Veel vragen om zwarte lijst VN in politiek Den Haag

In politiek Den Haag zijn veel vragen ontstaan omtrent de publicatie van een VN-zwarte lijst van bedrijven die zaken doen in Israëlische nederzettingen. Minister Blok noemt de lijst een voorbeeld van eenzijdige gerichtheid op Israël, en verschillende Kamerfracties hebben vragen ingediend.

Vorige week heeft het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) de langverwachte zwarte lijst gepubliceerd van bedrijven die zaken doen met Joodse nederzettingen op de Westoever. De lijst, opgesteld in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad, noemt 112 bedrijven, waarvan vier Nederlandse.

Nederland heeft zich in de Mensenrechtenraad van de VN verzet tegen de publicatie van de lijst, zo meldt de NOS. De Nederlandse regering had eerder al laten weten tegenstander te zijn van een dergelijke database. Toen in 2016 werd gestemd over het opstellen van de lijst, onthielden Nederland en de rest van de Europese Unie zich van stemming.

Volgens minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok is sprake van “disproportionele” gerichtheid tegen Israël. Een woordvoerder laat weten dat de minister binnenkort bij de Mensenrechtenraad in Genève opnieuw duidelijk zal maken dat Nederland niet eens is met de lijst.

Gevolgen voor Nederlandse bedrijven?

Verschillende Kamerfracties – SP, PvdA, DENK, SGP, CU en PVV, hebben Kamervragen ingediend naar aanleiding van de lijst. Zowel Kirsten van den Hul (PvdA) als Tunahan Kuzu (DENK) willen weten welke gevolgen de database heeft voor de Nederlandse bedrijven die daarin genoemd worden. Sadet Karabulut (SP) acht het ongewenst dat Nederlandse bedrijven zaken doen in Israëlische nederzettingen en vraagt de ministers de bedrijven aan te spreken.

Kuzu stelt dat het van belang is dat de database “periodiek geüpdatet wordt”. Zo kunnen bedrijven toegevoegd of verwijderd worden, “afhankelijk van hun betrokkenheid bij nederzettingen”. Het DENK-Kamerlid suggereert dat dit bedrijven ertoe zou kunnen bewegen hun gedrag en activiteiten aan te passen.

‘Buitengewoon ernstige beschuldigingen’

In zijn Kamervragen haalt Kuzu ook reacties van de American Jewish Committee en de Israëlische ministers Gilad Erdan en Eli Cohen aan. Het gaat om beschuldigingen van antisemitisme richting de VN-Mensenrechtenraad. De DENK-voorman vindt dat “deze buitengewoon ernstige beschuldigingen onjuist en onacceptabel zijn” en vraagt ministers Blok en Kaag “daar nadrukkelijk afstand van te nemen”.

Bedrijven ‘verdienen alle steun’

Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) en Raymond de Roon (PVV) stellen “dat het hier minstens gaat om een sterke (internationaal-)politieke veroordeling”. De Kamerleden vrezen dat de zwarte lijst een “bruikbaar handvat” is voor de BDS-beweging, en willen weten wat de potentieel negatieve effecten zouden kunnen zijn voor de genoemde bedrijven. Hierbij betogen ze “dat bedrijven die actief zijn in de Palestijnse gebieden een belangrijke bijdrage leveren aan economische vooruitgang, werkgelegenheid, en waardevolle intermenselijke contacten, en daarom alle steun verdienen.” Van der Staaij, Voordewind en De Roon noemen de lijst dan ook contraproductief “als het gaat om perspectieven op vrede en verzoening”.

De Kamerleden van SGP, CU stellen dat de publicatie van de zwarte lijst in strijd is met het kabinetsstandpunt dat Nederland geen boycots tegen Israël steunt. Ze vragen minister Blok in VN-verband “op ferme wijze” afstand te nemen van de publicatie en zich in te zetten dat de lijst niet tot resoluties in de VN-Veiligheidsraad zal leiden. 

‘Één grote poppenkast’

De Roon vindt “dat de VN in het algemeen, en de VN-Mensenrechtenraad in het bijzonder, zeer selectief te werk gaat door notoire mensenrechtenschenders de hand boven het hoofd te houden en Israël buitenproportioneel aan te pakken”. Het PVV-Kamerlid vraagt minister Blok om uit de VN-Mensenrechtenraad te stappen, die hij “één grote poppenkast” noemt. In de door de minister toegezegde inzet op hervormingen van de raad ziet De Roon geen heil: “een blind paard kan zien dat de Raad zich niet laat hervormen”.