De IHRA-werkdefinitie van antisemitisme: terugdringen van grijs gebied

Het verlenen van steun aan de werkdefinitie antisemitisme van de IHRA heeft tegenstand en vragen opgeroepen. Wij zetten de belangrijkste daarvan voor u op een rijtje om verheldering te brengen over een complexe kwestie.

Sommige joden en joodse organisaties zijn zelf tegen het gebruik van de werkdefinitie. Dan kan het toch niet een juiste definitie zijn?
Ten eerste: dat sommige joden tegen het gebruik van de werkdefinitie zijn, wil van zichzelf niet zeggen dat de werkdefinitie niet deugt. Dat is juist het punt wat betreft racisme: hoe mensen denken staat los van hun afkomst. Ook Joden onderling verschillen van mening en hebben vooroordelen van elkaar – zoals altijd wel zal voorkomen in groepen gebaseerd op etniciteit, levensovertuiging, of op welke grond dan ook.

Een bruikbare definitie van antisemitisme komt tot stand door grondige bestudering van het fenomeen en nauwkeurige formulering, zoals de International Holocaust Remembrance Association (IHRA) heeft gedaan. Niet door op zoek te gaan naar een omschrijving van antisemitisme die toevallig kan rekenen op steun van iedere Jood op de wereld.

Soms wordt in deze discussie verwezen naar de Satmar Joden, een ultraorthodoxe gemeenschap waarvan leden met name in Brooklyn wonen. Omdat zij het Zionisme afwijzen, zouden volgens de IHRA-definitie deze Joden zelf antisemitisch zijn, en de definitie niet deugen. Belangrijk is echter niet de vraag of iemand “antisemiet” is of niet, maar of specifieke uitingen met antisemitisme gepaard gaan. Van de Satmar gemeenschap, die een wereldse Joodse staat afwijst vanuit een religieuze overtuiging over de komst van de Messias, kan dus inderdaad gezegd dat veel andere Joden hier aanstoot aan nemen.

Dit geldt evenzeer voor Joden die het bestaansrecht van een Joodse staat in zijn geheel afwijzen. Of dit mogelijk antisemitisme betreft hangt af van de vraag of staten in hun algemeenheid worden afgewezen, of uitsluitend een Joodse staat. In geval van het laatste is er inderdaad sprake van het selectief ontzeggen van een bepaald recht.

Nederland heeft gestemd voor het hanteren van de definitie. Komt er nu wettelijk een bredere opvatting van wat antisemitisme is?
Nee.

De werkdefinitie is een hulpmiddel voor beoefenaars die in hun werk met discriminatiezaken te maken hebben, geen juridische tekst. Of en wanneer discriminatie strafbaar is wordt getoetst door de rechter aan de hand van een algemeen discriminatieverbod zoals vastgelegd in de wet. Daar verandert niets aan.

De werkdefinitie antisemitisme van de IHRA wordt een werkdefinitie genoemd, omdat het als hulpmiddel dient voor iedereen die, vanuit een bepaald beroep of anders, met antisemitisme te maken hebben.

Discriminatie en haatspraak zijn vaak ongrijpbaar en irrationeel. Bovendien veranderen de taal en symbolen waarmee ze worden uitgedrukt voortdurend. Het herkennen ervan blijft mensenwerk. De IHRA-werkdefinitie kan helpen toetsen of een uiting met antisemitisme gepaard gaat of niet. CIDI hanteert de werkdefinitie al langer, met het strenge principe dat bij twijfel een incident niet als antisemitisch wordt gezien.

Kan kritiek op Israel gecensureerd worden met de werkdefinitie?
Ook dat niet.

De werkdefinitie is geschreven met de gedachte dat alleen bewustwording van het antisemitisme kan helpen om het te bestrijden, niet het beperken van de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid dient namelijk iedereen te beschermen, inclusief slachtoffers van antisemitisme zelf. De veronderstelling dat voorstanders van het hanteren van de werkdefinitie (waaronder landen als Oostenrijk, Duitsland en het VK, maar ook het Europees Parlement) dit zouden doen om de oplossing te vinden in censuur, is simpelweg verkeerd.

Hierbij dient opgemerkt dat de tekst geen ruimte laat voor het simpelweg “bestempelen” van kritiek over Israel als antisemitisch. Aan de werkdefinitie is een aantal voorbeelden toegevoegd van hoe antisemitisme zich kan manifesteren; sommige daarvan hebben betrekkingen op uitingen omtrent Israel (hetgeen hard nodig is – zie boven). Hiervan wordt duidelijk genoemd dat dit voorbeelden van antisemitisme kunnen zijn, de context in overweging genomen.

Tegenstanders van de werkdefinitie wijzen soms op een toespraak van Kenneth Stern aan[1], een Amerikaanse jurist met specialisatie op het gebied van antisemitisme en medeauteur van de werkdefinitie. In deze toespraak sprak hij zijn zorgen uit over het gebruik van de IHRA-werkdefinitie als juridisch document op universiteiten (“campuses”). Dit is iets heel anders dan het hanteren van werkdefinitie als werkdefinitie, zoals nu toe is besloten door de Tweede Kamer. Daarbij zijn universiteiten bij uitstek plaatsen waar discussies vrij en open gevoerd moeten kunnen worden. Het censureren van Israel-kritische uitingen, beroepend op deze definitie, hebben dus praktisch geen enkele kans van slagen.

Kan kritiek op Israel nu als antisemitisch gezien worden?
Nee. Althans, niet als hiermee inhoudelijke kritiek bedoeld wordt. Maar als hiermee vooral haatspraak of antisemitische stereotypes aan te pas komen, en van kritiek dus eigenlijk geen sprake is, dan misschien wel.

