Nog eenmaal Van Mierlo

Een van de laatste beleidsdaden van Hans van Mierlo als minister van Buitenlandse Zaken was het op 5 juni versturen van een nota aan de Tweede Kamer over de naleving van de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en de situatie van de Christenen aldaar. Om het stuk was gevraagd door de RPF-parlementariër André Rouvoet. Elders in deze Israel Nieuwsbrief kunt u een samenvatting van de inhoud lezen.

door Ronny Naftaniel

De nota laat geen opwekkend beeld zien van de mensenrechten. Zowel aan Palestijnse als aan Israelische kant worden ernstige schendingen gemeld. De Palestijnse veiligheidsdiensten mishandelen gedetineerden en tonen geen respect voor de rechtsprekende macht. De Israeli’s hebben een te groot aantal Palestijnen om veiligheidsredenen in administratieve detentie en de toestand in de gevangenissen laat te wensen over. De conclusies van de regering wijken niet af van die van organisaties als Amnesty International, de Palestinian Human Rights Monitoring Group en B’tselem, de Israelische mensenrechtenorganisatie. Dat is een treurige zaak. Hoewel de gespannen situatie soms bikkelhard optreden noodzakelijk maakt, wettigt dit nog niet dat op deze schaal fundamentele rechten worden geschonden.

De nota van Van Mierlo is nog op twee andere punten opvallend. Ten eerste wordt nauwelijks ingegaan op de situatie van de Christenen in de Palestijnse gebieden, terwijl dit toch de aanleiding voor de verschijning van het stuk was. Terwijl uit de internationale pers blijkt dat een toenemend aantal Christenen zich onder Palestijns bestuur onveilig voelt en ook daadwerkelijk wordt geïntimideerd, zegt de nota dat het vooral om een kleine groep tot het Christendom bekeerde Palestijnen bij de Joodse nederzetting Ariel gaat. Zij zouden het Israelische nederzettingenbeleid steunen. Het lijkt een weinig plausibele verklaring voor hun angst, maar zelfs als het waar is dat ze achter het nederzettingenbeleid staan, is dat nog geen geldige reden geïntimideerd te worden.

Ten tweede besteedt de nota een heel hoofdstuk aan de situatie in Oost-Jeruzalem. Dat is politek gesproken bizar, omdat, zoals de titel aangeeft, de nota over de situatie van de mensenrechtenrechten in de Palestijnse gebieden zou gaan. Kennelijk beschouwt de Nederlandse regering Oost-Jeruzalem als Palestijns gebied, hoewel het nooit in Palestijnse handen is geweest en ook nog nooit in enig VN- of ander delingsplan aan de Palestijnen is toegekend. Het feit dat Van Mierlo in de nota schrijft dat de status van Jeruzalem nog aan de orde moet komen bij de finale onderhandelingen doet niets af aan het feit dat de minister in deze nota met zevenmijlslaarzen op die status vooruit loopt. Hij doet daarmee precies wat hij zo vaak premier Netanjahoe heeft verweten. Hij bewijst hiermee, net als met zijn opstelling indertijd over het Oriënt Huis, de Nederlandse buitenlandse politiek bepaald geen dienst. Een evenwichtiger afscheid van zijn Midden-Oostenbeleid ware ons liever geweest.