Joodse vluchtelingen – vergeten groep

De tussen de twintiger en vijftiger jaren van de vorige eeuw gevluchte Joden uit voormalig Palestina en de Arabische landen zijn in de loop der geschiedenis een vergeten groep geworden. Het gaat echter om groot aantal Joden, die nimmer zijn erkend, noch gecompenseerd.

Al in de jaren twintig en dertig werden Joodse gemeenschappen in het toenmalig Palestina door de Arabieren aangevallen en in een aantal gevallen zelfs vernietigd, zoals in 1929 de Joodse gemeenschap in Hebron.

In november 1947 brak een regelrechte burgeroorlog uit, die na het uitroepen van de staat Israel, op 14 mei 1948, uitliep op een regionaal conflict. In de loop van deze oorlog, die in januari 1949 met een wapenstilstand werd besloten, werden naast Arabieren ook duizenden Joden uit hun woonplaatsen verdreven, onder andere uit Goesh Etzion (ten zuiden van Jeruzalem), Neve Ja’akov (ten noorden van Jeruzalem), Kfar Darom (Gazastrook), Beit HaArava (ten noorden van de Dode Zee), en de Oude Stad van Jeruzalem.

Pas na de Zesdaagse Oorlog van juni 1967 konden Joden naar deze en andere plaatsen terugkeren. In de jaren na de stichting van Israel stroomden niet alleen honderdduizenden Joodse vluchtelingen uit Europa naar de Joodse staat, maar ook nog eens zo’n 600 duizend Joden uit Arabische landen. De meesten moesten al hun bezittingen achter laten. Allemaal werden zij in Israel opgevangen en volledig geintegreerd. Nog eens 260 duizend andere in de Islamitische wereld woonachtige Joden weken uit naar Europa en de Amerika’s. Ook dat deel van het Joodse vluchtelingenprobleem werd naar behoren opgelost. Getalsmatig is er feitelijk sprake geweest van een massale Joods-Arabische bevolkingruil.

Wat nog wel rest is de verrekening van de bezittingen die de gevluchtte Joden in de islamitische landen moesten achterlaten. Op 3 januari verklaarde de voormalige Israelische minister van Binnenlandse Veiligheid Moshe Shahal, die tegenwoordig voorzitter is van een organisatie vanuit de Arabische wereld afkomstige Joden, dat de onder dwang in Irak, Syrië, Libanon, Egypte, Libanon, Libie, Tunesie, Algerije en Marokko achtergelaten en geroofde bezittingen een bedrag van naar schatting 75 miljard gulden vertegenwoordigen.