20.000 joden en ruim 21.000 Arabieren bedroeg. Deze Arabische immigranten kwamen, net als de joden, uit verre landen, waaronder Marokko, Algerije, Libie en Jemen.

In 1938, kort nadat Groot-Brittannie de mogelijke stichting van een aparte joodse en Arabische staat in Palestina aan de orde had gesteld, stelde de Jewish Agency een opdeling van Jeruzalem voor, die gebaseerd was op de voor beide groepen belangrijkste gebieden van stedelijke vestiging. In een poging tot een voor de Arabieren aanvaardbare deling te komen bood de Jewish Agency aan zeven joodse stadswijken van de soevereine joodse stad uit te sluiten: de joodse wijk van de Oude Stad, Jemin Mosje (gelegen buiten de Jaffapoort en gesticht in 1892) en vijf na 1920 gebouwde buitenwijken in Zuid- Jeruzalem (die achter een ring van Arabische buurten lagen).

Dit compromisvoorstel werd door de Arabische staten rond Palestina afgewezen. Zij wilden het idee van een joodse staat niet aanvaarden. Er volgde een decennium vol geweld dat zijn hoogtepunt bereikte met de slag om Jeruzalem in 1948. Op dat moment woonden er 100.000 joden en 65.000 Arabieren in de stad. De Jewish Agency aanvaardde het VN-plan waarin stond dat Jeruzalem door de VN bestuurd zou worden (als een zogenaamd corpus separatum [red.]). De Agency betitelde dat als een ‘zwaar offer’, dat niettemin zou dienen als ‘de joodse bijdrage aan de oplossing van een pijnlijk probleem’. Maar, net als gebeurde met het voorstel van 1938, werd ook dit plan door de Arabieren verworpen. Het VN-plan bevatte de voorwaarde dat na tien jaar VN-bestuur een referendum zou worden gehouden waarin de inwoners van Jeruzalem zich zouden kunnen uitspreken over het toekomstig bewind over de stad. Demografisch gezien zouden de joden dan vrijwel zeker de uitslag hebben bepaald.

Gedeelde stad

Na de slag om Jeruzalem, waarbij Egyptische strijdkrachten de meest zuidelijk gelegen joodse buitenwijk, kibboets Ramat Rachel, binnenrukten, ontstond een gedeeld Jeruzalem. De twee stadsdelen werden afgebakend door de wapenstilstandslijnen en gescheiden door brede stukken niemandsland. De Arabieren verloren al hun bloeiende buitenwijken ten westen van de wapenstilstandslijn; de joden de hunne aan de oostelijke en noordelijke kant.

Jordanië, dat land van de Palestijnse Arabieren had geannexeerd, onthield hen een eigen staat. Israel maakte, zoals gezegd, van Jeruzalem zijn hoofdstad en vestigde er de parlementsgebouwen, gerechtshoven en ministeries. Omdat de berg Scopus was omsingeld door Arabische troepen was de universiteit genoodzaakt in het westelijk stadsdeel een tweede campus te bouwen. Ondanks Palestijnse verzoeken daartoe weigerde Jordanië een Palestijnse universiteit in Jeruzalem te bouwen. Ook werd er gedurende de negentien jaar van Jordaanse overheersing nooit overwogen Oost-Jeruzalem tot Palestijnse hoofdstad te maken.

De bevolkingsgroei in de periode 1949-1966 onderstreept het verschil in de belangen van de verschillende partijen met betrekking tot Jeruzalem. Met een groei van 28.000 bereikte de Arabische bevolking in Oost-Jeruzalem 70.000 zielen. De joodse bevolking nam toe met 111.000 personen en bereikte een totaal van 195.000.

Op 27 juli 1953 riep koning Hoessein Oost-Jeruzalem uit tot ‘de alternatieve hoofdstad van het Hasjemitisch koninkrijk’. Maar Amman bleef het werkelijke centrum van het Jordaanse bestuur. Toen de Jordaanse troepen bij het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog op 5 juni 1967 de berg Scopus en de zuidelijke joodse buitenwijk Ramat Rachel bombardeerden, werd de teerling geworpen. De Israelische regering had er bij koning Hoessein op aangedrongen zich buiten de oorlog te houden. Zijn besluit om wel mee te doen was beslissend voor de toekomst van Jeruzalem en heeft de gang van zaken met betrekking tot de stad tot op de dag van vandaag bepaald.

