Vandaag 25 jaar geleden: de Oslo-akkoorden

25 jaar geleden tekenden Israel en de Palestijnse PLO de zogeheten Oslo-akkoorden, na geheime onderhandelingen in – jawel – Oslo. De akkoorden leken aanvankelijk een historische doorbraak, maar tot een permanente vrede kwam het niet. Hoe verliep het Oslo-proces? Een overzicht. 

Vandaag  is het precies 25 jaar geleden dat de zogeheten Oslo-akkoorden tussen Israel en de Palestijnse organisatie PLO op het grasveld van het Witte Huis werden getekend. Het document droeg de titel “Declaration of Principles on Interim Self-Government Arrangement” en bevatte de uitgangspunten voor onderhandelingen over een permanente oplossing voor het Israelisch-Palestijnse conflict. Oslo schiep de basisvoorwaarden voor wederzijdse onderhandelingen: de PLO erkende Israels bestaansrecht, en Israel erkende de PLO als legitieme vertegenwoordiger van de Palestijnen.

Bovendien nam PLO-leider Arafat afstand van de gewapende strijd en verklaarde hij dat toekomstige geschillen door middel van onderhandelingen zouden worden opgelost. Israel stond Arafat daarom toe om zich na jarenlange ballingschap in Tunesië te vestigen in Gaza.

Gefaseerde terugtrekking

In de Oslo-akkoorden werd afgesproken dat er binnen vijf jaar een permanente oplossing moest komen voor het Israelisch-Palestijnse conflict. In de tussentijd zouden de Palestijnen alvast een autonome interim-regering krijgen (later werd dit de Palestijnse Autoriteit). Door middel van een gefaseerde terugtrekking van Israelische troepen uit gebieden op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza, zouden de Palestijnen geleidelijk steeds meer zelfbestuur krijgen.

Enthousiasme en kritiek

Ondanks de hoopvolle reacties van de internationale gemeenschap en in Israel zelf, ondervonden de Oslo-akkoorden vanaf het begin hevige kritiek, zowel van Israeli’s als van Palestijnen. Veel Palestijnen waren verbijsterd over de akkoorden: de PLO had decennialang opgeroepen tot de vernietiging van Israel, en de plotselinge erkenning was voor sommigen bijna heiligschennis. Terreurgroepen als Hamas verzetten zich hevig tegen de toenadering tussen Israel en de PLO.

Ook in Israel was er veel kritiek: rechtse Israeli’s meenden dat premier Yitzchak Rabin te toegeeflijk was geweest richting Arafat en geloofden niet dat de voormalig terroristenleider in staat was tot vrede. Zij zagen hun wantrouwen bevestigd in het feit dat er ook na het tekenen van ‘Oslo’ nog steeds Palestijnse aanslagen plaatsvonden. Met name in de radicale flank van de kolonistenbeweging nam het wantrouwen jegens de Israelische regering sterk toe na de Oslo-akkoorden. Dieptepunten waren de terreuraanslag door de extreemrechtse Baruch Goldstein in Hebron in 1994, waarbij 29 Palestijnen omkwamen, en de aanslag op de Israelische premier Rabin door de extreemrechtse Israeli Yigal Amir, op 4 november 1995.

Onoverbrugbare tegenstellingen

Ondanks de moord op Rabin en het voortduren van Palestijnse terreuraanslagen, ging het Oslo-proces door. Zowel Rabins opvolger Shimon Peres als diens opvolger Benjamin Netanyahu sloten in de jaren negentig meerdere overeenkomsten met de PLO om gebieden over te dragen aan de Palestijnse Autoriteit.

Hoewel de gebiedsoverdracht (met enkele onderbrekingen) doorging, kwam het niet tot een eindakkoord voor een permanente oplossing tussen Israel en de Palestijnen. De obstakels waren en zijn te groot: zo zijn de partijen het niet eens over een oplossing voor de (nakomelingen van) Palestijnse vluchtelingen die in omringende Arabische landen en elders verblijven, en zijn ook de verschillen over de status van Jeruzalem onoverbrugbaar. Met het uitbreken van de ‘tweede intifada’, in september 2000, kwam het Oslo-proces feitelijk ten einde.

Slachtoffers voor de vrede

Vanaf het ondertekenen van de Oslo-akkoorden, op 13 september 1993, tot het uitbreken van de ‘tweede intifada’ in september 2000, kwamen meer dan 300 Israeli’s om bij Palestijnse terreuraanslagen. Zij werden door het Israelische vredeskamp ‘slachtoffers voor de vrede’ genoemd. 

Tijdens de tweede intifada (september 2000 tot december 2005) kwamen nog eens zo’n 1100 Israeli’s bij Palestijnse aanslagen om het leven. In de periode september 1993 tot december 2005 vielen onder de Israelische bevolking als gevolg van de Palestijnse terreuroorlog bovendien ruim zevenduizend (veelal zwaar) gewonden. 

Het vanaf 2003 door Israel bouwen van de omstreden veiligheidsbarrière bracht het Palestijnse terrorisme aanzienlijk terug. Het Oslo-proces was in september 2000 al feitelijk tot stilstand gekomen. Maar na de daarop volgende terreuroorlog (2000-2005) leek ook bij het zogeheten vredeskamp alle hoop op een vreedzame oplossing te zijn vervlogen

Hieronder een overzicht van het Oslo-proces, van begin tot eind.

1993

13 september – Israel en de PLO ondertekenen de Declaration of Principles (het Oslo-akkoord) na maanden van geheime onderhandelingen in Oslo.

