Ook na Kamervragen geen antwoorden van minister Grapperhaus over HaCarmel

Tweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedInDigg thisShare on RedditEmail this to someonePrint this pageDeel dit

Naar aanleiding van de aanval op restaurant HaCarmel in Amsterdam en het lekken van informatie uit het dossier, hadden meerdere PVV-Kamerleden schriftelijke vragen gesteld aan minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus. De bewindsman geeft echter op vrijwel geen van de vragen concreet antwoord en verwijst in plaats daarvan naar het Openbaar Ministerie.

Op 7 december vernielde een 29-jarige man de ruiten van het koosjere restaurant HaCarmel. Volgens getuigen riep de met Palestijnse vlag en knuppel gewapende man hierbij “Allahu akbar” en “Palestina”. Na een Israelische vlag in het koosjere restaurant te hebben gepakt, werd de dader door politieagenten aangehouden. Volgens zijn advocaat had de dader echter geen antisemitische motieven: De Palestijn met tijdelijke verblijfstatus zou slechts aandacht willen hebben vragen voor de ‘zijns inziens mensonterende dagelijkse situatie in Palestina’. Na twee dagen was de verdachte alweer op vrije voeten.

Een week later bleek dat de dader in Syrië getraind was in het gebruik van wapens. Daarnaast had hij tijdens het politieverhoor verklaard bereid te zijn om in de toekomst geweld te gebruiken om zijn doelen te bereiken. Tijdens de rechtszitting op 20 december herhaalde de verdachte deze angstwekkende verklaring. Naar aanleiding van deze verontrustende informatie en minister Grapperhaus’ weigering om de aanval als antisemitisch aan te duiden, stuurde het CIDI een open brief naar de bewindsman.

Naar aanleiding van de aanval en de uitgekomen informatie over de dader, hebben Kamerleden van de PVV twee maal schriftelijke vragen bij Grapperhaus ingediend. In de Kamervragen noemen de PVV’ers de aanval een antisemitische terreuractie. Daarnaast geven ze aan dat het besluit om de verdachte niet voor een terroristisch misdrijf te vervolgen, “de deur open zet voor nieuwe aanslagen op joodse doelwitten”.

Vandaag heeft de minister zijn antwoorden naar de Tweede Kamer gestuurd. Vrijwel geen van de antwoorden gaat echter concreet in op de vragen. In plaats daarvan geeft minister Grapperhaus de volgende toelichting:

Zoals bij u bekend is het aan het OM om te besluiten over de vervolging van de verdachte en daarbij een strafeis te formuleren. Daarna is het aan de rechter om te oordelen over de schuldigverklaring en bij een schuldigverklaring over de op te leggen sanctie. In die onafhankelijke oordeelsvorming en verantwoordelijkheden van de officier van justitie en rechter past mij als minister geen rol.

Bij brief van 15 december jl.[1] heb ik de Kamer reeds meegedeeld dat op 20 december 2017 een zitting plaatsvindt, waarbij de verdachte terecht staat op verdenking van vernieling en diefstal. Inmiddels kan ik meedelen dat de meervoudige kamer van de rechtbank, die de zaak op 20 december 2017 in behandeling heeft genomen, de zaak heeft aangehouden voor nader onderzoek. Voor het overige doe ik geen uitlatingen over deze individuele zaak. [sic]

In antwoord op de vraag of de verdachte in beeld was bij de diensten en of hij gevolgd wordt, zegt de minister geen uitspraken over individuele gevallen te kunnen doen. Grapperhaus doet in plaats daarvan alleen de algemene mededeling “dat personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het OM, politie, de inlichtingendiensten en andere betrokken organisaties zijn alert.”

In de open brief aan minister Grapperhaus had het CIDI de bewindsman opgeroepen duidelijker stelling te nemen in deze kwestie.