Antisemitismerapport 2007

incidentWerkvloerNa een uitzonderlijke piek in 2006, laat het jaar 2007 een forse daling zien van antisemitische incidenten in Nederland. Het aantal is zelfs lager dan het niveau van 2005. Een verheugend resultaat, waar echter wel kanttekeningen bij geplaatst kunnen worden. Omdat bovendien de gegevens voor de jaarlijkse rapportage door het CIDI dit jaar pas zeer laat compleet waren, volstaan wij met een kritisch tussentijds overzicht. Het volledige overzicht van incidenten vindt u in het rapport van komend jaar over de jaren 2007 en 2008.

Oorzaken

Het jaar 2007 laat in Nederland en ook daarbuiten een sterke daling van antisemitische incidenten zien. Zeker ten opzichte van 2006, toen het aantal juist met 64% was gestegen naar 261 meldingen. Voor 2007 is het aantal meldingen met 104 opnieuw gedaald, zelfs nog onder het niveau van 2005 (159).

Een belangrijk deel van deze daling is te herleiden tot de categorie e-mails: in 2006 werden er, veelal naar aanleiding van de derde Libanonoorlog, 132 antisemitische e-mails gemeld tegen slechts vijf in 2007. Hoewel internationaal (bijvoorbeeld door The Stephen Roth Institute for the Study of Contemporary Antisemitism and Racism van de Universiteit van Tel Aviv) een eventueel verband tussen het conflict in het Midden-Oosten en antisemitisme daarbuiten de laatste tijd ter discussie wordt gesteld, blijkt dit verband er in Nederland toch wel degelijk te zijn. Voor de goede orde wijzen wij erop dat het regelmatig verzenden van antisemitische emails door één persoon als een enkel incident wordt geteld. Incidenten die uitsluitend beledigend zijn voor Israel, hoe rabiaat ook, telt het CIDI niet mee in de monitor van antisemitisme.

Overigens is er een daling over de gehele linie; ook andere categorieën incidenten laten een daling zien. Art.1, de op 1 januari 2007 gestarte landelijke vereniging tegen discriminatie (met de voormalige Anti-Discriminatie Bureaus), meldt een vergelijkbare daling. De ADB’s registreerden 94 meldingen van antisemitisme in 2005; na een stijging in 2006 (132 klachten) is het aantal in 2007 gedaald naar 72. Het al tien jaar bestaande Landelijk Expertise Centrum Discriminatie, dat zich bij het Openbaar Ministerie bezighoudt met de strafrechtelijke handhaving, komt met vergelijkbare cijfers voor het aantal zaken dat de arrondissementsparketten heeft bereikt (hierover verderop meer).

Een uitzondering op deze trend vormen de meldingen over antisemitisme op het internet, die slechts een geringe daling laten zien. Met 371 meldingen ligt het aantal incidenten voor 2007 bovendien hoger dan 2005, toen er 302 meldingen waren (ook de stijging in 2006, met 463 internetmeldingen, was minder scherp dan bij het CIDI en de ADB’s). Hierover verderop meer.
Onderrapportage

Hoewel de daling van het aantal meldingen verheugend is, zijn daar de nodige kanttekeningen bij te maken. Het CIDI merkt elk jaar op dat het aantal gemelde incidenten slechts een deel is van alle incidenten die hebben plaatsgevonden – maar welk percentage incidenten niet wordt gemeld is uiteraard onbekend en kan van jaar tot jaar verschillen.

Antisemitische en andere racistische incidenten zijn pijnlijk en vernederend – in de eerste plaats voor het slachtoffer, maar ook voor de maatschappij die blijkbaar niet in staat is zichzelf te beschermen tegen dit soort incidenten.
De meeste mensen denken naderhand liefst zo min mogelijk terug naar zo’n onaangenaam incident. Negeren is een veel toegepaste ‘coping’ strategie om stress door onaangenaamheden te verminderen.
Het idee dat melden niet helpt blijkt een van de belangrijkste redenen om geen melding te maken van discriminatie. Trage of ondoorzichtige afhandeling door Justitie heeft daar een negatieve invloed op. Ook andere factoren spelen een rol. De toon van het maatschappelijk debat bijvoorbeeld (‘kunnen zeggen wat je denkt’), en het ‘gewoon worden’ van antisemitische scheldwoorden.