Veel van de antisemitische uitingen vandaag de dag zijn precies zo: ze gebruiken Israel als kader om vijandige uitingen te doen naar Joden in het algemeen. Van uitingen die zogenaamd alleen Israel of het “zionisme” (een vaak misbruikte term) bekritiseren, maar eigenlijk niks met kritiek en alles met antisemitisme te maken hebben, zijn voorbeelden te over.

« 1 of 4 »

Zo is het alom bekend dat het aantal antisemitische incidenten in Europa (en Nederland) steevast piekt wanneer het conflict tussen Israel en Palestijnse groeperingen oplaait. Een recent onderzoek laat zien dat zo’n 89% (!) van Nederlandse Joden wel eens verwijtende opmerkingen krijgen over het Israel-Palestinaconflict[2]. Het moge duidelijk zijn dat zij als Nederlands en niet Israelisch staatsburger op geen enkele manier hiervoor verantwoordelijk zijn. Dit is slechts een greep uit de voorbeelden die eenduidig aantonen dat antisemitisme in Nederland helaas niet zomaar apart gezien kan worden van het bestaan van Israel, hoe graag men het ook anders zou zien.

Waarom is dan toch belangrijk dat Nederland de definitie heeft aangenomen?
Antisemitisme is een grensoverschrijdend probleem. Met een belangrijke rol voor internationale samenwerking, zoals binnen de EU, is het onhandig om gegevens over antisemitisme te verzamelen op basis van allemaal verschillende definities. Om deze reden heeft de IHRA in 2016 beleidsexperts bijeen gebracht om een internationale werkdefinitie op te stellen.

Het probleem van pluriforme werkdefinities bestaat ook in Nederland. Antisemitisme wordt geregistreerd door onder andere Antidiscriminatievoorzieningen (ADVs), de politie, het Meldpunt Internetdiscriminatie (MiND) en ook door CIDI zelf. Niet alle ADVs gebruiken echter dezelfde definitie om te toetsen of een incident antisemitisme betreft of niet. Hierdoor is het niet mogelijk om goede vergelijkingen te maken, terwijl het wel op basis van deze gegevens is dat beleid kan worden aangepast om het probleem te adresseren.

Ook buiten de statistieken om is het van belang om op een duidelijke werkdefinitie te kunnen teruggrijpen wanneer een oordeel vellen moeilijk, maar wellicht nodig is. Door voorstanders van de werkdefinitie wordt dit terecht samengevat met de leus “define it to fight it”: je moet het beestje (of, het monster) bij de naam noemen om het te kunnen bestrijden.

Verder kan antisemitisme wel eens ingewikkelder zijn dan simpelweg “haat tegen Joden”. Vergelijkingen tussen Israël en Nazi-Duitsland zijn bijvoorbeeld in de praktijk bijna altijd antisemitisch. Maar iemand die er nooit bij stil heeft gestaan zou dit misschien niet meteen herkennen.

Wanneer iemand antisemitisch bejegend wordt, maar van een werkgever, agent of leraar te horen krijgt dat er geen sprake zou zijn van discriminatie, kan dit het vertrouwen in de samenleving aantasten. Dat moet worden vermeden. Het hanteren van de IHRA-werkdefinitie is geen silver bullet die antisemitisme in één keer de wereld uit zal helpen, maar een nuttig hulpmiddel is het zeker.

Waarom is er dan alsnog tegen gestemd door sommige partijen?
De formulering in de definitie over Israel lijkt voor de meeste tegenstemmers de voornaamste reden te zijn geweest voor hun keuze. Zo drukte D66 en de zorg uit dat kritiek op Israel “onder antisemitisme wordt geschaard”. Hiermee zou het niet bevorderlijk zijn voor de openbare discussie. GroenLinks uitte een vergelijkbaar bezwaar.

Ook woordvoerders van de SP en DENK werd na afloop van de stemming gevraagd naar een reactie. Een journalist die hiertoe verzocht kreeg echter geen antwoord.

Overigens moet genoemd dat GroenLinks, D66 en PvdA wel hun afwijzen van antisemitisme benadrukten in de nasleep van de stemming.

Hun verweer is echter karig te noemen, omdat – zoals boven uitgebreid beschreven – de IHRA-werkdefinitie harde opmerkingen over Israel niet automatisch als antisemitisch beschouwt. Sterker nog: het verschaft juist duidelijkheid over waarom iets al dan niet een antisemitische tendens bevat. Gert-Jan Segers (ChristenUnie) heeft dus een sterk punt wanneer hij zich afvraagt “wat die partijen dan nog meer willen zeggen”.

De werkdefinitie is geen wiskundige formule, en gebied tussen kritiek op Israel en antisemitisme zal blijven bestaan. Ook al staat als een paal boven water dat het eerste in praktijk te vaak in het laatste overgaat. Het blijft mensenwerk om voorvallen te interpreteren. De IHRA-werkdefinitie verschaft duidelijkheid over wat het onderwerp precies is, waardoor de – nodige – discussies daaromtrent in ieder geval inhoudelijker en efficiënter kunnen worden gevoerd. Het grijze gebied tussen antisemitisme of geen antisemitisme zal dus blijven bestaan, maar tenminste iets worden teruggedrongen.

 

[1] Toespraak van Kenneth Stern voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, 7 november 2017. Te vinden onder: https://judiciary.house.gov/wp-content/uploads/2017/10/Stern-Testimony-11.07.17.pdf

[2] Opiniepanel van Avrotros/Eenvandaag, 26-11-2018. Te vinden onder: https://eenvandaag.avrotros.nl/fileadmin/user_upload/Opiniepanel_rapport_J-2.pdf