Interventie in genocidezaak tegen Israel was doorgestoken kaart

Het was paniek afgelopen maart in de Tweede Kamer: ‘plotseling’ bleek dat Nederland een ‘interventie’ had gedaan in de genocidezaak van Zuid-Afrika tegen Israel. Maar nu blijkt uit een Woo-verzoek van CIDI dat deze interventie helemaal niet onverwachts was: voormalig minister van Buitenlandse Zaken Van Weel (VVD) had de interventie al weken eerder laten voorbereiden. In oktober 2025 had hij nog toegezegd de Kamer voorafgaand te informeren, zodat ze ook nog een stem zouden hebben in het proces. Maar daar heeft de nieuwe minister zich niet aan gehouden.

(credits: ministerie van Buitenlandse Zaken)

Kamer op het verkeerde been

De brief van minister Berendsen van 17 maart 2026 spreekt boekdelen. De minister komt niet terug op de eerdere beloften uit september 2025, van zijn voorganger Van Weel. Die zei letterlijk: “Wij kunnen wel – daar beraad ik me op, maar daar heb ik nog geen besluit over genomen – een interventie plegen bij het Internationaal Gerechtshof. (….)  Daar kom ik spoedig bij uw Kamer op terug. Daar is ook nog tijd voor. Ik heb daar advies over gevraagd.”

De termijn om een interventie in te dienen is vervolgens verlengd naar maart 2026, omdat de zaak vertraging opliep bij het Internationaal Gerechtshof. Maar nu blijkt uit een Woo-verzoek dat de interventie al weken eerder was voorbereid dan maart 2026, namelijk in januari 2026. Ook deze informatie staat niet in de Kamerbrief van 17 maart 2026. Daarmee zet deze brief de Kamer op een dwaalspoor, door absoluut niet open te zijn over de gang van zaken.

Wrang

Dat nota bene Van Weel allang opdracht had gegeven om de interventie voor te bereiden is extra wrang. De minister gaf in januari al de opdracht om hiermee aan de slag te gaan. Op 6 februari 2026 ging er al een nota naar de minister. De nota adviseerde de minister om de interventie uit te voeren, die al ambtelijk was voorbereid. Wat de ambtenaren er niet bij vertelden was de eerdere belofte om deze info te delen met de Tweede Kamer. Ondertussen informeerde niemand meer de Tweede Kamer, ondanks de beloften.

De opdracht om de zaak voor te bereiden deed van Weel dus al in januari 2026. Maar daarna verliet hij de post, vanwege het aantreden van het nieuwe kabinet Jetten. De nieuwe minister heeft duidelijk minder scherp wat de bedoeling is, zo blijkt uit chat-berichten: “Begrijp ik goed dat onze inhoudelijke interventie later pas verder ingevuld gaat worden dan?”, schrijf hij. Ook vraag hij aan ambtenaren: “En hoe is bij de vorige keren de Kamer betrokken geweest bij de interventie? De ambtenaar antwoordt op de laatste vraag: “voor zover ik kan achterhalen, nemen de we de Kamer hier standaard niet in mee”. Het blijkt dat ook de ambtenaren de minister op het verkeerde been zetten. Want dat had de minister juist wel beloofd om te doen.

Paniek

De paniek slaat toe als de berichten over de interventie naar buiten sijpelen en veel ophef veroorzaken, omdat er een debat gaande is in de Tweede Kamer. Op donderdag 12 maart 2026 appt minister Berendsen zijn ambtenaren, als net de berichten naar buiten sijpelen over de interventie. “Hebben we korte lijn op IGH-interventie?”. De ambtenaar antwoordt, niet heel hoopvol: “ga ik achteraan”.  Om half zeven wordt de toon van minister wat dwingender: “Zal zo ook in de Kamer moeten beantwoorden, of brief aankondigen” en “kan ik dit op schrift krijgen nu?”.

Nadat de ambtenaren aan de slag gaan met de beloofde brief aan de Tweede Kamer gaat de chat-discussie verder, over de inhoud van de brief. Een ambtenaar schrijft: “zou ook expliciete passage toevoegen waarin we helder stellen dat interventie op geen enkele wijze stelling inneemt voor of tegen een van de partijen bij deze zaak”. Ook de minister doet een duit in het zakje. Deze passage moet bovenin de brief komen: “Expliciet maken dat wij dat niet doen”.

Kortom: de boodschap moet zijn dat de Interventie een volledig neutrale stap is. De vraag is dan wel: waarom moet dat zo benadrukt worden? In de uiteindelijke brief komt het in ieder geval duidelijk terug: de interventie is neutraal.

Alles behalve neutraal

Dat is natuurlijk onzin. In de stukken van het Woo-verzoek zijn de overwegingen om een interventie te plegen weggelakt. Dat had niet gehoeven als het zou gaan om een volledig neutrale interventie.

Als de interventie echt neutraal was geweest, dan had het ministerie deze informatie gewoon kunnen delen. De minister deelt het niet omdat het ‘de betrekking van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties’ kan beschadigen. Ook de analyse van het krachtenveld deelt de minister niet.

Daarnaast heeft ook minister Sjoerdsma een rol. Ook hij geeft op 17 maart 2026 nog zijn ‘observaties’ mee aan minister Berendsen, vlak voordat de Kamerbrief van de laatste minister over de interventie verschijnt. Ook die observaties zijn geheim in het Woo-verzoek. Kortom: het ministerie hult zich in nevelen. De Kamer krijgt een nietszeggende brief, waarin de minister blijft bezweren dat het toch vooral een ‘neutrale’ interventie is. Uit het Woo-verzoek blijkt wel degelijk dat er een analyse achter de interventie zit en dat het al maanden geleden is voorbereid. Wat er hier gebeurt is goed samen te vatten met een bekend spreekwoord: de Kamer en het publiek worden van het kastje naar de muur gestuurd.

Interventie

Want de interventie is natuurlijk niet neutraal. Ja, de keuze om een interventie te doen an sich is nog neutraal. Maar de inhoud natuurlijk absoluut niet meer. Nederland sluit zich overduidelijk aan bij de pogingen van Zuid-Afrika om de definitie van genocide op te rekken. Dan blijft natuurlijk de vraag over: wie is nu de drijvende kracht hierachter? Het is overduidelijk niet de minister zelf, die ook niet altijd scherp heeft wat nu de bedoeling is. De minister vraagt zelf: “Of laten we dat doorgaans aan de juristen?” De ambtenaar antwoord: “De uitwerking is een juridische exercitie (..)”

De drijvende kracht hierachter zou goed professor René Lefeber kunnen zijn. Hij is hoogleraar internationaal publiekrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Maar daarnaast is hij ook werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als “Volkenrechtelijk adviseur tevens hoofd Afdeling Internationaal recht”. Hij ondertekent onder meer de interventies van Nederland bij het Internationaal Gerechtshof. In die verantwoordelijkheid is de kans groot dat hij een grote rol heeft bij het bepalen van de inhoud van de interventie. Het Woo-verzoek krijgt daar verder geen antwoorden op.

Hoe het ook zij: het is duidelijk dat de Kamer hier buitenspel gezet is. De echte beweegredenen achter het besluit worden niet gedeeld met Kamer. In plaats daarvan krijgt de Kamer vooral te horen dat het een neutrale interventie is. Door de Kamer niet informeren en de interventie op het allerlaatste moment te doen heeft het ministerie de Kamer effectief buitenspel gezet. Het is te hopen dat de Tweede Kamer hiermee geen genoeg neemt. De stukken van het Woo-verzoek zijn hier in te zien.