Niet Sharon, maar christelijke milities waren verantwoordelijk voor Sabra en Shatilla

In het kielzog van de NVU kwamen vergelijkbare oproepen van onder andere de werkgroep ‘Stop de Bezetting’ van Gretta Duisenberg. Daarbij wordt het in de strijd werpen van grove onwaarheden opnieuw niet geschuwd. Vorige week was Duisenberg in New York, waar zij een toespraak hield op de door de VN georganiseerde International Conference of Civil Society in Support of the Palestinian People.

Daar zei zij ondermeer: “Vorige week herdacht de wereld de terroristische aanslagen van 9/11, drie jaar geleden, en werd stilgestaan bij de bijna 3.000 slachtoffers. Deze week, 16 september, is het 22 jaar geleden dat door het Israelische leger een net zo barbaarse aanval werd uitgevoerd in Sabra en Sjatilla. Het aantal Palestijnse slachtoffers wordt geschat op 3.500. Deze terreurdaad stond onder toezicht van en werd goedgekeurd door generaal Ariel Sharon, de toenmalige minister van Defensie van Israel.”

Wat gebeurde er werkelijk, 22 jaar geleden?

Operatie Vrede voor Galilea

Op 6 juni 1982 vielen Israelische troepen Zuid-Libanon binnen, met het doel de opbreking van de terroristische infrastructuur van de PLO, die er een staat-in-een-staat had gesticht. Operatie ‘Vrede voor Galilea’ was in militair opzicht een groot succes. Na een week was Zuid-Libanon geheel in Israelische handen, was de Syrische bezettingsmacht in Oost-Libanon verslagen en hadden de PLO-eenheden zich in de havenstad Beiroet teruggetrokken. In de noordelijke en oostelijke sectoren vond het Israelische leger aansluiting met zijn christelijk-Libanese bondgenoten. Beiroet werd aan alle kanten omsingeld, maar desondanks weigerde de PLO zich over te geven.

Na een beleg van een maand ging de PLO-leiding op 14 augustus alsnog akkoord met de eis dat alle Palestijnse milities het land zouden verlaten. De evacuatie was op 30 augustus grotendeels voltooid; op die dag scheepte ook Jasser Arafat in en vertrok met zijn trouwste eenheden onder een internationaal vrijgeleide naar Tunis. Enkele duizenden PLO-strijders (met verschillende nationaliteiten) bleven echter in Libanon achter, het merendeel van hen in de Palestijnse wijken – voorheen vluchtelingenkampen – van Beiroet: Sabra, Sjatilla en Bourj Al-Brajneh.

Het vertrek van de PLO-hoofdmacht werd gevolgd door een wachtperiode, waarin het Israelische leger niet alle delen van de Libanese hoofdstad bezette. Ook de Palestijnse stadswijken werden omsingeld, maar niet ingenomen.

Op 14 september kwam de nog maar net tot president gekozen christelijke leider Bashir Gemayel bij een bomaanslag om het leven. Het Israelische leger was genoodzaakt West-Beiroet binnen te trekken teneinde chaos en geweld te voorkomen. Twee dagen later gaf het Israelische opperbevel de christelijke strijdkrachten opdracht Sabra en Sjatilla binnen te trekken en van achtergebleven terreurnesten te zuiveren. Er werd echter een massaslachting aangericht, uit wraak voor de moord op Gemayel. Volgens Libanese bronnen kwamen bij de actie 474 mensen om het leven, waarvan het grootste deel non-combattanten. De Libanese dodenlijst: Palestijnen: 313 mannen, 8 vrouwen en 7 kinderen. Libanezen (moslims): 98 mannen, 8 vrouwen en 2 kinderen. Buitenlandse mannen (aan de PLO toegevoegde manschappen): 21 Iraniërs, 7 Syriërs, 3 Pakistani en 2 Algerijnen.

Israelische bronnen spreken overigens van tussen de 700 en 800 dodelijke slachtoffers.