Zesdaagse oorlog

7 juni 1967, bevrijding oostelijk stadsdeel door generaal Uzi Narkiss, minister Moshe Dayan en staf-chef Jitschak Rabin.

Binnen twee dagen nadat koning Hoesseins troepen het vuur hadden geopend was het Jordaanse gedeelte van de stad onder controle van de Israeli’s. De fysieke barrieres tussen de twee stadsdelen werden omver gehaald. “Wij strekken oprecht onze handen in vrede uit naar onze Arabische buren”, verklaarde de toenmalige Israelische minister van Defensie, Mosje Dajan. “Maar wij zijn naar Jeruzalem teruggekeerd om nooit meer van haar te scheiden”. Oost-Jeruzalem, dat een vijfde van de bebouwde oppervlakte van de stad uitmaakte, werd vervolgens bij Israel ingelijfd en de stad kreeg nieuwe grenzen. (De totale oppervlakte van Jeruzalem werd na de annexatiewet ca. 200% groter dan de oppervlakte van het voormalige Israelische West-Jeruzalem. Dit kwam doordat Israel naast Oost-Jeruzalem ook nog een gedeelte van de Westelijke Jordaanoever onder de stadsgrenzen van Jeruzalem bracht. [red.])

Er werden nieuwe joodse buitenwijken gebouwd aan de kant van de voormalige Jordaanse grens (de wapenstilstandslijn van 1949). Ze werden onder andere bevolkt door de toestromende immigranten uit de Sovjet-Unie. Tegen het eind van 1993 telde de joodse bevolking van Jeruzalem ruim 400.000 personen. De Arabische bevolking was toegenomen tot 155.000. In deze periode veranderde ook de balans tussen de seculiere en de religieuze joodse inwoners van de stad. Het numerieke overwicht van de groeiende religieuze gemeenschap baande bij de burgemeesterverkiezingen de weg voor de overwinning van Likoed-kandidaat Ehoed Olmert. Deze volgde Teddy Kollek op die het ambt bekleedde van 1966 tot 1993.

Als gevolg van de politiek van Teddy Kollek kreeg de Arabische minderheid in Oost- Jeruzalem betere voorzieningen. De Israeli’s zorgden voor een rioleringstelsel en een waterleidingsysteem, bouwden klinieken en legden parken en tuinen aan. Ook konden de Arabieren van Israelische ziekenhuizen gebruik maken. De Arabische wijken groeiden in omvang. Maar de christelijke Arabische gemeenschappen gingen steeds meer in aantal achteruit (een proces dat al was begonnen onder Jordaanse heerschappij). Veel belangrijke christelijke Arabische families emigreerden, merendeels als gevolg van de vijandige houding van de moslims.

Terug naar boven

Christenen

Christelijke gemeenschappen (foto: Ed Hofschreuder)

De christelijke gemeenschappen van Jeruzalem stonden door de eeuwen heen steeds op gespannen voet met elkaar. Bovendien hadden ze regelmatig te lijden van vijandschap en verwaarlozing door de heersers over de stad. Bij de hereniging van de stad in 1967 beloofde Israel religieuze vrijheden en de vrije toegang tot de heilige plaatsen voor iedere gemeenschap te zullen garanderen. Deze belofte is nagekomen. De Via Dolorosa is een van de drukste straten van de stad. Christenen van alle denominaties bidden in hun heilige plaatsen. Vaak worden deze gedeeld door twee of meer verschillende geloofsrichtingen. In het verleden werd er vaak over gestreden – compleet met vechtpartijen en vervloekingen. Mensen die de Tuin van Gethsemane zoeken kunnen kiezen uit drie verschillende lokaties, afhankelijk van de geloofsrichting die men aanhangt. Twee verschillende plaatsen (een binnen en een buiten de stadsmuren) worden beide betiteld als de ware calvarie (plaats van de Kruisiging [red.]). Binnen de Heilige Grafkerk, waar de drukst bezochte calvarie is gesitueerd, hebben zes verschillende christelijke denominaties hun eigen beheerder – ieder met zijn eigen altaar en gebedsplaats. Orthodoxe christenen, rooms-katholieken, Grieks-orthodoxen, Armeniers, protestanten, Ethiopiers en Kopten vormen de belangrijkste christelijke groeperingen in Jeruzalem. Zij hebben allemaal hun specifieke behoeften en aspiraties en hun eigen bezittingen, leiders en gelovigen. Enige jaren geleden verrees op de berg Scopus naast de Hebreeuwse Universiteit het indrukwekkende gebouw van de Mormoonse Universiteit.

