De “neens” van Khartoum

Na de preventieve Israelische aanval op Egypte stuurde de Israelische premier Eshkol op 5 juni direct een vredesboodschap aan de Arabische landen: “Wij zullen geen enkel land aanvallen, tenzij het ons de oorlog verklaart. Zelfs nu, terwijl de mortieren spreken hebben wij onze zoektocht naar vrede niet opgegeven. Wij streven ernaar om alle dreiging van terrorisme uit te bannen en elk agressiegevaar om onze veiligheids- en legitieme rechten veilig te stellen”. Jordanië en Syrië reageerden op deze handreiking door Israel aan te vallen.

Op 19 juni 1967, daags na het aflopen van de Zesdaagse Oorlog deed Israel de Arabische landen opnieuw een handreiking: het was bereid om de Golanhoogte aan Syrië terug te geven, de gehele Westelijke Jordaanoever (behalve Jeruzalem) aan Jordanië en de Sinaï aan Egypte – in ruil voor genormaliseerde betrekkingen met de Arabische landen en vrije doorvaart door de straat van Tiran.

In september 1967 kwamen acht Arabische landen bij elkaar in Khartoum, alwaar zij de beroemde “Neen-verklaring” uitgaven. In de verklaring zeiden zij ten eerste geen vrede te willen met Israel, ten tweede geen onderhandelingen te willen met Israel en ten derde Israel niet te erkennen. In een reactie op de verklaring van Khartoum verzuchtte de toenmalige Israelische minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban dat voor het eerst in de geschiedenis een oorlog eindigde met overwinnaars die naar vrede zochten en verslagenen die op onvoorwaardelijke overgave aandrongen.

In volgende jaren werden aanbiedingen van Israelische zijde om vredesbesprekingen te initiëren door de Arabische landen genegeerd. De eerste Arabische leider die vrede sloot met Israel was de Egyptische president Sadat in 1979, de tweede leider volgde pas in 1994: de Jordaanse Koning Hoessein. Met Egypte werd afgesproken dat Israel het beheer over de Gazastrook zou houden, in afwachting van de op te richten Palestijnse staat. Jordanië zag in 1994 af van zijn aanspraken op de Westelijke Jordaanoever.