Kahanecommissie

De massamoord leidde tot grootschalige protesten vanuit de Israelische bevolking. Op 28 september besloot de Israelische regering een diepgaand onderzoek naar de gang van zaken in Beiroet te laten instellen. De ‘Commissie Kahane’ kwam op 8 februari 1983 met een rapport waarin werd vastgesteld dat Israelische eenheden of individuen geen directe verantwoordelijkheid voor het bloedbad droegen. Wel werd Israelische topfunctionarissen, waaronder minister van Defensie Sharon en chef-staf Rafael Eitan, indirecte verantwoordelijkheid verweten, omdat zij zich hadden moeten realiseren dat een wraakactie van de christelijke Falangisten voor de hand lag. Sharon kreeg voorts het verwijt dat humanitaire overwegingen bij hem kennelijk geen rol hadden gespeeld. De commissie beval aan dat Sharon zou aftreden en niet opnieuw in de functie van minister van Defensie zou dienen. Dat advies werd uitgevoerd.

   
 
De situatie in Beiroet, juli 1982
 

Aan de andere kant stelt het rapport: “Wij zeggen niet dat het besluit om de Falangisten de kampen binnen te laten onder geen enkel beding had moeten worden genomen en dat het geheel ongerechtvaardigd was.”

Uit het rapport blijkt voorts dat Israelische militairen niet precies hebben kunnen zien wat zich in de steegjes van Sabra en Sjatilla afspeelde en dat communicatiefouten hebben bijgedragen aan het pas later bekend worden van de werkelijke situatie. Feit blijft dat de gevechten en moordpartijen twee dagen hebben geduurd, terwijl vooruitgeschoven eenheden van het Israelische leger zich op een steenworp afstand bevonden. Tijdens de nachtelijke uren van het drama werden de Falangisten door Israelische militairen met lichtgranaten bijgelicht.

Interessant is nog de rol van Elie Hobeika, chef van de inlichtingendienst van de Libanese christenen. Die zou in de middag van 16 september, nog voor de Falangisten Sabra en Sjatilla binnentrokken, van Sharon opdracht hebben gekregen zijn mannen in de hand te houden. In plaats daarvan beval Hobeika hen een slachting uit te voeren. Later bleek dat hij een dubbelagent was van de Syrische inlichtingendienst. Volgens een van zijn medewerkers, Robert Hatem, had Hobeika de bedoeling gehad Israels reputatie wereldwijd te bezoedelen. Dat effect werd bereikt en bovendien leidde het drama tot een nieuwe situatie op de grond: Israel werd gedwongen zich uit de regio Beiroet terug te trekken.

Hoe het precies zat zullen wij nooit weten. Op 24 januari 2002 kwam Hobeika bij een bomaanslag om het leven.

Screbrenica

Het drama van Sabra en Sjatilla heeft enkele overeenkomsten met dat van Srebrenica uit juli 1995. Screbrenica was een ‘veilige’ Bosnische enclave, die beschermd werd door een Nederlands bataljon van de United Nations Protection Force (UNPROFOR). Op 6 juli 1995 werd de enclave door het Bosnisch-Servische leger aangevallen en in zes dagen veroverd. Al tijdens de opmars werden moordpartijen onder de Bosnische moslims uitgevoerd, maar het merendeel van de slachtingen vond in de daarop volgende weken plaats, onder de ogen van de Nederlandse militairen, terwijl het bovendien onwaarschijnlijk is dat de gruwelen – vanwege de grootschaligheid ervan – niet bij luchtverkenningen zouden zijn opgemerkt. In die korte tijd werden naar schatting 8.000 moslims vermoord. Bij de voorbereiding werden de Serviërs zelfs geassisteerd. Zo scheidden Nederlandse soldaten mannen van hun gezinnen, waarna de mannen door de Serviërs werden afgevoerd om te worden vermoord.

Op 21 juli maakte het Nederlandse UNPROFOR-bataljon zich uit de voeten naar Zagreb.

Alhoewel informatie circuleerde over het gruwelijke lot dat de in de steek gelaten Bosnische moslims had getroffen (er waren door Nederlandse soldaten zelfs foto’s gemaakt op executieplaatsen), vond de commandant van de Nederlandse troepen, Couzy, een feestje op zijn plaats. “Terwijl de Bosniërs tot aan hun knieën in het bloed stonden, stonden de Nederlandse soldaten tot aan hun enkels in het bier, toegejuicht door kroonprins Willem Alexander, [premier] Kok en [minister van Defensie] Voorhoeve”, schreef de historicus Henri Beunders in NRC Handelsblad van 13 juli 1996.

Het heeft zoals bekend jaren geduurd voordat Nederland een onderzoek naar de gang van zaken liet instellen. En de uitkomsten daarvan zijn in alle opzichten onbevredigend gebleven.