Onder Israelisch bestuur zijn er voor de christenen geen barrieres, zoals voor 1967, die het moeilijk of zelfs onmogelijk maken om van de ene kerk naar de andere of van het ene klooster naar het andere te gaan. Buitenlandse christelijke belangen worden erkend. In de zomer van 1994 verzocht de eerste Vaticaanse gezant in de staat Israel om speciale aandacht voor rooms-katholieke noden. Nog geen maand daarna benadrukte een gezant van de Russische president Jeltsin de behoefte van het nieuwe Rusland om een stem in het kapittel te hebben. Israel bevestigde daarop dat het alle christelijke denominaties in hun behoeften zou blijven steunen. Minister van Buitenlandse Zaken Sjimon Peres benadrukte daarbij tegenover de Russische gezant dat de politieke rechten, waarover de Rus ook had gesproken, in Israelische handen moeten blijven, en dat de geestelijke rechten van alle religieuze groeperingen nauwgezet zullen worden gewaarborgd.

Niet erkend

Vanaf 1967 heeft iedere Israelische regering zich verplicht Jeruzalem als hoofdstad van Israel en als ongedeelde stad te behouden en daarbij steeds gezorgd voor vrije toegang tot de heilige plaatsen van christendom en islam. Teddy Kollek, de oud-burgemeester van Jeruzalem, zei eens dat iedere nieuwe deling van de stad, ook al zou die in goede verstandhouding overeen worden gekomen als onderdeel van een vredesregeling, toch gepaard zou gaan met afgebakende grenzen, douane- en andere controleposten, en het in tweeen delen van de geintegreerde voorzieningen van de stad (waaronder de posterijen, het energie- en het waterleidingbedrijf). Ook na 1967 bleven de Amerikaanse en Britse regeringen echter internationaal de toon zetten met hun weigering hun ambassade in Israel te verplaatsen naar diens hoofdstad, die zij niet als hoofdstad erkennen.

Zo werd in een brief van 27 april 1994 van het kantoor van de Britse premier gesteld dat “de Britse regering het gezag van Israel over geen enkel deel van Jeruzalem erkent”. De Britse ambassadeur in Israel legde later uit dat Groot-Brittannie wel erkent dat Israel ‘de facto gezag uitoefent in West-Jeruzalem’. (In de zomer van 1995 kondigden de ambassadeurs van de Europese lidstaten in Israel een boycot af van de viering van Jeruzalem 3000 jaar stad van David. Dit mede omdat de Europese Unie de soevereiniteit van Israel over geheel Jeruzalem niet erkent. [red.])

Wat betreft de Verenigde Staten en een aantal andere Westerse landen, heeft Israel noch de jure autoriteit in West-Jeruzalem, noch de facto autoriteit in Oost-Jeruzalem waar het sinds 1967 wordt beschouwd als de bezettingsmacht.

Overeenkomst Jordanië

In de zomer van 1994 bekrachtigde de overeenkomst tussen Rabin en koning Hoessein in Washington de speciale positie van het Hasjemitische koninkrijk Jordanië met betrekking tot de islamitische heilige plaatsen in Jeruzalem. Erkenning van de status van Jordanië als bewaarder van die plaatsen komt ook tot uitdrukking in het vredesverdrag dat Israel en Jordanië in oktober 1994 ondertekenden. Ondertussen geven Palestijns-Arabische leiders, die elkaar het hele jaar door ontmoeten in het Orient House in Oost-Jeruzalem, juist door hun keuze van plaats van samenkomst blijk van de Palestijnse wens om Oost-Jeruzalem als hoofdstad te hebben. Dat verlangen werd pas vijfentwintig jaar geleden voor het eerst onder woorden gebracht, na de hereniging van de stad onder Israelisch bestuur. Nu is het een vast aandachtspunt geworden in het Palestijnse beleid. Zo hield bijvoorbeeld in augustus 1994 de Palestijnse Farmaceutische Conferentie, die buiten de stad plaatsvond, haar slotbijeenkomst in een hotel in Jeruzalem.

