Oorlog en vrede waren voor Arafat hetzelfde

Een terrorist die de Nobelprijs voor de Vrede krijgt, een seculiere nationalist die zijn speeches doorspekt met koranverzen, iemand die nederlaag na nederlaag lijdt maar toch aanblijft als onbetwist leider van zijn volk. Jasser Arafat was een tegenstrijdig en moeilijk te doorgronden persoon, een controversiële politicus, een eeuwige revolutionair. Hij heeft in grote problemen gezeten, hij heeft nooit zijn doelen bereikt en toch heeft hij altijd elke situatie, elke nederlaag overleefd. De afgelopen dagen leek het er zelfs op dat hij zijn eigen dood weer te boven zou komen.

De geboorte van Arafat is reeds omkleed met controverse. Terwijl hij zelf altijd beweerd heeft in Jeruzalem ter aarde te zijn gekomen – hoe kan het ook anders voor het symbool van de Palestijnse nationale strijd – blijkt uit zijn Egyptische geboortecertificaat dat hij in Cairo is geboren. Na de dood van zijn moeder stuurde vader Arafat Jasser en broertje Fathi naar het huis van een oom in Jeruzalem. De jonge Arafat was daar mogelijk getuige van de bloedige rellen die in de jaren 30 plaatsvonden tussen Arabieren en Joden in het toenmalige Bitse mandaat Palestina. In de steek gelaten door zijn vader, slechte relatie met zijn stiefmoeder; Arafat had een onplezierige jeugd.

Zijn beoordeling van de gebeurtenissen in 1948 geven al een vooruitblik op Arafats latere tactische visie op het conflict. Volgens Arafat was 1948 geen falen van de diplomatie en van het compromis (het VN-verdelingsplan) maar van de gematigde houding aan Arabische kant. De Arabische legers hadden niet zo makkelijk moeten opgeven. Het echte verraad was de aanvaarding van de deling. Volgens Arafat was het gebrek aan steun voor het Palestijnse volk de oorzaak van de reeks coups in de Arabische landen in de jaren 1950: Egypte, Syrië en Irak.

In april 1955 richtte Egypte een Palestijnse eenheid op van 700 man in Gaza die de aanvallen op Israel vanuit Egypte coördineerde. Veel latere Fatah-kaderleden hebben in dit commando gezeten, Arafat zelf niet. In deze jaren reist Arafat al de halve wereld af als leider van de Palestijnse Studentenunie. Hij bezocht zowel een communistisch studentencongres in Tsjechoslowakije, als een door de CIA gesponsorde bijeenkomst van studentenvakbonden in Nigeria. Dan al zoeken beide partijen in de Koude Oorlog de gunst van Arafat.

Arafat ontwikkelde zich in deze periode tot strijder, met de traditionele kaffiyah, tot patriarch, tot de vader aller Palestijnen. Hij was een linkse radicaal, noch een moslimfundamentalist. Zo kon hij opstaan als leider van de Palestijnse zaak. In 1957 vertrok Arafat naar Koeweit waar hij een baan kreeg bij het ministerie van publieke werken. Met 15 ander Palestijnen in Koeweit richtte Arafat op 10 oktober 1959 Harakat al-Tahrir al-Filastiniyya opgericht (acroniem Fatah, wat “verovering” betekent).

Geweld als doel

Veel Palestijnen dachten dat na de vernietiging van Israel een provincie Palestina zou ontstaan als onderdeel van een grotere Arabische staat, bijvoorbeeld onder leiding van Nasser. Daarom ontstond er ook geen wijd verbreid Palestijns nationalisme in de jaren en 50, laat staan een streven naar zelfbestuur in de Jordaanse West Bank of de Egyptische Gaza-strook. Een eventueel in omvang beperkte Palestijnse staat nastreven was altijd ondergeschikt aan het verkrijgen/veroveren van heel het land tussen de Jordaan en de Middellandse Zee.

Militaire strijd zou Fatah bijeen houden, van politiek hield men zich verre. Geweld was een doel in zichzelf, compromis en diplomatie maakte geen deel uit van de strategie. “Ik heb niets want ik ben verbannen en onteigend uit mijn vaderland. Wat maakt links of rechts uit in de strijd voor bevrijding van mijn vaderland? Ik wil mijn vaderland, zelfs als de duivel het voor me bevrijdt.” Vanaf 1959 is Arafat een fulltime revolutionair; de eerste jaren vanuit Koeweit.

Nasser richt in 1964 de PLO op, een naar de Egyptische behoefte ingerichte organisatie. Arafat wordt uitgenodigd bij de oprichtingsvergadering maar komt niet. Vervolgens haalt Syrië Arafat naar Damascus, als tegenwicht tegen de PLO. In 1965 begint de eerste militaire strijd van Fatah tegen Israel. De aanvallen zijn echter zo inefficiënt en slecht georganiseerd, dat Jordaanse en Syrische vertegenwoordigers beweerden dat Fatah eigenlijk een Israelische set-up was, een Britse diplomaat antwoordde dat dit gezien de incompetentie van de groep erg onwaarschijnlijk was.

