Sharon onschuldig aan tweede Intifada

In november vorig jaar werd een internationale commissie aangewezen die een onderzoek moest gaan verrichten naar de oorzaken van de eind september 2000 begonnen golf van bloedig Palestijns-Israelisch geweld. Israel en de Palestijnse Autoriteit (PA) hadden vooraf beiden ingestemd met het uitvoeren van zo’n onderzoek.

De commissie werd samengesteld uit de voormalige Turkse premier Suleyman Demirel, de Noorse minister van Buitenlandse Zaken Thorbjorn Jagland, de voormalige Amerikaanse senator Warren Rudman en EU-vertegenwoordiger Javier Solana en kreeg als voorzitter de voormalige Amerikaanse senator George Mitchell.

De Mitchell-commissie verzocht Israel en de PA om vóór 30 december schriftelijk hun visie op de gebeurtenissen te geven. Israel voldeed op 29 december aan dat verzoek. Het was de bedoeling dat de inhoud van de rapporten geheim zou blijven en dat uiteindelijk alleen het eindrapport van de onderzoekscommissie zelf in de publiciteit zou worden gebracht. De Palestijnse Autoriteit schond die afspraak en als antwoord daarop liet premier Barak op 1 februari ook de Israelische rapportage openbaar maken.

Het Israelische rapport omvat zo’n 80 pagina’s tekst, foto’s en statistieken en toont gedetailleerd aan dat de PA het geweld heeft gepland, georganiseerd en zelfs voor een deel uitgevoerd. Ook wordt uitgebreid ingegaan op de talloze en structurele Palestijnse schendingen van de Oslo-akkoorden, waardoor de basis van het vredesproces, een duurzame oplossing van het conflict met vreedzame middelen, volledig werd ondergraven. Voorbeelden daarvan zijn: de vijandige propaganda en ophitsing tot geweld (via de Palestijnse media, scholen en religieuze instellingen), de opbouw van een Palestijnse strijdmacht en de bewapening daarvan, en het niet bestrijden van terroristische organisaties. Bovendien wijst het rapport op de directe betrokkenheid van officiële Palestijnse functionarissen en diensten bij het geweld tegen Israelische doelen.

In het rapport komt ook de ‘lont in het kruitvat’ aan de orde, het bezoek van Ariel Sharon aan de Tempelberg op 28 september 2000. De Israelische conclusie is dat de toenmalige oppositieleider niets te verwijten valt. Er is voorafgaand aan het bezoek zelfs overleg geweest tussen de Israelische minister van Binnenlandse Veiligheid Shlomo Ben-Ami en de Palestijnse veiligheidschef Jibril Rajoub. De laatste had Ben-Ami laten weten geen bezwaar te hebben zolang Sharon de moskeeën op de Tempelberg niet zou betreden, hetgeen hij ook niet heeft gedaan.