Het islamitische centrum van Jeruzalem is, anders dan het Palestijnse, de Tempelberg, die bij moslims bekend staat als Haram al-Sharif. Als symbool van de Jordaans-Israelische vriendschap vloog koning Hoessein, achter de stuurknuppel van een Jordaans verkeersvliegtuig, in de zomer van 1994 over Jeruzalem en cirkelde daarbij een keer om de Tempelberg. Toen Anwar Sadat zeventien jaar geleden naar Jeruzalem kwam, ging hij eerst naar Oost-Jeruzalem om op de Tempelberg te bidden, alvorens hij het Israelische parlement in West-Jeruzalem toesprak. Kort na Sadats bezoek pleitte een vooraanstaand Israelisch functionaris, Walter Eytan, ervoor de Tempelberg ‘als geheel autonoom gebied aan een Arabische vorst’ te geven. Eytan was ervan overtuigd dat ‘vrije Arabische heerschappij’ over de Tempelberg de enige oplossing was voor het probleem Jeruzalem, en hij stelde voor dit ‘eenzijdig en ongevraagd aan te bieden’. Er bestaat echter onder de Arabieren geen overeenstemming over de vraag wie bevoegd is het beheer over de islamitische heilige plaatsen te voeren. In oktober 1994 ruzieden de Palestijnse Autoriteiten en Jordanië daar nog over met als resultaat dat beide partijen een nieuwe moefti voor Jeruzalem benoemden. Een dag voordat het Jordaans-Israelische vredesverdrag werd getekend, zei Arafat tegen 3000 juichende studenten dat Jeruzalem de hoofdstad is van de toekomstige Palestijnse staat en dat wie dat niet accepteert maar ‘zeewater bij Gaza moet gaan drinken’.

Terug naar boven

Arabisch bestuur

Zicht op de Tempelberg (foto: Ed Hofschreuder)

Is het idee van Arabische heerschappij over islamitische heilige plaatsen per definitie niet realistisch? In 1991 verklaarde de Israelische regering, onder leiding van Jitschak Shamir, in Madrid dat de toekomstige status van Jeruzalem onbespreekbaar was en dat de stad de ‘ongedeelde’ hoofdstad van Israel zou blijven. Dit beleid werd voortgezet toen de regering Rabin in 1992 aan de macht kwam. Maar er zijn veel scenario’s mogelijk waarbij Israel de soevereiniteit houdt over de gehele stad en de islamitische heilige plaatsen hun al vrij uitgebreide autonomie kunnen behouden. Tegelijkertijd zouden de voornamelijk Arabische woonwijken in bestuurlijk en economisch opzicht hecht kunnen worden gekoppeld aan de Palestijnse Nationale Autoriteit, zonder dat daarbij enige afbreuk wordt gedaan aan het Israelische gezag. Voor een paar goede juristen staats- en internationaal recht is het waarschijnlijk geen probleem daar een ontwerp voor te maken.

Op 17 augustus 1994 kwamen de Israelische minister van buitenlandse zaken Sjimon Peres en toponderhandelaar Nabil Sha’ath van de PLO overeen dat Israel het toezicht op het onderwijs aan de Palestijnen op de gehele Westelijke Jordaanoever nog voor het begin van het schooljaar, twee weken later, zou overdragen aan de PLO. Deze overeenkomst werd op 1 september 1994 uitgevoerd. Ervan uitgaande dat ook op andere terreinen politieke vooruitgang wordt geboekt, zou die overeenkomst kunnen worden uitgebreid naar de Arabische wijken van Jeruzalem waar het, zonder Israels soevereiniteit aan te tasten, zowel het Arabische zelfbestuur als het zelfbewustzijn zou versterken. De overeenkomst van 24 augustus 1994 tussen Israel en de Palestijnse Nationale Autoriteit (de Early Transfer of Authority Agreement) heeft geleid tot de overdracht door Israel van bevoegdheden op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, toerisme, sociale zaken en belastingen op de gehele Westelijke Jordaanoever – de zogenaamde Early Empowerment. (Deze werd opgevolgd door het zogenaamde Oslo II-akkoord van 28 september 1995 dat de Israelische hergroepering op de Westelijke Jordaanoever en de Palestijnse verkiezingen regelt. [red.])