Radicaal of gematigd?

De Zesdaagse oorlog, eindelijk een collectieve Arabische oorlog tegen Israel zoals Arafat al tijden bepleitte, leverde voor de Palestijnen dramatische resultaten op: meer vluchtelingen en bezetting van de West Bank en de Gazastrook.

In het najaar van 1967 organiseerde Arafat 61 militaire operaties tegen Israelische burgers, boerderijen, bioscopen etc.. Israel blokkeerde de grens met Jordanië, waar Arafat was neergestreken na ruzie met de Syrische generaal Assad. Aanvallen op burgers creëren “een sfeer van angst en stress die de zionisten zal doen realiseren dat het onmogelijk voor hen is om in Israel te leven,” aldus Arafat in een interview in 1968.

Met de steun van Nasser (die de patronage over Fatah van Syrië overnam) wist Arafat het leiderschap over de PLO te verkrijgen in 1969. Radicale regimes in de regio steunden hem omdat hij gezien werd als radicaal; gematigden (als Egypte) steunden hem als gematigde Palestijn. West-Europa hielp hem in de hoop hem te matigen, de Sovjetunie omdat ze hem als communistische voorpost in de regio beschouwde.

Jordanië

In de jaren 1967-71 opereerde de PLO en Arafats fractie (Fatah) vanuit Jordanië. De overname van het Hashemitische koninkrijk om Israel te kunnen veroveren, is nooit openlijk door Arafat bepleit, maar Arafat gedroeg zich in Jordanië wel als de heerser van het land. Fatah heerste in de vluchtelingenkampen, waar Jordaanse politie niet binnen kon komen. Ook buiten de kampen, liepen gewapende guerrilla’s rond die naar willekeur Jordaanse burgers lastig vielen. Het conflict in Jordanië escaleerde in 1970. Arafat en zijn PLO guerrilla werden uit Amman verbannen, en het jaar daarop vluchtten Arafat en de zijnen naar Libanon. De eerste nederlaag van Arafat binnen de Arabische wereld was een feit, want hoewel Arabische leiders zijn doelstelling om Israel te vernietigen onderschreven, lieten ze hem vallen in zijn strijd met koning Hoessein.

In deze periode was Arafat erin geslaagd het Palestijns nationalisme te doen ontwaken, hij had een leger, een beginnende oorlog tegen Israel, en was onbetwist leider van de PLO. Maar Arafats toegeeflijkheid richting radicale groeperingen en geweld, zijn voorliefde voor chaos, en zijn onvermogen om afspraken (in dit geval met de Jordaanse vorst) na te komen leidde tot de vernietigende nederlaag van de PLO in Jordanië.

Ditzelfde patroon herhaalde zich in de jaren zeventig in Libanon. Arafat vormde een partij in de burgeroorlog, en voerde het land richting de afgrond, totdat de Libanese premier hem in 1982 smeekte om Libanon te verlaten. In de beginjaren van de Libanese periode voerden groepen als Zwarte September, en DFLP (lid van de PLO) een internationale terreurcampagne, gericht tegen Amerikaanse, West-Europese, en soms zelfs Arabische doelen (zoals de Saudische ambassade te Parijs in 1973). Deze terreur kan niet los gezien worden van Arafat, die minstens in een aantal gevallen op de hoogte was van aanvallen. Zo was er gedurende de gijzeling in de Saoedische ambassade in Khartoem, telefonisch contact tussen de terroristen en Arafat over het al dan niet vermoorden van diplomaten. Arafat gaf het groene licht voor de moord op Cleo Noel, George Curtis Moore en de Belgische diplomaat Guy Eid. Deze terreur leverde vooral media aandacht op, over de gehele wereld raakte men bekend met de Palestijnse zaak en hun claims. In 1974 wees Arafat internationaal terrorisme van de hand. Terreur tegen Israel en Israelische doelen elders op de wereld blijven natuurlijk wel deel uitmaken van zijn strategie.

In november 1974 sprak Arafat de Algemene Vergadering van de VN toe. Hij kon pas op het laatste moment ervan overtuigd worden om zijn pistool af te doen tijdens de speech, waarin hij Israel als imperialistisch, racistisch en kolonialistisch betitelt. Arafat legde uit wat de vier “pilaren van de PLO” zijn: gewapende strijd, steun van de bevolking, een brede coalitie, steun van andere Arabieren. Vooral die “eerste pilaar” klonk vreemd in de VN-vergadering, een orgaan dat internationale disputen door diplomatie poogt op te lossen. Diplomatie was voor Arafat echter hooguit een aanvulling op militaire strijd of terreur.

Van Beiroet naar Tunis

In Libanon kwam voor het eerst de rijkdom van de PLO aan het daglicht. PLO-functionarissen reden door Beiroet in enorme sleeën, er werd een luxueus leven geleid met kaviaar en drank. Hoewel Arafat zelf geen alcohol dronk, en niet aan het materiële hechtte, probeerde hij echter niet de corruptie in zijn gelederen tegen te gaan. Eerder gebruikte hij geld om tegenstanders te paaien en kritiek af te kopen.

