VN-rapport toont schokkende achterstand Arabische wereld

Vorige maand publiceerde de Ontwikkelingsorganisatie van de VN (United Nations Development Program – UNDP) haar eerste rapport over de sociaal-economische situatie in de 22 lidstaten van de Arabische Liga. In het betreffende gebied, gelegen tussen de Atlantische Oceaan en de Perzische Golf, wonen 280 miljoen mensen, vijf procent van de wereldbevolking.

Ondanks de enorme inkomsten uit olie en gas bedroeg het gezamenlijk bruto product van de Ligastaten in 1999 slechts 531 miljard dollar, minder dan dat van Spanje (720,8 miljard dollar), dat 40 miljoen inwoners telt. Israel, met zes miljoen inwoners, had in 2000 een BNP van 110,2 miljard dollar.

De groei van het gemiddelde inkomen in de landen van de Arabische Liga is minder dan een half procent. Op centraal Afrika na is dat ‘s wereld laagste groeicijfer, op basis waarvan een verdubbeling van het gemiddelde inkomen 140 jaar zal vergen.

In 1960 was het gemiddelde welvaartsniveau in de Arabische landen vergelijkbaar met dat van opkomende economische tijgers, zoals Taiwan en Zuid-Korea. Nu is het verhoudingsgewijs minder dan de helft. Twintig procent van de Arabieren leeft onder de laagste armoedegrens en moet rondkomen van minder dan twee dollar per dag.

Volgens het UNDP-rapport zijn de gezondheidszorg en het onderwijs in de Arabische wereld de afgelopen jaren sterk verbeterd. De levensverwachting is met 15 jaar toegenomen en scholen zijn vrijwel overal aanwezig. Toch kan een groot deel van de volwassen bevolking niet lezen of schrijven (het rapport spreekt over 65 miljoen analfabeten), tweederde van hen zijn vrouwen. Er zijn tien miljoen Arabische kinderen tussen de 6 en de 15 jaar die geen onderwijs volgen.

In het rapport worden drie belangrijke oorzaken voor de Arabische achterstand genoemd: gebrek aan vrijheid, uitsluiting van vrouwen, en een tekort aan kennis en menselijke capaciteiten. Op de ‘vrijheidsmeter’ van de UNDP wordt de wereld in zeven regio’s opgedeeld, waarvan de Arabische wereld er een is. Het is tevens de regio die op het gebied van burgerlijke vrijheden, politieke rechten en onafhankelijkheid van de media het laagst scoort. De politieke en economische participatie van vrouwen is de laagste ter wereld. In sommige Arabische landen is politieke activiteit voor vrouwen verboden en hebben zij geen stemrecht. Het niveau van het wetenschappelijk onderzoek in de Arabische wereld mag geen naam hebben en er wordt minimaal in geïnvesteerd: minder dan een half procent van het bruto product. In Cuba is dat 1,26 procent en in Japan 2,9 procent. Slechts een half procent van alle Arabieren maakt van het internet gebruik en maar twaalf op de duizend Arabieren bezitten een computer.

De auteurs van het UNDP-rapport spreken zich niet uit over de invloed van religie op de sociaal-economische ontwikkelingen in de Arabische wereld, zoals bekend een delicaat onderwerp. Dat deed The Economist wel. In een artikel over het rapport stelde de krant ronduit dat de Islam een verlammende rol op het Arabische denken heeft gespeeld. Met als bron de vooraanstaande Midden-Oostenkenner Bernard Lewis, noemt de Wall Street Journal nog een andere, eveneens door de UNDP verzwegen oorzaak voor de Arabische achterstand: de al sinds de veertiende eeuw heersende slachtoffercultuur. In plaats van iets aan hun achterstand te doen, zo stelt de krant, werd er gekozen voor excuses en het zoeken naar zondebokken.

Ook een andere chronische ziekte van de Arabische wereld wordt, waarschijnlijk om politieke redenen, door de UNDP vrijwel buiten beschouwing gelaten. Dat is de allesomvattende corruptie, die het welzijn van de ‘Arabier in de straat’ om zeep helpt, ook als er ruimschoots genoeg financiële middelen beschikbaar zijn, zoals in Saoedi-Arabië. Die situatie bestaat ook in het gebied van de Palestijnse Autoriteit, waar naartoe sinds het sluiten van de Oslo-akkoorden (1993) meer dan vier miljard dollar hulpgelden zijn gesluisd. Dat is 1.330 dollar per Palestijn. Ter vergelijking; de Europeanen ontvingen in het kader van het Marshallplan (1946) per persoon 272 dollar. Een groot deel van het voor de opbouw van de Palestijnse samenleving en economie bestemde geld verdween in de zakken van het Palestijnse leiderschap en de leden van de verschillende gewapende milities.

In een interview van 2 augustus met het weekblad van de Moslimbroederschap in Jordanië, Al-Sabil, wees Muawiye al-Masri, lid van de Palestijnse Wetgevende Raad, Arafat en zijn economische adviseur Mohammed Rashid aan als de motoren achter de corruptie. Die bedreigt volgens hem de toekomst van het Palestijnse volk. ‘De president heeft een buitengewone gave voor het omkopen van mensen met geld en banen. Er is geen minister die zonder toestemming van de president [Arafat] een chauffeur of een boodschappenjongen kan inhuren. Alles wordt door de president bepaald. De minister van gezondheidszorg kan geen dokter aanstellen zonder dat er door de president een financiële garantie is afgegeven. De minister van Onderwijs kan geen onderwijzer aanstellen zonder dat er eerst een financiële garantie door de president is afgegeven. Er bestaat geen bestuurlijk proces. Er is slechts een instelling en dat is het instituut van het presidentschap, waar geen recht en orde heersen en hetgeen gebaseerd is op het omkopen van topfunctionarissen’, aldus Al-Masri, die eerdere kritiek op de corruptie van Arafats regime met een gewelddadige waarschuwing moest bekopen (een pistoolschot in zijn been). Masri omschreef ook Rashid als een ramp voor het Palestijnse volk. ‘Rashid, waarvan wij de achtergrond niet kennen, en waarvan men zegt dat hij een Iraakse Koerd is, deze onbekende, deze geest, controleert de tegoeden van het Palestijnse volk.’