Toekomst

Hoe Jeruzalem er in de toekomst uit zou kunnen gaan zien, kan worden afgelezen uit een zekere trend in Israel die, ondanks aanzienlijke terughoudendheid in een eerder stadium, de bereidheid toont om het organiseren van diverse aspecten van Palestijnse nationale activiteit vanuit Oost-Jeruzalem te tolereren. Ook wordt het leidende figuren van de voormalige vijand, de PLO, toegestaan Jeruzalem te bezoeken, op de Tempelberg te bidden en in de stad onderhandelingen te voeren met hun Israelische tegenspelers en met bezoekers uit het buitenland.

Als het tempo en de richting van de verschillende autonomie-overeenkomsten worden gehandhaafd, zou er een politiek pad moeten worden uitgestippeld dat zowel de Israelische als de Palestijnse aspiraties kan bevredigen terwijl de huidige groei en uitbreiding van alle stadswijken blijft doorgaan. Jeruzalem, Oost en West samen, zou de hoofdstad van Israel kunnen blijven, zonder grenzen daarbinnen. Binnen een verenigd Jeruzalem onder Israelische soevereiniteit zouden de Arabieren uit Oost-Jeruzalem status en zelfbesturende organen kunnen krijgen, alsmede bestuurlijke en zelfs politieke banden met de Palestijnse Autoriteit kunnen onderhouden. Dit zou dan in aanvulling zijn op hun reeds bestaande en in toenemende mate zichzelf besturende grote stedelijke centra als Nabloes, Ramallah, Bethlehem en Hebron.

Tijdens een ontmoeting in Wenen, in het begin van 1994, wisselden Israelische en Palestijnse functionarissen ideeen uit over ‘de toekomstige status’ van Jeruzalem. Op 16 augustus 1994 werden deze besprekingen in Casablanca voortgezet en een week daarna in Marrakech. Er werd niet veel over gepubliceerd. Maar ze zouden uiteindelijk wel kunnen leiden tot het ontstaan van een politieke formule en een realiteit die voor beide kanten aanvaardbaar is.

Arabische meisjes in Jeruzalem (foto: Ed Hofschreuder

Die realiteit hoeft niet te zijn gebaseerd op een herverdeling van de stad. De meeste Arabische wijken liggen naast joodse, sommige zeer dicht tegen elkaar, maar ze lopen niet in elkaar over. Joodse en Arabische activiteiten vinden meer naast elkaar plaats dan met elkaar. Het patroon van stedelijke bewoning is ingewikkeld, maar niet onontwarbaar. Het is heus niet nodig dat bijvoorbeeld de noordelijke joodse buitenwijk Neve Ja’akov (gelegen op de plaats waar in 1948 een joods dorp werd veroverd en verwoest door het Arabische Legioen) van Israel wordt afgescheiden om de Arabische aspiraties te bevredigen. Evenmin hebben de Palestijnse Arabieren die binnen Jeruzalems gemeentegrens van voor 1967 wonen soevereiniteit nodig om te kunnen floreren. Een soeverein Israel zorgt er al voor dat de Arabieren van de stad zelf baas in eigen huis kunnen zijn. De aanzienlijke Arabische bouwactiviteit, de intellectuele en economische activiteit, kranten en diensten bewijzen dit. Het was trouwens niet Israel, maar het hoofd van de Palestijnse Nationale Autoriteit, Jasser Arafat, die in 1994 Jeruzalems meest onafhankelijk denkende Arabische krant sloot.

Israel kan de Palestijnse autonomie ook net over de gemeentegrens hechte banden aanbieden. Allerlei ideeen kunnen worden bekeken. Stel bijvoorbeeld, dat de dichtbevolkte Palestijnse stad aan de noord-zuidsnelweg, Ar-Ram, de zetel zou worden van de Palestijnse autonomie. De Palestijnse nationale instellingen zouden dan binnen de bebouwde kom van Jeruzalem staan, maar toch buiten de gemeentegrenzen van na 1967. Dus buiten het gebied waarover Israel de soevereiniteit opeist. De laatste jaren hebben de joodse en Arabische gemeenschappen van Jeruzalem bijna volledig van elkaar gescheiden geleefd. Maar op sommige punten is er wel sprake van direct contact: op het werk, zoals in fabrieken en op bouwplaatsen, in ziekenhuizen, musea en hotellobby’s en bij een aantal gemeenschapsvoorzieningen. In de zomer van 1994 bracht een gemengd Arabisch-joods toneelgezelschap in Jeruzalem een voorstelling van Shakespeare’s Romeo en Julia op de planken. Maar dit soort zaken heeft geen invloed op de vermenging, of zelfs maar de overlapping van de gemeenschappen. joodse inwoners van Jeruzalem brengen maar zelden om sociale redenen een bezoek aan Arabische woonwijken en vice versa. Activiteiten als winkelen, uit eten gaan en recreeren vinden zelden plaats aan de andere kant van de scheidslijn. Aan geen van beide kanten weet men veel over hoe het dagelijks leven van de ander eruit ziet, hoe de stedelijke ontwikkeling aan de andere kant van de onzichtbare grens zich voltrekt, of welke behoeften en verlangens er bestaan aan de andere kant van de ongemarkeerde scheidslijn. En misschien ligt juist in deze topografische en sociale scheiding de beste kans voor vrede, groei en welvaart van een definitief verenigde stad.