Er zijn aanwijzingen dat juist in 2007 antisemitische incidenten zo veel mogelijk genegeerd werden door iedereen die ermee te maken kreeg.
Meldingen

Slachtoffers melden ze vaak niet. Komt een gesprek in Joodse kring toevallig op het niet melden van incidenten, dan is de reactie maar al te vaak: “Ja nu je het zegt, mij is toevallig laatst ook iets gebeurd dat ik niet heb gemeld.” Het gaat dan niet bepaald om kleinigheden. Het volgende incident deed zich al in juni 2007 voor, maar werd pas in september 2008 ‘terloops’ gemeld bij het CIDI:

Melder, die werkzaam was bij Fortis, maakte in het bijzijn van zijn 8 collega’s een opmerking die één van hen te kritisch vond. De man riep: “Hou je kop!” Melder: “Als je zo doet ga ik even weg, dan kan je afkoelen.” Terwijl melder inderdaad wegliep, riep de collega hem achterna: “En loop maar gelijk door naar de gaskamers!” Nadat melder hierover klaagde bij de bedrijfsleiding moest de collega excuses aanbieden, maar hij deed dit niet echt. Melder: “Hij zei alleen ‘Dat had ik niet moeten zeggen’, maar hij had moeten zeggen: ‘dat had ik niet moeten zeggen, sorry’. Dat deed hij niet.” Melder wilde er geen punt van maken om de verhoudingen niet verder te verstoren. Fortis beschouwde het incident als afgewikkeld, melder niet.

 

Justitie

Aangiftes

Politieagenten schrijven een aangifte soms niet of met tegenzin op.

Kort voor het verschijnen van dit artikel werd er in Amsterdam op Sjabbat een Joodse jongen aangevallen en getrapt door drie Marokkaanse leeftijdgenoten. De jongen droeg een keppel. Twee van zijn belagers hadden hem eerder uitgescholden voor ‘kankerjood’. Die avond toen Sjabbat uit was, wilde de jongen aangifte doen van dit voorval. Maar de agenten op het politiebureau aan de Van Leijenberghlaan stonden blijkbaar niet te trappelen om de daders op te sporen. Zij konden de aangifte niet opnemen, want zij hadden geen tijd. Die avond niet, en zelfs de eerste tien dagen niet. Pas nadat het CIDI dit in de publiciteit bracht, kon de jongen wel eerder aangifte doen en verontschuldigde de commandant van het bureau zich.

 

Vervolging

Wordt een aangifte wel opgeschreven, dan hoort de melder er vaak niets meer over. Veel incidenten vinden ‘en passant’ plaats op straat en kunnen niet worden vervolgd: “In Amsterdam zijn de meeste zaken ‘dader onbekend’,” zegt Jessica Silversmith van het ADB Amsterdam.

Ook bij goed gedocumenteerde aangiftes komt het in veel gevallen niet tot een rechtszaak. In 2007 is niet één aangifte van het Meldpunt Discriminatie Internet voor de rechter gebracht, meldt het jaarverslag van het MDI: “Al sinds haar oprichting in 1997 constateert het MDI, dat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie op het internet tekort schiet. De afgelopen jaren leek er soms enige verbetering op te treden, maar 2007 was een dieptepunt.” Wel meldt het MDI dat het ‘in een aantal belangrijke zaken activiteit (heeft) waargenomen en hoopt dat deze zaken op korte termijn leiden tot succesvolle vervolging’, maar juist nu is dit een kwalijke ontwikkeling.
De Zevende monitor racisme en extremisme had juist in december 2006 geconcludeerd: “Extreemrechtse politieke partijen in Nederland zijn momenteel van weinig betekenis. Des te belangrijker zijn rechtsradicale uitingen op internet, extreemrechtse gabbers en verdere radicalisering waardoor hardere, tot geweld geneigde neonazigroepen ontstaan. Deze situatie vraagt om een nieuwe aanpak, zoals het actief stimuleren van deradicalisering. Tegelijkertijd kan het strafrecht beter worden benut. Dit laatste geldt tevens in het algemeen voor de strafrechtelijke bestrijding van discriminatie. Het wettelijk kader is op orde, maar de toepassing schiet te kort.”
Zie over dit laatste ook de conclusies van het LECD onder ‘Vrijspraken’.

Lacune

Ook aan het wettelijk kader ontbreekt nog wel iets. Wordt een klacht geseponeerd, dan kan de klager hiertegen in beroep gaan. Maar als het Openbaar Ministerie alsnog van het Gerechtshof opdracht krijgt een zaak te onderzoeken en vervolgen, onderneemt het OM vaak nog steeds niets en blijkt dat er geen manier is om actie af te dwingen. Dit is een merkwaardige lacune in het strafrecht. Een frappant voorbeeld is de zaak tegen de rapgroep Nieuwe Allochtonen Generatie (NAG), die loopt sinds het CIDI op 6 juni 2003 aangifte deed tegen deze groep wegens het ten gehore brengen en actief op internet verspreiden van het nummer ‘Kankerjoden’. Het nummer zet aan tot haat tegen Joden met o.a. de tekst: “Fuck die Joden, die Joden, de allochtonen zullen jullie komen doden”.

