SGP stelt Kamervragen over antisemitisme in de klas

SGP-Tweede Kamerlid Roelof Bisschop heeft schriftelijke vragen gesteld over antisemitische incidenten in het Nederlandse onderwijs naar aanleiding van het recente geweldsescalatie tussen Israel en Hamas. In zijn vragen aan de ministers voor Onderwijs Arie Slob (CU) en van OCW Ingrid van Engelshoven (D66) slaat hij de alarmklok over berichten dat kinderen niet meer openlijk Joods durven te zijn op school, vanwege agressieve discussies over Israel.

De vragen zijn naar aanleiding van een ontluisterend artikel uit het Nieuw Israëlietisch Weekblad, waarin moeders van Joodse kinderen uitgebreid aan het woord komen over de ervaringen van hun kinderen in de klas sinds het oplaaiende geweld.

Bisschop is ook niet te spreken over de berichten dat Joodse leerlingen zelfs door leraren worden aangesproken op de acties van de Staat Israel. Hij wil dan ook snel actie zien van de minister en stelt daarbij samenwerking voor met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding. Tevens ziet hij een educatieve rol weggelegd voor het Joods Cultureel Kwartier en CIDI.

Berichten over verbale agressie tegen Joodse scholieren

In veel gevallen blijkt een Joodse afkomst of de minste affiniteit met Israel genoeg voor leeftijdsgenoten van de kinderen om hen ter verantwoording te roepen over Israelisch regeringsbeleid. Maar dit fenomeen neemt vaak al snel agressieve en ronduit antisemitische vormen aan. Zo werd over een meisje door klasgenoten in groepsapps geschreven “Ze hadden haar moeten vergassen”, nadat ze zicht niet in de mond liet leggen tegen Israel te zijn.

Om Joden verantwoordelijk te houden voor daden van Israel wordt door de IHRA-werkdefinitie aangemerkt als antisemitische uitingsvorm. Volgens onderzoek van het Europees Bureau voor de Grondrechten uit 2018 geeft 80% van de Joden in Nederland aan tenminste soms op deze manier bejegend te worden.

Als resultaat komt het veel voor dat Joodse tieners zich op school onveilig voelen of actief hun Joodse identiteit verbergen. Zo zijn er kinderen die een alternatieve herkomst van hun (Joodse) namen verzinnen om hun werkelijke afkomst niet te ‘verraden’, valt in het artikel van het NIW te lezen.  

Dat het niet zomaar gaat om wat losse anekdotes, wordt bevestigd door gegevens uit het meldpunt antisemitische incidenten van CIDI. Ook daar zijn meerdere zorgwekkende antisemitische incidenten gemeld van scholen. Langslepende pestincidenten of gevallen die dermate uit de hand lopen dat de school externe hulp moet inschakelen, zijn geen unicum.

Sinds het oplaaien van het conflict tussen Israel en Hamas is er een piek in het aantal antisemitische incidenten, zo liet CIDI onlangs weten in Elsevier Weekblad. Binnen één maand tijd werd ruim een derde van het aantal incidenten geregistreerd dat in 2020 over het hele jaar werd gemeten. Incidenten op scholen vormen een veelzeggend deel hiervan, omdat dit bij uitstek een omgeving is waar normen worden aangeleerd.  

 

Lees hieronder de schriftelijke vragen van dhr. Bisschop (SGP) aan de ministers Slob en Van Engelshoven:

 

  1. Hebt u kennis genomen van het bericht ‘Mijn kind wil niet meer Joods zijn’?
  2. Herkent u de constatering dat het aantal incidenten tegen Joodse leerlingen gestegen is tijdens het recente conflict tussen Israël en Gaza? In hoeverre heeft de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de inspectie) in die periode (meer) signalen ontvangen over dergelijke misstanden en wat is daarmee gebeurd?
  3. Hoe reageert u op de signalen dat de situatie op school voor Joodse leerlingen kennelijk onvoldoende veilig is om aanwezig te kunnen zijn? Is het uitgangspunt van het beleid van de inspectie om een specifiek onderzoek uit te voeren als zulke signalen over de veiligheid van leerlingen ontvangen worden? Zo ja, zijn dergelijke onderzoeken in uitvoering?
  4. Wat is uw reactie op de praktijk dat Joodse leerlingen zelfs door leraren ter verantwoording worden geroepen over het handelen van Israël? Wilt u in overleg met de sectororganisaties verkennen hoe dit probleem op de kaart gezet en aangepakt kan worden?
  5. In hoeverre is er sprake van afstemming tussen de Inspectie van het Onderwijs en de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding als het gaat om misstanden in het onderwijs? Bent u bereid om met de coördinator te verkennen hoe de bestrijding van antisemitisme in het onderwijs verbeterd kan worden?
  6. Bent u bereid financiële steun te geven aan initiatieven die, in samenwerking met scholen, antisemitisme onder leerlingen en leraren tegengaan? Wilt u hierover in contact treden met organisaties als het CIDI, het Joods Cultureel Kwartier en de Stichting antisemitismepreventie, onder meer over het organiseren van de genoemde lerarenreizen?