Onze grootouders waren geen nertsen

IN ANTISEMITISME / Door: JOSHUA FRIEDMANN / 16 dec 2020 EERSTE KAMER PVDD

De uitspraken van Peter Nicolaï (Partij voor de Dieren) in de Eerste Kamer tijdens de Behandeling Vervroegde Beëindiging Pelsdierhouderij zijn kwetsend voor Holocaustslachtoffers en hun nabestaanden. Tijdens deze bespreking maakte Nicolaï de bijzonder onsmakelijke vergelijking tussen dode nertsen, en miljoenen menselijke slachtoffers van genocide.

Volgens het verslag van de bewuste behandeling in de Eerste Kamer ontvouwde de heer Nicolaï zijn stelling als volgt: 

“Ik zeg u: bij mij in de kast staat een indrukwekkend boek met teksten, documenten en foto’s. De titel van dat boek is De Nazi moordfabrieken. Het geeft een beeld van de fabriek die in die zwarte periode van de geschiedenis gerund werd om joden en ander mensonwaardig leven te vernietigen, te vernietigen om daarmee winst te bereiken, namelijk een raszuivere maatschappij. Zulke ondernemingen tot het uitmoorden van leven waren het gevolg van een historische aberratie van het ethisch bewustzijn.

In een rechtsgemeenschap stijgt datgene wat als recht wordt ervaren, soms uit boven wat als recht in formele voorschriften is gepresenteerd. Dat, voorzitter, is beschaving! Het stoppen van de nertsenmoordfabrieken is ook een teken van beschaving. Het recht om miljoenen diertjes te vergassen, louter om opsmuk te creëren, is door onze samenleving inmiddels als onethisch ontmaskerd.”

Hiermee wordt de massamoord op miljoenen mensen gelijkgetrokken met pelsdierfokkerijen – puur als provocatie. Er kan nooit een morele gelijkenis worden getrokken tussen wat er in de bontindustrie of bio-industrie gebeurt, en een van de ergste misdaden in de geschiedenis van de mensheid. Het gaat om zaken van totaal verschillende ordes van grootte. Volledig ten overvloede haalde Nicolaï ook nog de pijnlijke geschiedenis van de Trans-Atlantische slavenhandel erbij:

“Ik had overigens ook kunnen beginnen over slavenhandel [om] de aberratie van de geest dat dikke-ikmensen voor zichzelf het recht kunnen creëren om zich boven andere levende wezens te stellen om deze als voorwerpen te behandelen, als objecten waarmee men zich winst en genot kan verschaffen.”

Het is niet nieuw dat dierenactivisten beweren geen moreel onderscheid te zien tussen de waarde van verschillende levensvormen, maar de rest van de mensheid die dat wél doet, beticht van ‘species-ism’. Dit bizarre standpunt kan worden ontkracht door voor hun ogen een mug dood te slaan. Hier zien wij hetzelfde waanidee: dat de intrinsieke waarde van mensenlevens met die van nertsen te vergelijken valt. Dat genocide en het ruimen van nertsen met dezelfde beladen termen omschreven kunnen worden, en dat je het de nabestaanden van die mensen aan zou mogen doen om hun leed te gebruiken voor jouw politieke doeleinden.

Ongeacht wat je vindt van pelsdieren of plofkippen: de Holocaust en slavenhandel zijn gemeenschappelijke trauma’s voor slachtoffers en hun nabestaanden, en schandvlekken voor de hele samenleving. Deze moeten niet misbruikt worden als voorbeeld van alles wat slecht is. In de woorden van Evelien Gans: Auschwitz was een vernietigingskamp, geen bijscholingskamp voor vrijwillige lessen in ethiek.

Al heeft de heer Nicolaï afstand gedaan van de vergelijking die hij zelf uitvoerig maakte en zijn excuses aangeboden, na terechte kritiek van verschillende Eerste Kamerleden en de Voorzitter, moet CIDI dit kwaad benoemen. Als het niet zijn bedoeling was om mensenlevens met nertsenlevens gelijk te trekken, had Nicolaï die vergelijking niet moeten maken in een senaatsdebat, niet eerst provoceren en daarna excuses aanbieden als de vergelijking verkeerd valt. Wij sluiten ons aan bij de opmerkingen van voorzitter Bruijn:

“Dank u wel, meneer Nicolaï. Blijft u nog even staan, want ik hecht er toch aan om naar aanleiding van de opmerkingen van mevrouw Faber en mevrouw Huizinga ook namens mij te zeggen dat ik u ken als een heel goed debater, die het niet nodig heeft om voorbeelden te hanteren die zeer kwetsend zijn voor mensen. Dat is ook goed door uw collega’s verwoord. Ik geef u toch in overweging om uw punt de volgende keer als het over de spanning tussen moraal en recht gaat, aan de hand van een ander voorbeeld te maken.”