UNRWA houdt Palestijnse illusies in stand

UNRWA houdt Palestijnse illusies in stand en is een struikelblok in het Israelisch-Palestijnse conflict.

Stelt u zich eens voor dat de Hongaarse vluchtelingen van 1956 nooit toestemming hadden gehad de asielzoekerscentra te verlaten. En hun kinderen en (achter)kleinkinderen ook niet. Dat ze tot de dag van vandaag naar aparte scholen gaan en een Hongaars lesprogramma volgen. Dat ze, met uitzondering van een paar ‘gelukkigen’ die een baan krijgen bij het COA, geen werk kunnen krijgen. En dat hen al generaties wordt verteld dat ze ooit naar hun huizen in Hongarije terug kunnen keren, en dat hier al generaties niets van komt.

Dit is wat UNRWA, het VN-agentschap voor de Palestijnse vluchtelingen, is. Met dien verstande dat de UNRWA-“vluchtelingenkampen” meer op stedelijke buitenwijken lijken dan op asielzoekerscentra, laat staan op tentenkampen uit de collectieve verbeelding.

De discussie over UNRWA behelst twee onderwerpen: het recht van de Palestijnen om eeuwig hulp te ontvangen van de wereldgemeenschap en de Palestijnse claim op het recht op terugkeer. Het eerste is moreel en praktisch onjuist. Het tweede vormt een groot struikelblok voor een oplossing van het Israelisch-Palestijnse conflict.

Mijn vader was ook een vluchteling. Hij vluchtte naar Rusland in 1939, weer terug naar Polen in 1946, en in 1948 tenslotte naar Israel, waar hij een nieuw leven kon opbouwen. Net als talloze andere Joodse vluchtelingen in Israel uit grote delen van Europa en vrijwel de gehele Arabische wereld.
Na de Tweede Wereldoorlog waren er miljoenen vluchtelingen in Europa en Oost-Azië. Veel ontheemde Europeanen (displaced persons, waaronder vele Joodse overlevenden) vluchtten van oost naar west en naar ‘de nieuwe wereld’. Vrijwel allemaal bouwden ze in hun ‘nieuwe vaderland’ een nieuw leven op, soms na veel rondzwervingen. Vaak koesteren ze nog nostalgische herinneringen over hun land van herkomst – dat inmiddels sterk veranderd is. De displaced Palestijnen van 1948-1949 zijn de enigen die niet alleen een eigen vluchtelingenorganisatie hebben, maar ook de enigen die er, soms al vijf generaties lang, voor hun basisbehoeften van afhankelijk zijn.

Van de circa 700 duizend vluchtelingen van toen (1948-1949) zijn nog zo’n 20 duizend in leven. Door de bepaling dat de vluchtelingschap overerfbaar is, telt UNRWA nu bijna het zevenvoud, ruim vijf miljoen (!) “Palestijnse vluchtelingen”. Niet zijzelf, maar de wereldgemeenschap draait op voor hun levensonderhoud. Al 70 jaar lang.

De Arabische gastlanden hebben de integratie van de Palestijnse vluchtelingen al die tijd tegengehouden. Zo worden de Palestijnse vluchtelingen en hun nakomelingen gereduceerd tot onderhandelingstroef in het politieke spel met Israel.
Dit verklaart voor een deel de vijandschap van de Arabische buren ten aanzien van de vluchtelingenkampen (in Libanon, Jordanië en tot voor kort Syrië). De Libanese film “The Insult” (2017) geeft er een indringend beeld van, en illustreert de demografische complexiteit van het gehele Midden-Oosten.

De “UNRWA-Palestijnen” hadden allang in hun land van verblijf volledige rechten en plichten moeten krijgen. Dit staat los van de discussie over recht op terugkeer. De wens om terug te keren naar dorpen en huizen in het huidige Israel is, hoe begrijpelijk ook, zeventig jaar na dato onrealistisch. Omdat ze verwoest zijn, omdat andere vluchtelingen er zijn gaan wonen, of omdat de geschiedenis ze heeft ingehaald, zoals in vele gebieden over de hele wereld is gebeurd.

Daarom is de ‘mars van terugkeer’ vanuit Gaza zo destructief. De Palestijnen in de Gazastrook zullen niet terug kunnen keren, evenmin als die op de Westelijke Jordaanoever en elders. Dit is de kern van de twee-statengedachte. Voor de Palestijnse vluchtelingen zal een alternatief moeten worden gevonden. Zo lang de Palestijnen dit niet accepteren zal het conflict niet kunnen worden opgelost. Daarom mislukken de vredesonderhandelingen steeds, eerst met de Palestijnse leider Arafat en nu met Abbas, die bovendien weigert Israel als een Joodse staat te accepteren. Het toont ook de blindheid van vele sympathisanten van de boycotbeweging, voor wie niet alleen de Westelijke Jordaanoever, maar heel Israel ‘bezet’ is.

Het onmiddellijk ontmantelen van UNWRA is echter ook geen goed idee. Het agenderen van dit onderwerp en daaraan beginnen te werken des te meer. Want uiteindelijk zijn de Palestijnen niet gebaat bij een eeuwig infuus van UNWRA en is een duurzaam vredesbestand alleen mogelijk als men realistische uitgangspunten accepteert.