Vrede en de mythe van de overwinning

Dertig jaar na de Jom Kippoeroorlog

Conflicten worden doorgaans beëindigd met de overwinning van de ene en de overgave van de andere partij, waarbij de overwinnaar de vredesvoorwaarden dicteert. Dat dictum is momenteel goed zichtbaar in Irak, waar de Amerikanen analoog aan hetgeen ze in 1945 in Duitsland deden, een militaire bezetting combineren met de actieve wederopbouw en democratisering (volgens sommigen Amerikanisering) van het land.

In het Midden-Oosten werkt de logica echter niet altijd langs rechte lijnen. Het is daarom niet verbazend dat men met regelmaat Midden-Oostendeskundigen de paradox hoort verkondigen dat de Palestijnse Arabieren een militaire overwinning op Israel nodig hebben om vrede met de veel machtiger Joodse staat te kunnen sluiten. Die analyse is gebaseerd op de centrale rol die in de Arabische wereld wordt gespeeld door eer en waardigheid en hij heeft een historisch precedent.

Het was de bloedige Jom Kippoeroorlog van 6-24 oktober 1973, die een dusdanige verschuiving van de politieke realiteiten in het Midden-Oosten veroorzaakte dat een détente tussen Israel en Egypte mogelijk werd en daarmee het historische vredesbezoek van Anwar Sadat aan Jeruzalem (20 november 1977). Op 26 maart 1979 kwamen de landen een formeel vredesverdrag overeen.

De meeste deskundigen zijn het erover eens dat de Egyptische vredesstap alleen maar mogelijk was omdat het land in de Jom Kippoeroorlog zijn nationale eer had teruggewonnen. Met de succesvolle verrassingsoversteek van het Suezkanaal en het doorbreken van de als onverslaanbaar afgeschilderde Israelische verdedigingslinies, waren de vernederende nederlagen van drie eerdere oorlogen (1948-1949, 1956 en 1967) als het ware gewroken. De Oktoberoorlog, zoals de oorlog in de Arabische wereld wordt genoemd, wordt in Egypte jaarlijks als een grote overwinning gevierd, ook werd hij in objectief militair opzicht door de Egyptenaren verloren. Het Egyptische offensief werd door 80.000 soldaten uitgevoerd, terwijl slechts 500 Israelische verdedigers op die heiligste dag van het Joodse jaar in de Bar Lev-linies waren achtergebleven. De Egyptische amfibische oversteek was uitgedacht en voorbereid door Russische militaire adviseurs en de Egyptenaren bedienden zich van enorme aantallen splinternieuwe Russische antitank- en antivliegtuigraketten, waarop de Israeli’s in eerste instantie geen antwoord hadden.

Na een aanvankelijk voorspoedig verlopende opmars werden het Tweede en het Derde Egyptische leger echter door Israelische eenheden naar de oever van het Suezkanaal teruggedrongen, terwijl een Israelische tankdivisie onder leiding van generaal Ariel Sharon het kanaal in oostelijke richting overstak en naar Cairo oprukte. Het zou voor de Egyptenaren heel naar zijn afgelopen als de internationale gemeenschap, met de Russen voorop, toen niet zou hebben ingegrepen. Het Derde Egyptische leger was volledig omsingeld, het Tweede was langs de noordelijke over van het Suezkanaal vastgezet, en de weg naar Cairo lag voor de Israeli’s open. De mythe van de Egyptische overwinning kon postvatten omdat Israel op 24 oktober onder Amerikaanse druk akkoord ging met een wapenstilstand en bijgevolg geen uitvoering gaf aan de voor de hand liggende militaire vervolgopties: de vernietiging van de ingesloten Egyptische expeditielegers in de Sinai en de verovering van Cairo. In het kader van door de Amerikanen bemiddelde troepenscheidingsakkoorden trok Israel zijn expeditieleger uit Egypte terug, terwijl Egypte de volledige westoever van het Suezkanaal in handen kreeg.

Ook vorige week riepen de Egyptische media de ‘overwinning’ van 1973 weer terug in de herinnering, waarbij de ‘Egyptische strijder’ en de Egyptische natie werden opgehemeld en de historische waarheid soms ernstig geweld werd aangedaan. Zo beweerde Galal Nassar in de staatskrant Al-Ahram van 9 oktober dat Egypte al in juli 1972 alle Russische adviseurs het land had uitgestuurd en dat de Sovjet-Unie had geweigerd Egypte te voorzien van de benodigde wapensystemen om Israel te kunnen aanvallen. In werkelijkheid ging het in de zomer van 1972 om een briljante afleidingsmanoeuvre en nam het aantal Russische militaire adviseurs juist toe. Aan de vooravond van de oorlog waren het er zo’n 4.000. Bovendien was Moskou rechtstreeks bij de planning en het voeren van de oorlog betrokken en zowel voor als tijdens de oorlog ontvingen de Egyptenaren reusachtige hoeveelheden moderne Russische wapens. In het Al-Ahram artikel wordt weliswaar toegegeven dat een Israelische divisie het Suezkanaal is overgestoken, maar zijn missie zou jammerlijk zijn ‘mislukt’, omdat de Israelische eenheden ‘door krachtig militair en volksverzet waren vastgepind’. Als het bestand er niet was gekomen, zo schrijft Nassar, ‘dan waren de Egyptische strijdkrachten in staat geweest om hen te elimineren’.

De Oktoberoorlog was ‘de meest gekoesterde en grootste overwinning’, trompetterde het weekblad Sabah Al-Kheir. ‘Het maakt niet uit hoe lang geleden het gebeurde. Egypte zal de herinnering aan 6 oktober 1973 voor altijd koesteren, als een van de meest glorieuze en grootste dagen in de geschiedenis van ons land.’

Het was Jitschak Rabin die ooit zei dat het hem niet uitmaakte of de Arabieren overwinningen uit hun duim zogen, zolang ze daarna maar ophielden met schieten. En dertig jaar na de verschrikkingen van de Jom Kippoeroorlog is het tussen Cairo en Jeruzalem nooit meer uit de hand gelopen.