Praten over oorlogstegoeden

Deze week vindt in Washington een internationale conferentie plaats over de tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog. Veertig regeringsdelegaties en een tiental non-gouvernementele organisaties spreken drie dagen lang over kunstvoorwerepen, verzekeringen, goudkwesties, de rol van historische onderzoekscommissies en holocaust-educatie. Ook een Nederlandse delegatie neemt deel.

door Ronny Naftaniel

Gezien het grote aantal onderwerpen op de agenda en het nog grotere aantal sprekers is het zeer de vraag of er veel concrete beslissingen zullen worden genomen. Mogelijk zal besloten worden tot het opzetten van een internationaal systeem om vermiste kunstvoorwerpen te koppelen aan nog bij staten, musea en privépersonen aanwezige oorlogskunst en tot het geven van meer voorlichting over de Tweede Wereldoorlog aan jongeren. Tevens mag men hopen dat de conferentie het beginsel bevestigt, dat de Joodse gemeenschappen in de landen die door de Nazi’s bezet zijn geweest, de rechthebbenden zijn op de bezittingen van Joden, die in de Tweede Wereldoorlog vermoord werden en geen nakomelingen hadden. Dit beginsel ligt ook ten grondslag aan het enkele maanden geleden gesloten akkoord tussen drie Zwitserse banken en het Joods Wereldcongres en de tegemoetkoming die de Noorse regering vorig jaar aan de Joodse gemeenschap in dat land heeft gedaan.

Opmerkelijk aan de conferentie is het grote aantal sprekers uit de VS, zowel van de kant van de overheid als van de kant van de Joodse organisaties. Het is natuurlijk waar dat de herleefde belangstelling voor de roof van Joodse vermogens voornamelijk te danken is aan de inspan-ningen van Amerikanen, in de eerste plaats van het Joods Wereldcongres. Maar het doet toch bevoogdend aan, dat het Europese Jodendom en de Europese regeringen zo aan de leiband van de VS lopen. Hoe sterk de Amerikaanse invalshoek is, blijkt uit het feit dat de agenda nauwe-lijks aandacht besteedt aan de rol van de banken. Kennelijk vonden de organisatoren dat niet meer nodig na het Amerikaans-Zwitserse bankakkoord. Toch is deze kwestie in menig Euro-pees land – ook in Nederland – nog niet geregeld.

Omdat de schade van de roof en het rechtsherstel na de oorlog in de eerste plaats de Europese Joden trof, is het evident dat zij degenen dienen te zijn die met hun respectievelijke regeringen de besprekingen over de geleden materiële en immateriële schade behoren te voeren. De contacten tussen het Centraal Joods Overleg en de Nederlandse regering kunnen in dit verband tot voorbeeld strekken. Besprekingen en regelingen die over de hoofden van de nationale Joodse gemeenschappen heen gaan (waarbij uiteraard wel rekening moet worden gehouden met ex-landgenoten die thans in Israel wonen) dienen te worden afgewezen. Zolang er in Europa Joden zijn die voor zichzelf willen opkomen, is het een kwestie van respect om hen volledig te betrekken bij het bepalen van de wijze waarop onrecht uit de Nazi-tijd kan worden weggenomen, het Joodse bewustzijn gestimuleerd kan worden en de Holocaust onderwezen moet worden.