President Khatami zet aanval op Israel in

De ‘gematigde’ nieuwe president van Iran, ayatollah Mohammed Khatami, heeft in een toespraak begin deze maand voor het eerst duidelijk gemaakt hoe hij precies over Israel denkt. Alle opwinding in de Westerse wereld over deze ‘liberale leider’ ten spijt leek het wel alsof er begin augustus geen machtswisseling had plaatsgehad. Israel is volgens Khatami “het grootste symbool van internationaal terrorisme” en “ons protest tegen de bezetters van de Qoeds (Jeruzalem, red.) is een protest tegen het terrorisme in de wereld, tegen een regime dat zijn bestaan dankt aan terreur,” zo zei de president volgens de Iran Press Service in Parijs.

Hij maakte bij gelegenheid ook duidelijk dat Teheran zich in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen zal mengen als het erom gaat “de rechten van onschuldigen te verdedigen”. Dat mag een verklaring zijn voor de steun aan de terreurbeweging Hezbollah die vanuit Libanon Noord-Israel bestookt want in ‚‚n adem prees hij de goede werken van deze terroristische beweging.

De Iraanse leider lijkt niet zozeer een hekel aan Joden te hebben als wel aan de staat Israel. Hij wenst Joden een leven in vrede toe, zij aan zij met moslims en christenen in de staat Palestina. De nog altijd aanwezige Joodse gemeenschap in Iran leidt inderdaad een vrij ongestoord leven. Van de 250.000 leden in de jaren ’40 is nu nog ongeveer een-tiende over. De grootste uittocht vond plaats na 1948; na de val van de sjah emigreerde nog eens een grote groep. De vijandelijke houding van Teheran jegens Israel en zelfs de islamitische revolutie van ayatollah Khomeini hebben de Joden echter niet verdreven. De islamisering sinds 1979 heeft de Joodse identiteit juist versterkt: ging men vroeger in Joodse kring gewoon naar een islamitische school, nu kiest men eerder voor joodse onderwijs. Er is een uitgebreide Joodse infrastructuur met 40 synagoges, 10 scholen, koshere restaurants, bibliotheken, een eigen ziekenhuis en verzorgingstehuis; de gemeenschap heeft een zetel in het parlement en de afgevaardigde wordt ingezworen met gebruik van de eigen Hebreeuwse Bijbel.

Toch krijg je pas echt een beeld van het leven van een Jood in Iran als je bedenkt wat er allemaal niet kan. Joden kunnen geen hoge posities binnen de overheid bekleden. Op de Joodse scholen wordt – in het Hebreeuws – vier uur per week Joodse les gegeven door een lid van de Joodse gemeente, maar de scholen staan onder leiding van het ministerie van onderwijs en hebben een moslim-directeur. Het Jodendom kan vrijelijk worden beleden, maar de diensten worden geleid door een leek want een rabbijn kan niet worden benoemd. Over Israel wordt niet gesproken, want “wij spreken niet over politiek”. Maar het is vooral in de dagelijkse omgang met de bureaucratische overheid dat Joden het leven wordt zuur gemaakt. Talrijk zijn de kleine pesterijen waardoor het leven Joden net wat moeilijker wordt gemaakt, al gaat het maar om de publicatie van een boek waarvoor de toestemming op zich laat wachten. Joden die een paspoort aanvragen moeten daarvoor naar een speciaal kantoor en worden vanaf het moment van aanvraag in de gaten gehouden. Een reis naar het buitenland met familieleden behoort overigens al helemaal niet tot de mogelijkheden.

En dan is er natuurlijk het ‘gewone antisemitisme’. Overheidspublicaties maken met regelmaat gebruik van antisemitische propaganda, zoals de beruchte Protocollen van de Wijzen van Zion en revisionistisch materiaal. Sinds de islamitische revolutie hebben enkele Joden de beschuldiging dat zij voor Israel spioneerden met de dood moeten bekopen. In totaal zijn er sinds 1979 dertien Joden ter dood gebracht. Voor de Iraanse Joden blijft het, ook met een historie van 2700 jaar in dit land, vooral een kwestie van niet te veel opvallen, ook onder Khatami.