VN-resoluties over Irak en Israel zijn niet te vergelijken

Sinds de Iraakse invasie van Koeweit in 1990 hebben de Arabische landen de internationale gemeenschap steeds het meten met twee maten verweten als het gaat om het niet uitvoeren van VN-resoluties door respectievelijk Irak en Israel.

Ook in mediacommentaren en door sommige Nederlandse kamerleden wordt regelmatig gesuggereerd dat Israel ongestraft VN-resoluties aan zijn laars lapt, terwijl Irak wel tot gehoorzaamheid wordt gedwongen. Bij deze benadering wordt echter buiten beschouwing gelaten dat er fundamentele verschillen tussen de onderscheiden soorten VN-resoluties bestaan.

Zo zijn resoluties van de Algemene Vergadering (AV) niet bindende aanbevelingen, die een beeld geven van de politieke opvattingen die op een bepaald moment in dat wereldforum leven. Ook AV-resolutie 181 van 29 november 1947 (de zogenaamde ‘delingsresolutie’), die voorstelde Palestina (het gebied ten westen van de Jordaan) in een Joodse en een Arabische staat te verdelen en Jeruzalem en omgeving te internationaliseren, was juridisch gezien niet meer dan een aanbeveling. Die werd overigens door het zionistische leiderschap aanvaard en door de Arabieren met algemene stemmen afgewezen. Hetzelfde geldt voor resolutie 194 van 11 december 1948, waarin suggesties worden gedaan voor het oplossen van het Palestijns-Arabisch vluchtelingenvraagstuk (hervestiging elders in de Arabische wereld, compensatie, en repatriëring naar Israel onder bepaalde voorwaarden).

Resolutie 242

Vervolgens zijn er de wél bindende resoluties van de VN-Veiligheidsraad. Die kan men onderverdelen in resoluties onder respectievelijk de hoofdstukken VI en VII van het VN-Handvest. Hoofdstuk VI handelt over de ‘Vreedzame Regeling van Geschillen’. Resoluties die in het kader van dat hoofdstuk zijn aangenomen, worden ten uitvoer gelegd door onderhandelingen, het treffen van een schikking, of arbitrage tussen de bij het dispuut betrokken partijen.

De befaamde 242, van november 1967, is bijvoorbeeld zo’n ‘Hoofdstuk VI-resolutie’. De resolutie moet onder andere leiden tot ‘terugtrekking van Israelische troepen uit (de) gebieden’ die tijdens de Zesdaagse Oorlog door Israel werden veroverd. Bedoelde terugtrekking moet deel uitmaken van een in onderhandelingen tot stand gekomen regeling tussen Israel en zijn Arabische buren. De resolutie kan onmogelijk door Israel alleen worden uitgevoerd: er is een onderhandelingsproces vereist dat moet leiden tot veilige en door de buurlanden erkende grenzen van de Joodse staat. Te stellen dat Israel 242 weigert uit te voeren is daarom pertinent onjuist. Overigens heeft Israel zich al tientallen jaren geleden uit het grootste deel van de in 1967 bezette gebieden teruggetrokken. In het kader van het vredesverdrag met Egypte (1979) ontruimde Israel de Sinaiwoestijn en in het kader van de troepenscheidingsakkoorden met Syrië (1974) een deel van de Golanhoogvlakte.

Militaire maatregelen

De zwaarste resoluties van de Veiligheidsraad zijn die welke specifiek worden aangenomen onder Hoofdstuk VII van het Handvest: ‘Bedreigingen van de Vrede, Verbrekingen van de Vrede, en Daden van Agressie’. Toen Irak Koeweit binnenviel, bracht de Veiligheidsraad al zijn verdere resoluties inzake Irak (tot nu toe 59) onder hoofdstuk VII. De tenuitvoerlegging van deze resoluties is niet afhankelijk van eventuele Iraaks-Koeweitische onderhandelingen, omdat Irak zich duidelijk had schuldig gemaakt aan agressie. Bovendien treffen de resoluties uitsluitend Irak en wordt uitsluitend van dat land tenuitvoerlegging terzake geëist. ‘Het VN-Handvest voorziet uitsluitend in het kader van besluitvorming op grond van Hoofdstuk VII in dwangmaatregelen’, memoreerde minister De Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken in zijn brief van 25 september aan de Tweede Kamer. Artikel 42 van het VN-Handvest voorziet zelfs in het treffen van speciale militaire maatregelen als een resolutie onder Hoofdstuk VII door een agressor wordt genegeerd.

Het is in dat kader opmerkenswaardig dat Israel in verband met de Zesdaagse Oorlog van 1967 door de VN niet als agressor werd gekenschetst, en dat de Israelische acties als legitieme zelfverdediging werden beschouwd.