Vrijheid van meningsuiting

De rel om de Deense cartoons heeft een felle discussie los gemaakt over de vrijheid van meningsuiting. Mag een journalist of striptekenaar alles zeggen of uitbeelden wat in zijn hoofd opkomt, of stellen de wet en het fatsoen hieraan grenzen? Dat laatste is duidelijk het geval.

door Ronny Naftaniel

De Grondwet garandeert in artikel 7 de vrijheid van meningsuiting, maar beperkt deze met “ieders verantwoordelijkheid jegens de wet”. Met die bepaling worden kwetsbare groepen binnen onze samenleving beschermd tegen racisme, antisemitisme, islamofobie en homohaat. Artikel 137 c Wetboek van Strafrecht verbiedt opzettelijke beledigingen over een groep mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging of seksuele gerichtheid. Artikel 137 e verbiedt het openbaar maken van een uitlating of afbeelding die beledigend is voor een groep mensen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging of hun seksuele gerichtheid, of aanzet tot haat.

Deze wetsartikelen zijn voor iedereen gelijk. Joden, moslims en homo’s kunnen allemaal, met evenveel kans op succes, een beroep op de strafrechter doen als een uitlating hen niet aanstaat. Anders dan veel moslims denken, kent het Nederlandse wet geen aparte bepaling voor de ontkenning, bagatellisering, of ridiculisering van de Holocaust. Dit soort beledigingen vallen gewoon onder de algemene antiracisme-wetgeving en hebben in het verleden herhaaldelijk tot veroordelingen geleid. Dergelijke speciale wetgeving is hiervoor niet nodig, evenmin is er behoefte aan een aparte voorziening voor het beledigen van de islam, zoals de Islamitische Conferentie nu eist.

De vraag dringt zich op of het beledigen van een religie op een zelfde wijze zou moeten worden behandeld als het kwetsen van een groep mensen wegens ras of huidskleur. De Deense cartoons waren gericht op de islam als godsdienst en niet tegen Arabieren. Toen indertijd Gerard Reve God met een ezeltje vergeleek was dat gericht tegen het christendom. Er valt veel voor te zeggen het kwetsen van een groep mensen wegens hun godsdienst eerder toe te staan, dan het kwetsen van een bevolkingsgroep wegens kenmerken die al bij de geboorte vastliggen. Religie is immers, net als een politieke opvatting, een vrije keuze. Wie kiest moet tegen een stootje kunnen. Huidskleur, etnische afkomst (joden, Arabieren) en seksuele gerichtheid zijn onveranderlijke eigenschappen. Het is ontoelaatbaar een groep mensen op grond hiervan te discrimineren.

Hoewel je dus met religies vrijer zou moeten kunnen omgaan, heeft niemand de plicht om te kwetsen. Respect en fatsoen zijn belangrijke peilers van onze samenleving. Dit zou moeten gelden voor de opgehitste fanaten die het nodig vonden Deense eigendommen aan te randen. En voor degenen, die de cartoons van Mohammed hebben misbruikt om woedende reactie van moslims uit te lokken.