Terug naar boven

Jeruzalem van David tot Ben Gurion

Bijbelse periode (1004 – 586 voor)
1004 voor – Koning David maakt Jeruzalem tot zijn hoofdstad.
954 voor – Koning Salomo begint met de bouw van de Eerste Tempel.
586 voor – De Babylonische koning Nebukadnezar neemt de stad in, verwoest de Tempel en voert de bewoners in ballingschap weg naar Babylon.

Perzische periode (539 – 332 voor)
538 voor – De Perziche koning Cyrus laat de ballingen terugkeren.

Griekse periode (320 – 63 voor)
313 voor – Ptolemaeus I, generaal onder Alexander de Grote, neemt Jeruzalem in.
164 voor – Juda de Maccabeeer bevrijdt Jeruzalem.

Romeinse periode (63 voor – 324)
20 voor – Koning Herodus bouwt de Tweede Tempel.
33 – Jezus wordt gekruisigd.
70 – De Tweede Tempel wordt door Titus verwoest.

Byzantijnse periode (324 – 638)
333 – Bouw van de Heilige Grafkerk en andere kerken door Constantijn en Helena.

Islamitische periode (638 – 1099)
638 – Jeruzalem geeft zich over aan kalief Omar.
692 – Abdel-Malik laat over de Offersteen van Abraham de Rotskoepelmoskee bouwen.

Kruisvaarderperiode (1099 – 1260)
1099 – Inname van Jeruzalem door Godfried van Bouillon.
1187 – Saladin verovert Jeruzalem en staat de joden toe terug te keren.

Mammelukse periode (1260 – 1516)
1260 – De uit Egypte afkomstige Mammelukken vallen Jeruzalem binnen en blijven tweeeneenhalve eeuw aan de macht.

Ottomaanse periode (1516 – 1917)
1535 – Soleiman de Prachtlievende herbouwt de muren van Jeruzalem.

Britse periode (1917 – 1948)
1917 – Generaal Allenby trekt Jeruzalem binnen.

Israelische periode (1948 – )
1948 – Onafhankelijkheidsoorlog. Oprichting van de Staat Israel door Ben Gurion die West-Jeruzalem tot hoofdstad uitroept.
1967 – Zesdaagse Oorlog. Jeruzalem wordt herenigd onder Israelisch bestuur.

 

Het huidige Jeruzalem in kaart gebracht

Klik hier voor een kaart van de huidige geopolitieke situatie in Jeruzalem: 

 

Bron: Terrestrial Jerusalem

 


Over de auteur

Martin Gilbert is verbonden aan het Merton College in Oxford en is de biograaf van Winston Churchill. De kaarten in deze publicatie zijn ontleend aan Gilberts Jerusalem Illustrated Atlas (derde, herziene druk, 1994), uitgegeven door Vallentine Mitchell (Londen) en Steimatzky (Jeruzalem).

Gilbert publiceerde vele boeken over de Europese en joodse geschiedenis, waaronder een hele serie historische atlassen. Momenteel (2010) werkt hij aan een boek over de geschiedenis van Jeruzalem in de twintigste eeuw.

Over deze brochure

Deze brochure, een uitgave van CIDI, is een iets ingekorte vertaling van Jerusalem: Past and Future (Policy Forum, nr. 1), uitgegeven door het Institute of the World Jewish Congress, Jeruzalem.

Een papieren uitgave van deze zelfde brochure kunt u desgewenst bestellen via de CIDI-webshop: klik hier.

Terug naar boven