Op 11 november 2003 laat de Officier van Justitie weten dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de maker(s) en verspreider(s) van de rap op te sporen. Dat is vreemd, omdat één van de makers zich uit eigen beweging bij de politie heeft gemeld en informatie heeft verstrekt over de identiteit van de verspreider van het rapnummer. Ook het actualiteitenprogramma Netwerk wist een lid van NAG al snel voor de camera te krijgen. Een jaar later, op 21 oktober 2004, schrijft de Officier van Justitie niet tot vervolging over te willen gaan wegens gebrek aan bewijs.
Het CIDI dient op 23 december 2004 een klaagschrift in ex art. 12Sv met het verzoek alsnog opsporingsonderzoek te verrichten en vervolging in te stellen. Op 28 juni 2006 beveelt het Hof te Amsterdam de Officier van Justitie om vervolging in te stellen tegen twee van de drie verdachten in de zaak tegen de Nieuwe Allochtonen Generatie (NAG).
Op 18 januari 2007 wordt één van de verdachten gehoord door de kinderrechter, omdat hij ten tijde van het delict minderjarig was. Daarna heeft het CIDI niets meer van de zaak vernomen.

In deze zaak – er zijn nog minimaal twee andere zaken waarbij hetzelfde gebeurde – zijn er dus al vijf jaar verstreken sinds het CIDI aangifte deed. Het effect daarvan mag niet onderschat worden. Want wie na vijf jaar (steeds) opnieuw begint over een dergelijk incident – waarbij immers niemand dood is gegaan -, krijgt al snel het verwijt dat het toch wel wat overdreven is om hier naar vijf jaar nog over te zeuren. Het CIDI laat niet los. Maar menigeen zou aan zichzelf gaan twijfelen.
Vrijspraken

Een andere aanwijzing dat er nog wel iets kan verbeteren aan de afhandeling van discriminatiezaken komt van het Landelijk Expertise Centrum Discriminatie. In een rapportage over tien jaar concludeert het LECD onder meer: “Opvallend is dat het aantal vrijspraken voor discriminatiezaken gemiddeld over tien jaar een stuk hoger ligt dan dat voor alle strafzaken die voor de rechter worden gebracht. Een verklaring voor dit relatief hoge aantal zou kunnen liggen in factoren als de zware bewijslast (..) en de (..) aansporing om discriminatiezaken aan te brengen. Dat kan er toe leiden dat in zaken met weinig bewijs de verdachte toch wordt gedagvaard. Daarnaast zou ook de soms geringe deskundigheid en ervaring bij officieren en rechters in de beoordeling van discriminatiezaken een rol kunnen spelen” (cursivering van mij, EF). En: “Geconstateerd kan worden dat de werkstraffen vrijwel nooit verband houden met het gepleegde discriminatiefeit en dat ook de leerstraf sporadisch wordt opgelegd.”
Eigen schuld?

Antisemitische scheldwoorden die tot voor kort een storm van verontwaardiging wekten, beginnen steeds meer het karakter te krijgen van een algemene krachtterm.

Zo werd in augustus 2007 Ehsan Jami, voormalig voorzitter van het inmiddels opgeheven Comité voor Ex-Moslims (en dus overduidelijk niet Joods), tijdens een mishandeling door drie islamitische mannen – vanwege zijn kritiek op de Islam – uitgescholden voor ‘kankerlandverrader’ en ‘kankerjood’.

In het kielzog van die ontwikkeling lijkt er binnen de Joodse gemeenschap een gewenning op te treden aan een zekere hoeveelheid antisemitisme. Steeds meer mensen laten ter wille van hun gemoedsrust het principiële – en correcte, maar helaas problematische – standpunt los ‘dat iedereen ongestoord met een keppel over straat moet kunnen lopen’. De keppel wordt vaker bedekt met een hoed of pet en binnen het gebied waarin op Sjabbat gedragen mag worden verdwijnt hij in sommige kringen ook steeds vaker in de zak. Dat kan aanleiding zijn voor ‘misverstanden’.

De fietsenmaker tegenover de kosjere pizzeria aan de Amsterdamse Kastelenstraat zegt over zijn bouvierachtige hond met stekelhalsband tegen een niet herkenbaar Joodse man en diens zevenjarig dochtertje: “Nee, het is geen bijter. Maar die Joden met die klotjes en die draden die hier allemaal langs lopen, die lust hij rauw.”

