Samenleving went aan antisemitisme

CIDI in jaaroverzicht: Samenleving went aan antisemitisme

De bekladding van de Joodse begraafplaats deze week in Zaltbommel en vorige week in Oosterhout hebben tot veel verontwaardiging geleid. Zij bevestigen de conclusie van CIDI in zijn jaaroverzicht antisemitische incidenten, dat waakzaamheid geboden is, opdat er in Nederland geen klimaat ontstaat, waarin antisemitisme geaccepteerd wordt en kan gedijen. CIDI baseert deze conclusie op het toegenomen aantal incidenten in 2000 ten opzichte van 1999. Ook de aard ervan is ernstiger.

Er waren 6 synagogen (bij één werd een dienst verstoord, bij een andere vond brandstichting plaats) en twee begraafplaatsen doelwit, er waren 6 incidenten met fysiek geweld of dreiging met geweld. In Woudenberg werd een Joodse jongen afgetuigd. In 1999 was niet eenmaal een synagoge doelwit, er werd een begraafplaats beklad en er vond 1 incident met geweld plaats. Het aantal antisemitische brieven en de bekladdingen namen toe. Er vonden 32 scheldpartijen plaats. Eén was zo ernstig (in Drenthe) en langdurig dat de slachtoffers uiteindelijk besloten te verhuizen. In 1999 vonden 17 scheldpartijen plaats. In 2000 werd 20 maal de Hitlergroet gebracht; tegenover tien in 1999. Veel uitingen zijn direct op Joodse doelen gericht, zoals de bekladding van synagogen, het zenden van brieven en faxen naar Joodse instellingen. Dit in tegenstelling tot bv. een hakenkruis met een antisemitisch leus op een willekeurige plek. Van de 550 meldingen die het Meldpunt Discriminatie Internet ontving werd bijna de helft (203) als antisemitisch beoordeeld.

Er bestaat klaarblijkelijk een duidelijk verband tussen antisemitische uitingen en actuele gebeurtenissen, zoals de restitutie van Joodse tegoeden en het geweld tussen Israel en de Palestijnen. In een brief aan CIDI: ‘…Het is graaien, graaien, graaien…De Joden maken het er zo zelf naar, dat mensen antisemitische gevoelens gaan krijgen’; het aantal antisemitische uitingen bij synagogen in het begin van de tweede intifada (eind september) en de brieven waarin aan het Israelische optreden worden gerefereerd, zoals de e-mail aan het Centraal Joods Overleg: ‘Het is toch eigenaardig om te zien hoe sommige groepen erin slagen zogenaamde vooroordelen te bevestigen…Gezien het gedrag van de kolonist in Israel is er blijkbaar ook wat geleerd in de oorlog van de Duitser’.

Opmerkelijk is het aantal antisemitische uitingen, waarbij vooral leden van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland betrokken zijn. In dit kader werden 13 incidenten gemeld en er vonden mede vanuit deze gemeenschap drie demonstraties plaats, waarbij antisemitische leuzen werden geroepen of antisemitische symbolen werden meegevoerd.

Oorzaak van dit fenomeen lijkt op de eerste plaats het uitbreken van de intifada te zijn, die vanzelfsprekend in deze gemeenschap solidariteitsgevoelens met de Palestijnen oproept. De meeste incidenten vinden inderdaad na die datum plaats. Niettemin is het opmerkelijk dat in deze mate Joden het doelwit vormen. Vermoedelijk is er meer aan de hand. Vrij Nederland van 24 maart 2001 wijst in dit verband ook op de invloed van ophitsende Arabische zenders, het feit dat het mogelijkerwijs veelal om probleemjongeren gaat die provoceren en de invloed van het religieus-antisemitisme in Marokko.

Er lijkt sprake te zijn van een gewenningsproces, dat verband zou kunnen houden met de mate waarin de politie optreedt en grenzen legt van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar wordt gevonden.

De Nederlandse trend wijkt niet af van de constatering van het Institute for the Study of Antisemitism and Racism die ook internationaal een toename van antisemitische incidenten constateert, met name in landen met een grote Moslimgemeenschap.