Kamervragen over etikettering Israelische producten: “Palestijnse staat bestaat niet”

IN NEDERLAND / Door: PAUL VAN DER BAS / 11 jul 2019 TWEEDE KAMER

De Kamerleden Joël Voordewind (ChristenUnie) en Kees van der Staaij (SGP) trekken aan de bel over de etikettering van Israelische producten. Volgens een richtlijn van het ministerie van Economische Zaken moeten Israelische producten uit de Palestijnse gebieden worden gelabeld als “afkomstig uit Palestina” – dit terwijl er geen staat Palestina bestaat en Nederland ook geen Palestijnse staat erkent. 

CU-Kamerlid Joël Voordewind temidden van zijn collega's

CU-Kamerlid Joël Voordewind. Achter hem zit SGP-voorman Kees van der Staaij. Foto: Anne-Paul Roukema/ChristenUnie

Gelijke monniken, gelijke kappen
Voordewind en Van der Staaij vragen zich bovendien af of producten uit andere gebieden die als bezet worden aangeduid ook als zodanig worden geëtiketteerd. Denk bijvoorbeeld aan de Westelijke Sahara (bezet door Marokko) of Noord-Cyprus (bezet door een Turkse vazalrepubliek). Ze wijzen op een aangenomen motie van voormalig VVD-Kamerlid Han ten Broeke die ertoe oproept om álle producten uit álle als bezet aangemerkte gebieden apart te etiketteren – en daarop te handhaven.

Plotselinge inspectie kan leiden tot ongelijk speelveld
Aanleiding voor de Kamervragen is een recent bezoek door inspectieambtenaren van het ministerie aan het Israel Producten Centrum (IPC) in Nijkerk. Het IPC zou zich niet houden aan de richtlijnen voor etikettering van producten uit Israelische plaatsen in de Westelijke Jordaanoever. Voordewind en Van der Staaij hebben hun twijfels bij de plotselinge inspectie door het ministerie. Eerder is namelijk juist aangegeven dat het kabinet in de kwestie omtrent etikettering van producten uit bezette gebieden, de richtlijn van de Europese Unie zou volgen. De Kamerleden vragen dan ook wat de stand van zaken is omtrent deze richtlijn op EU-niveau. Het lijkt er sterk op dat het ministerie – in weerwil van eerdere toezeggingen – op eigen houtje is overgegaan tot het handhaven van een richtlijn, zonder dat er uitsluitsel is over of dit voor de hele EU geldt. 

Dat kan leiden tot een ongelijk speelveld in de Europese markt, betogen Van der Staaij en Voordewind. Wanneer Nederlandse bedrijven zich aan strenge regels omtrent het labelen van producten moeten houden, terwijl andere landen daar niet op handhaven, is dat immers nadelig voor het Nederlandse bedrijfsleven. 

“Palestina” op etiketten?
Een volgende steen des aanstoots voor de fracties van ChristenUnie en SGP is het feit dat het ministerie de aanduiding ‘afkomstig uit Palestina’ verplicht: 

Waarom wordt in de aanwijzing van het ministerie verplicht om ‘afkomstig uit Palestina’ te gebruiken als etikettering, terwijl de staat Palestina nog niet bestaat en dit wel de suggestie wekt dat er alsnog tot een eenzijdige erkenning van de mogelijke staat Palestina wordt overgegaan? Erkent u dat dit ingaat tegen het regeerakkoord? In de voetnoot wordt dit wel erkend maar dit voorkomt niet dat de indruk wordt gewekt dat Nederland de Palestijnse staat eenzijdig erkent. Erkent u dit risico en wat gaat u doen om dit te voorkomen? 

De discussie omtrent de etikettering van producten uit Israelische nederzettingen speelt al een paar jaar. Voorstanders van etikettering menen dat Israelische producten uit de Westelijke Jordaanoever niet gelden als ‘afkomstig uit Israel’, omdat het gaat om bezet gebied. Tegenstanders van etikettering vrezen dat er sprake is van een eenzijdige maatregel die vooral is gericht tegen Israel, terwijl andere bezette gebieden wereldwijd buiten schot blijven.