Ontruiming Bedoeïenennederzetting Khan Al Ahmar

De Israelische autoriteiten hebben gisteren Khan Al Ahmar een afgesloten gebied verklaard, als eerste stap in de ontruiming van de illegale Bedoeïenennederzetting. Na meer dan 40 jaar, en na jaren van juridisch gevecht oordeelde het Israelische hoge gerechtshof eind mei dat de gebouwen (woningen en een schoolgebouw waar kinderen uit meerdere Bedoeïenennederzettingen in het gebied komen) inderdaad illegaal zijn gebouwd, waardoor er “geen Juridisch bezwaar is tegen het neerhalen van deze gebouwen.” Ook oordeelde het gerechtshof dat de oplossing die de staat heeft aangeboden, alternatief woongebied voor de inwoners bij het nabijgelegen dorp Abu Dis, redelijk is. Dit ondanks de stelling van de eisers dat de oplossing geen recht doet aan hun levenswijze.

De 200 mensen tellende gemeenschap, allemaal lid van de stam Jahlin, wonen al meer dan veertig jaar op zogenaamde staatsgronden, en hebben met de jaren daar steeds meer gebouwen opgezet, allemaal zonder vergunning. De Bedoeïenen zijn de nomaden van het Midden Oosten. Je kunt ze vergelijken met woonwagenbewoners in Nederland. Ook zij zijn trekkers, en ook zij worden gedwongen een vaste standplaats te nemen, en aan allerlei regels en wetten te voldoen, die totaal vreemd – en soms tegenstrijdig – zijn met hun leefgewoontes. In Nederland is dit probleem opgelost, in Israel nog verre van. En daarom lezen we regelmatig over mensen die hun – volgens Israel illegale – nederzetting moeten verlaten omdat de staat de zonder vergunning (dus illegaal) gebouwde objecten gaat neerhalen, soms om daar een nieuwe wijk, dorp of stad te bouwen. De (demografische) strijd tussen Joden en Arabieren maakt het extra ingewikkeld, de verschillende juridische situaties binnen de groene lijn en in de Westelijke Jordaanoever, en, in het bijzonder, de discussie over de positie van Joodse (soms illegale) nederzettingen in de Westbank, maakt het geheel nog veel gevoeliger en ingewikkelder.

Momenteel zijn drie Bedoeïenennederzettingen in het nieuws: Um Al Hiran – in de Negev (aan de ‘simpele’ zijde van de groene lijn), en twee dorpjes in Area C van de Westelijke Jordaanoever – Khan Al Ahmar (niet ver van Jeruzalem) en Sussia (in het zuidelijke deel van de westoever). In tegenstelling tot de zogenaamde Area’s A en B waar de Palestijnse Autoriteit het voor het zeggen heeft en over planning en (bouw)vergunningen gaat, staat Area C onder Israelisch gezag en is de militaire gouverneur verantwoordelijk voor infrastructuur – en dus voor het uitgeven van vergunningen, wat regelmatig spanningen veroorzaakt. 

“In de rechtszaal zul je geen rechtvaardigheid zien, de rechters houden zich bezig met het toepassen van de wet – noem het recht, of wetvaardigheid – en niet met het bepalen van wat rechtvaardig is “. Dit zei een rechter jaren geleden, toen hij me uitnodigde een rechtszitting bij te wonen. Het probleem van de geïmproviseerde, vergunningloze Bedoeïenendorpje heeft me aan die uitspraak herinnerd.

Deze case illustreert in een nutshell alle demografische conflicten in het gebied. Tussen modern leven en traditie, tussen de groeiende stad en het platte land, tussen vaste inwoners en nomaden, tussen Joden en Arabieren, tussen Israeli’s en Palestijnen, tussen de Haves en de Have-nots. De Jahlin hebben familie aan beide kanten van de groene lijn, en soms is het eigen gezin samengesteld uit Israeli’s en Palestijnen. Zij hebben in de afgelopen 70 jaar hun woongebied steeds kleiner zien worden, hun bewegingsvrijheid steeds verder beperkt, hun bronnen van inkomen steeds verminderd. Tot 1967 konden ze niet naar de Westoever, sindsdien wel, maar met de groei van bevolking en steden (ook bij de Bedoeïenen zelf) is het probleem steeds nijpender geworden.

Zowel in Israel als daarbuiten wordt over de rechten van Bedoeïenen, en over hoe om te gaan met dergelijke problemen bediscussieerd. De kale wet, nationaal en internationaal, kan er slechts zeer beperkt antwoord op geven, en de vraag van rechtvaardigheid is niet eenvoudig te beantwoorden. Compassie is wellicht de belangrijkste invalshoek om hiermee om te gaan, zeker gezien het feit dat deze groep behoort tot de zwakste in de samenleving – zowel wat betreft opleiding- als inkomen.