De vrede in 1979 tussen Egypte en Israel leidde tot grote ergernis bij Arafat. Hij besloot tot een boycot van Egypte, zijn vroegere beschermer. Bij Arafat leefde permanent de angst dat de Arabische landen afzonderlijk tot een vergelijk met Israel komen, en dat hijzelf daardoor buitenspel zou komen te staan. Hij deed er alles aan om vrede tussen Arabische landen en Israel te saboteren.

In 1983 werd Arafat definitief Libanon uitgezet. Het nieuwe hoofdkwartier van de PLO kwam in Tunis te staan, op zo’n 2000 kilometer van het land dat hij hoopte te bevrijden. Aanvallen op Israel konden nu nog slechts over zee plaatsvinden. Bootjes met Palestijnse commando’s landden op de Israelische kust. Daarnaast werden Israelische doelen in Europa geraakt.

Intifada

In 1987 brak na 20 jaar Israelische bezetting de intifada uit in de West Bank en Gaza. De lokale Palestijnse leiders voelden de noodzaak tot verandering sterker dan de PLO-top in Tunis. De Palestijnen in de bezette gebieden hadden genoeg van de PLO: men was verontwaardigd over de inertie en de incompetentie van deze organisatie. Arafat had nooit rekening gehouden met mobilisering van de massa’s, uit minachting, maar ook uit angst dat de beweging zou worden overgenomen door mensen uit de gebieden zelf. Volkomen verrast door het uitbreken van de intifada, stelde hij Abu Jihad als coördinator aan, en deed het voorkomen alsof de volksopstand vanuit Tunis via het PLO-kantoor in Amman werd geregisseerd.

Het idee om vrede met Israel te sluiten, in plaats van het land te verslaan, kwam van de lokale leiders uit de bezette gebieden. Een opening voor overleg werd geboden door de VS, op voorwaarde dat de PLO terreur af zou zweren en Israel zou erkennen. Arafat sprak in Genève voor het eerst van het recht van alle partijen op vrede en veiligheid. Voor de VS was het voldoende. In de praktijk echter was er weinig van een ommezwaai merkbaar. Geen vredesboodschap-pen in de Arabische media, geen verzoenende pleidooien van Arafat richting zijn radicalere achterban.

Saddam

In 1990 maakte Arafat de vreemde keuze om Saddam Hoessein te steunen in de Golfoorlog, hetgeen hem niet in dank werd afgenomen door andere Arabieren. Met vrijwel geen Arabische vrienden meer over, failliet en zonder een supermacht die hem steunde, restte ogenschijnlijk nog maar één optie: vrede met Israel sluiten. In 1991 werd de eerste stap gezet op de internationale vredesconferentie in Madrid volgend op de nederlaag van Irak. Het volgende jaar vormde een nieuwe wending in Arafats leven in zowel persoonlijk als politiek opzicht: hij huwde Suha Tawil een christelijke Palestijnse, overleefde ternauwernood een vliegtuigcrash in de Libische woestijn, en voerde voor de eerste keer directe onderhandelingen met Israel.

Oslo

De Oslo onderhandelingen leidden tot de ceremonie op het gazon van het Witte Huis. Arafat wilde hier opnieuw met zijn pistool verschijnen, waarop Clinton zei: “Dit is een vredesovereenkomst, niet de remake van Rio Bravo” (John Wayne film uit 1959).

In 1994 trok Israel zich terug uit Gaza en Jericho, volgens de Oslo-akkoorden. Arafat betrad Gaza, voor het eerst sinds zijn jeugd was hij terug in Palestijns gebied. Het regeren van een feitelijk stuk Palestina leidde bij Arafat geenszins tot pragmatisme en de wil tot het sluiten van een compromis. Hamas en Jihad hadden nu meer speelruimte dan onder de Israelische bezetting. Middels impliciete steun voor geweld en ambiguïteit hoopte Arafat meer te bereiken.

Na de moord op Rabin, de verkiezing van Arafat als Palestijns president in januari 1996, en de verkiezing van Netanyahu in mei 1996 volgend op zeer bloedige maanden vol aanslagen in Israel bleek Arafat niet in staat, of niet bereid tot een werkelijk verzoenend discours, tot echte aanpak van terreur en confrontatie met extremisten.

Camp David

In Camp David, 2000, met Barak en Clinton, en later in Taba kreeg Arafat het aanbod van 95 respectievelijk 97 % van de bezette gebieden, plus een verbindingsweg van Gaza naar Westoever en soevereiniteit over Oost-Jeruzalem. De reactie van Arafat was: “Ik kan het niet.”

Arafat kon geen vrede sluiten om drie basisredenen: hij had het idee altijd nog een betere deal te kunnen sluiten, zijn eisen waren groter dan wat Israel redelijkerwijs kon accepteren, en hij wist dat welke deal dan ook hem best wel eens slechter af zou laten dan ervoor. Zoals de Amerikaanse gezant Dennis Ross het formuleerde: “For Arafat, to end the conflict is to end himself.” Nu Arafats leven geëindigd is, kan mogelijk een begin worden gemaakt aan een einde van het conflict.