Dit gebeurde eerder dit jaar, maar werd ook pas later, terloops gemeld bij het CIDI.

Juist de groep die om religieuze overwegingen herkenbaar blijft, is het minst geneigd aangifte te doen. “Kwetsbare groepen doen over het algemeen geen aangifte van misdaden en zeker niet van hate crimes. Wat betreft antisemitische incidenten hebben wij geconcludeerd dat overlevenden van de sjoa in vrome gemeenschappen in Londen en Manchester, om voor de hand liggende redenen, een ingebakken wantrouwen koesteren jegens de politie. Het kost veel inspanning om hier verandering in te brengen”, zei Michael Whine in september dit jaar op een conferentie van het Stephen Roth Institute over het signaleren van antisemitisme. (Michael Whine is directeur Beleid en Internationale betrekkingen van de beveiling voor de Joodse Gemeente in Londen en adviseert het Europees Instituut voor Onderzoek naar hedendaags Antisemitisme.)

Dat meer mensen uit zelfbescherming ‘onzichtbaar’ worden, kan bovendien gevolgen hebben voor de houding van justitie jegens degenen die wel ‘herkenbaar Joods’ blijven.
In een artikel over gronden van discriminatie (2008) wijst prof. mr. J.H. Gerards, hoogleraar Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit van Leiden, erop dat de onveranderlijkheid van een onderscheidingscriterium vaak zwaar weegt. “Het wordt onredelijk gevonden dat mensen worden achtergesteld vanwege persoonskenmerken waaraan zij niets kunnen doen, zoals ras, geboorte of geslacht. Als het gaat om kenmerken waarvoor wel een vorm van individuele verantwoordelijkheid aanwezig is, wordt hierover vaak anders gedacht. In dat laatste geval is er immers een keuze mogelijk, zodat het voor mensen mogelijk wordt om aan een minder voordelige behandeling te ontsnappen. Onderscheid op dit soort ‘keuzegronden’ wordt dan ook vaak als minder ernstig gezien”, constateert zij. Vertaald in normaal Nederlands, wordt dit (ook in sommige Joodse kringen): ‘eigen schuld, moet hij maar niet met een keppel door de stad lopen’.

Het is de vraag in hoeverre je van mensen kan eisen dat zij bijvoorbeeld geen keppel dragen om aan discriminatie te ontsnappen. In de rechtspraak geldt in dit verband dat ‘van een individu mag niet worden verwacht dat hij zijn eigen overtuigingen en geweten geweld aandoet – de gewetensvrijheid moet geacht worden, net als persoonskenmerken als ras en geslacht, volledig en onaantastbaar onderdeel uit te maken van iemands individualiteit’, stelt Gerards. Maar zo ver denken veel gewone mensen helaas niet door. Het moet duidelijk zijn en blijven: het dragen van een keppel is géén uitnodiging voor antisemitisme. Kritiek op en discussie over religie moeten mogelijk zijn, maar als een hele groep (bijvoorbeeld ‘keppeldragers’) op grond van zijn religie bepaalde kenmerken krijgt opgeplakt en zelfs uitgescholden of aangevallen wordt, is dat zonder meer ontoelaatbare discriminatie.
Maatschappelijk belang

Ondanks de verheugende daling van antisemitische incidenten in 2007 kan er dus nog het een en ander verbeteren, zowel aan de meldingsbereidheid bij de Joodse gemeenschap zelf als – en dit zou de meldingsbereidheid aanzienlijk verbeteren – aan de juridische afhandeling van klachten en aangiften.

Een juist beeld en een effectieve aanpak van antisemitisme zijn niet alleen van belang voor de Joodse gemeenschap zelf. Antisemitisme geldt als een goede graadmeter voor de waarden die in een maatschappij gelden en voor haar houding jegens minderheden. Bij een onderzoek dat het Pew Research Center (Washington) dit voorjaar hield in de VS, zes Westeuropese en twee Oosteuropese landen, bleek dat negatieve houdingen jegens Joden en moslims stijgen en dat er een sterke correlatie is tussen die twee; in de VS en Westeuropa is die correlatie 80%.

Het CIDI laat niet los. Het blijft ijveren om het melden van antisemitisme te verbeteren, het blijft aandringen op een effectievere aanpak door Justitie. En – niemand dweilt graag met de kraan open – wij blijven initiatieven ontwikkelen en uitvoeren om antisemitisme en ander racisme te voorkomen door voorlichting en onderwijs.