Sharansky herstelt rechten van Palestijnen in Oost-Jeruzalem

Minister van Binnenlandse Zaken Natan Sharansky herriep deze week de maatregelen die de afgelopen drie jaar de Palestijnse inwoners van Jeruzalem van hun rechten hadden beroofd om in de Israelische hoofdstad te wonen. Volgens de oude regeling mochten Palestijnse inwoners van Jeruzalem niet meer naar de stad terugkeren indien zij er langer dan zeven jaar niet hadden gewoond.

Ook zijn de regelingen veranderd voor de Palestijnse ingezetenen van Jeruzalem die het Israelische staatsburgerschap willen hebben. Tot nu toe moesten zij daarvoor hun Jordaanse staatsburgerschap opgeven, hetgeen onder de Jordaanse wet vrijwel onmogelijk is. Onder de nieuwe regeling hoeven zij alleen te laten zien dat zij al het mogelijke hebben gedaan om van het Jordaanse staatsburgerschap af te komen.

In 1996 verloren 689 Palestijnse inwoners van de stad hun permanente verblijfsvergunning. In 1997 waren dat er minstens 606. In 1998, diende Moked – het Centrum voor de verdediging van de rechten van het individu – een petitie in bij het Hooggerechtshof, waarin het de regering ervan beschuldigde zonder waarschuwing vooraf het beleid ten aanzien van de rechten van deze Palestijnen te hebben veranderd.

Na de Zesdaagse Oorlog bood Israel de Palestijnen van Oost-Jeruzalem het staatsburgerschap aan. De overgrote meerderheid werd, toen zij dit aanbod afwees, permanent ingezetene van Israel. In 1985 bepaalde het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat de vergunning zou verlopen indien de bezitter Israel verlaat en zich (langer dan zeven jaar ) buiten Israel vestigt of de nationaliteit van een ander land aanneemt. De tien daaropvolgende jaren werd een consistent beleid gevoerd. Diegenen die van tijd tot tijd terugkwamen deponeerden bij vertrek hun identiteitskaart bij de gemeente en kregen deze bij terugkomst weer terug. Zonder waarschuwing vooraf werd dit beleid in 1995 gwijzigd. De bezoeken aan Israel zetten de zevenjaarsklok niet meer stil. Dat gold zelfs voor Palestijnen die op de Westoever gingen wonen en zeer regelmatig naar Jeruzalem kwamen. Veel Palestijnen die hun verblijfsrechten verloren dienden de afgelopen jaren verzoeken in bij het Hooggerechtshof.

Er zit nog wel een aantal haken en ogen aan Sharansky’s besluit. Allereerst is nog niet duidelijk of in het verleden verloren rechten zullen worden hersteld. Evenmin is duidelijk of het nieuwe beleid wettelijk vastgelegd gaat worden. Een woordvoerder van de Israelische mensenrechtenorganisatie B’tselem – volgens welke organisatie zelfs 2200 Palestijnen de afgelopen drie jaar hun rechten hebben verloren – zei daarover bezorgd te zijn. Zolang het nieuwe beleid geen wet wordt, kan elke Minister van Binnenlandse Zaken immers de bepalingen weer veranderen. Bronnen bij het Ministerie van Justitie – het besluit kwam tot stand in overleg met Minister van Justitie Beilin en Chaim Ramon die Minister is in het Bureau van de Premier, verantwoordelijk voor Jeruzalem – hebben echter laten weten er alles aan te doen dat toekomstige Ministers van Binnenlandse Zaken de nieuwe bepalingen niet kunnen interpreteren zoals het hun uitkomt.

Sharansky zei over zijn beslissing: "Het [oude beleid] was onpraktisch en diende geen enkel doel. Ik ben blij dat we er vandaag een eind aan hebben gemaakt. Als iemand die gelooft dat Jeruzalem onder Israelische soevereiniteit moet blijven, meen ik ook dat wij moeten zorg dragen voor ieders rechten, zowel voor degene die in Oost- als voor die in West-Jeruzalem woont.