1994

4 mei – Premier Rabin en de Palestijnse leider Arafat ondertekenen het Caïro-akkoord voor de implementatie van de Palestijnse autonomie. Jericho en Gaza worden de eerste autonome Palestijnse gebieden (13 en 17 mei).

1 juli – Jasser Arafat keert terug naar Gaza en neemt de leiding op zich van de Palestijnse Autoriteit in Gaza en Jericho.

1995

28 september – Rabin en Arafat tekenen in Washington het Oslo-II-akkoord, dat de uitbreiding van de Palestijnse Autonomie regelt.

4 november – Premier Rabin wordt vermoord door een extreemrechtse Israeli. Sjimon Peres volgt hem op.

13 november/22 december – Israel draagt Jenin, Toelkarm, Nabloes, Ramallah en Bethlehem over aan de Palestijnen.

1996

20 januari – Voor het eerst vinden er Palestijnse verkiezingen plaats. Arafat wordt president van het 88-leden tellende Palestijnse parlement.

5 mei – In Taba beginnen de onderhandelingen voor een definitieve vredesregeling.

29 mei – Benjamin Netanjahoe wordt gekozen als de nieuwe Israelische premier.

1 oktober – Onder leiding van president Clinton komen in Washington de Palestijnse leider Arafat, premier Netanjahoe en koning Hoessein voor crisisberaad over de terugtrekking uit Hebron bijeen.

1997

15 januari – Netanjahoe en Arafat sluiten een overeenkomst over de Israelische terugtrekking uit bijna geheel Hebron en de gefaseerde terugtrekking uit de Westoever, uitgezonderd de nederzettingen en militaire lokaties.

6 oktober – Na een impasse van zeven maanden worden de vredesonderhandelingen hervat.

30 november – Israel aanvaardt het uitgangspunt van een beperkte terugtrekking uit de Westoever. De PA wijst op 1 december de voorgestelde terugtrekking van 8% en de daaraan verbonden voorwaarden af.

1998

23 oktober – In Wye Plantation in Maryland sluiten Netanjahoe en Arafat het Wye-akkoord. Hierin wordt de Israelische terugtrekking uit 13% van de Westoever geregeld en verder o.a. de vrijlating van 750 Palestijnen uit Israelische gevangenschap.

20 november – Israel begint met de uitvoering van het Wye-akkoord: er komen 250 Palestijnse gevangenen vrij; Israel draagt gebied (2%) bij Jenin op de Westoever aan de Palestijnse Autoriteit over.

14 december – In aanwezigheid van president Clinton stemt de Palestijns Nationale Raad in met de herroeping van het Palestijns Handvest, waarin wordt opgeroepen tot de vernietiging van de staat Israel. Israel aanvaardt de herroeping.

1999

17 mei – Israel kiest Ehoed Barak tot zijn nieuwe premier.

4 september – Barak en Arafat tekenen in Sharm-al-Sheikh het Wye-II-akkoord. In plaats van drie maanden zal de uitvoering van Wye-I een jaar duren. De streefdatum voor een allesomvattende vredesregeling wordt bepaald op 13 september 2000. Andere afspraken uit Wye-I zullen versneld worden uitgevoerd.

10 september – Israel draagt nog eens 7% van de Westoever over aan de Palestijnen.

8 november – In Ramallah beginnen de eindonderhandelingen

2000

6 februari – De eindonderhandelingen worden definitief afgebroken. De overdracht van 6,1% land gaat voorlopig niet door.

19 maart – Het Israelische kabinet aanvaardt verdere Israelische terugtrekking uit de Westoever van 6,1%: 18% valt nu onder volledig Palestijns bestuur, 21,7% onder Palestijns civiel bestuur. Israel blijft verantwoordelijk voor de veiligheid. Op 21 maart vindt uitvoering van het besluit plaats.

3 juli – De Centrale Raad van de PLO zegt op 13 september de Palestijnse staat uit te roepen.

10 juli – Barak verliest de meerderheid in het parlement, maar kan met een minderheidsregering verder regeren.

11 juli – 25 juli – Barak en Arafat komen op initiatief van Clinton voor topoverleg in Camp David bijeen. De onderhandelingen leiden niet tot concrete afspraken. Volgens Clinton was Arafat niet bereid tot een compromis.

september – de tweede intifada breekt uit nadat Ariel Sharon de Tempelberg bezoekt. Hoewel het bezoek algemeen werd beschouwd als de aanleiding voor de daaropvolgende Palestijnse terreurcampagne, verklaren Palestijnse leiders dat de tweede intifada ook zonder het bezoek zou hebben plaatsgevonden.

2001

21-25 januari – Barak en Arafat onderhandelen in het Egyptische Taba en doen een laatste poging om een vredesakkoord te bereiken. Uitgangspunt is het vredesplan van president Clinton uit december 2000. De partijen komen dichtbij een overeenkomst, maar slagen er niet in om een concreet akkoord te sluiten door onenigheid over de toekomst van Palestijnse vluchtelingen en de status van Jeruzalem.

In februari wint Ariel Sharon de verkiezingen van Ehoed Barak. Hij weigert te onderhandelen met Arafat. De tweede intifada woedt intussen in alle hevigheid. Het Oslo-proces komt hiermee ten einde.

 

Dit stuk verscheen eerder in de Israel Nieuwsbrief. Vrienden van CIDI krijgen de Israel Nieuwsbrief, met achtergrondartikelen over Israel en antisemitisme, gratis thuisgestuurd. Word hier Vriend van CIDI!