Nederlandse ambassadeur in Teheran pleitte voor opwaardering bilaterale relaties met Iran

De Tweede Kamerleden Hans van Baalen (VVD), Lousewiese van der Laan (D66) en Harry van Bommel (SP) hebben minister Bot van Buitenlandse Zaken schriftelijke vragen gesteld over recente opmerkingen van de Nederlandse ambassadeur in Teheran, Henry de Vries. Volgens een op 20 december door het officiële Iraanse persbureau IRNA uitgegeven communiqué, heeft De Vries in een officiële ontmoeting met de Iraanse oud-president Akhbar Rafsanjani een lans gebroken voor een verdieping van de Nederlands-Iraanse relaties.

De Nederlandse ambassadeur benadrukte het belang van uitbreiding van de Nederlands-Iraanse samenwerking op technologisch en economisch gebied. Rafsanjani vervult in Iran momenteel het voorzitterschap van de Adviesraad, een hoog college van staat met grote politieke invloed.

CIDI-actie

Het IRNA-persbericht werd door het CIDI aan de buitenlandwoordvoerders van alle politieke partijen gestuurd, met de vraag in welk licht de vriendelijke houding van De Vries moet worden geplaatst na de recente afschuwelijke uitspraken van de Iraanse president Ahmadinejad en de afkeurende reactie daarop van de Nederlandse regering en de Tweede Kamer. Ahmadinejad heeft herhaaldelijk opgeroepen tot de vernietiging van de staat Israel en daarnaast de Holocaust ontkend.

Ahmadinejads uitspraken en de illegale Iraanse jacht op nucleaire wapens hebben tot een verkilling van de Nederlands-Iraanse relaties geleid. Zo werd, op aandringen van het CIDI, een voor februari van dit jaar geplande handelsmissie naar Iran – een project van van het Ministerie van Economische Zaken – voor onbepaalde tijd uitgesteld.

“Zionistische invloed”

Van Baalen heeft minister Bot gevraagd of de door IRNA geciteerde uitspraken van de ambassadeur passen “in het streven van de regering om de door de Kamer gewenste afstand door het Iraanse regime te bewaren.”

Van der Laan wil daarnaast van Bot weten of de uitspraken van Rafsanjani, waarin hij spreekt van het uit de weg gaan van ‘Zionistische en Amerikaanse invloed’ in de opvatting van de Nederlandse regering over het Nederlands buitenlands beleid passen. “Zo neen, waarom leent de Nederlandse ambassadeur zich voor een gesprek waarin deze mening geventileerd kan worden, en wat is de Nederlandse reactie hierop?”

Van der Laan: “Wat zijn de volgende stappen die Nederland neemt om te voorkomen dat de ambassadeur niet laat blijken dat Nederlands-Iraanse betrekkingen op dit moment verdiept worden, om te voorkomen dat Iran een nucleaire bedreiging vormt voor de regio en om in de toekomst alle ondemocratische en discriminerende uitspraken van de Iranese overheid te veroordelen?”

Harry van Bommel van de SP stelde vragen van gelijke strekking en maakte van de gelegenheid gebruik de minister tevens te bevragen over het lot van in Iran vervolgde vakbondsactivisten.

Delegatie van Holocaust-overlevenden

Op 23 december antwoordde minister Bot op een serie eerdere vragen over Iran, van de Kamerleden Van Baalen (VVD) en Ormel (CDA). Die vragen hadden betrekking op de Iraanse bedreigingen van Israel en de holocaustontkenning van president Ahmadinejad. Naar aanleiding van dat laatste had een groep Nederlandse overlevenden van de Holocaust een onderhoud met de Iraanse ambassadeur gevraagd.

Bot: “Op 15 december jl. is de Iraanse ambassadeur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken op hoog ambtelijk niveau ontboden, waarbij de uitspraken van de Iraanse President zijn veroordeeld. Ook heeft het EU-voorzitterschap namens alle lidstaten een verklaring afgegeven, waarin wordt gezegd dat deze uitspraken onaanvaardbaar zijn. […] De herhaalde uitspraken van de Iraanse President over Israel en de Holocaust hebben tot gevolg dat de relatie tussen Iran en de EU verslechtert. Daarnaast werken deze uitspraken spanningen in de regio in de hand. […] Het is mij bekend dat een groep Holocaust-overlevenden om een onderhoud met de Iraanse ambassadeur te Den Haag heeft verzocht. Naar mijn weten heeft de ambassadeur daarover nog geen uitsluitsel gegeven. De wijze waarop al dan niet gevolg aan het verzoek wordt gegeven, komt geheel voor rekening van de ambassadeur en de Iraanse autoriteiten. […] Ik zie geen heil in het uitnodigen van de ambassadeur voor een gesprek over deze uitlatingen met vervolgingsslachtoffers.”