Wanneer kritiek op Israel omslaat in antisemitisme

IN ISRAEL, NEDERLAND, ANTISEMITISME / Door: CIDI / 25 aug 2026


Recente uitspraken van Frans Timmermans over Israel en Gaza leidden tot ophef en een aangifte wegens antisemitisme. Johan Derksen nam het in De Telegraaf voor Timmermans op, maar gebruikt daarbij zelf formuleringen die volgens de IHRA-werkdefinitie van Jodenhaat als antisemitisch kunnen worden aangemerkt. Waar ligt de grens tussen legitieme kritiek op Israel en antisemitisme?

Uitgeroeid
In een interview in De Morgen van 25 juli sprak voormalig GL-PvdA-leider en kersverse minister van Staat Frans Timmermans zich uit over de oorlog in Gaza. Hij zei dat in het Midden-Oosten ‘momenteel een heel volk wordt uitgeroeid’ en dat de Palestijnen ‘letterlijk in zee worden gedreven’. Vervolgens trok hij een directe vergelijking met de Holocaust: ‘De redenering van rechts en extreemrechts in Israel is: wij Joden kunnen alleen maar overleven als de Palestijnen weg zijn. Dat is exact dezelfde redenering als die van de nazi’s destijds: wij, het Duitse volk, het Arische ras, kunnen alleen maar overleven als de Joden weg zijn’. Timmermans vervolgde: ‘Hun grootouders en overgrootouders is in de nazitijd iets verschrikkelijks overkomen: de Holocaust, waarbij ze werden vernietigd, en nu doen zij precies hetzelfde met een ander volk.’

De uitspraken leidden tot felle kritiek en er werd aangifte gedaan wegens onder meer groepsbelediging en haatzaaien. Johan Derksen neemt het in zijn recente column in De Telegraaf op voor Timmermans. Hij noemt hem ‘intelligent’ en schrijft dat Timmermans ‘even vergat dat genocide en Holocaust beladen woorden zijn in Joodse kringen’. Volgens Derksen luisteren Joden bij die woorden niet meer naar de boodschap, maar ‘overheerst de emotie en worden de reacties ongenuanceerd’. De kritiek op Timmermans noemt hij ‘de zoveelste onredelijke en zinloze discussie over het toenemende antisemitisme’.

Nieuwe daders
Eerst de uitspraken van Timmermans. Kritiek op de Israelische regering, haar beleid of het militaire optreden is natuurlijk legitiem. Maar wanneer het handelen van Israel rechtstreeks wordt vergeleken met dat van nazi-Duitsland, wordt een grens overschreden. De IHRA-werkdefinitie, die Nederland gebruikt om antisemitisme te herkennen en te benoemen, maakt dit onderscheid expliciet. Kritiek op Israël die vergelijkbaar is met kritiek op ieder ander land is niet antisemitisch. Echter, het trekken van vergelijkingen tussen het hedendaagse Israelische beleid en dat van de nazi’s noemt de definitie expliciet als voorbeeld van antisemitisme.

De vergelijking met nazi-Duitsland haalt de Holocaust de politieke discussie binnen en plaatst Israel in de rol van de historische dader. Daarmee wordt de geschiedenis van Joodse vervolging en slachtofferschap omgekeerd: de staat die door veel Joden wordt gezien als een antwoord op eeuwen van vervolging, wordt nu in de rol van de vervolger geplaatst. Velen zien dit als een perverse en antisemitische omkering van de geschiedenis.

Wat de oorlog tussen Israel en Hamas in vergelijking met andere oorlogen opvallend maakt, is niet de omvang, de intensiteit of het aantal burgerslachtoffers. Het is de reflex om deze oorlog voortdurend te spiegelen aan de Holocaust en andere traumatische dieptepunten uit de Joodse geschiedenis. Van de zeefdrukken van Anne Frank als Palestijns slachtoffer tot het uitroepen van Gaza als het nieuwe getto van Warschau: steeds weer wordt het lot van de Palestijnen gespiegeld aan het historisch leed van de Joden.

Sommigen vragen zich af waarom dat nodig is. Is Palestijns lijden niet ernstig genoeg om op zichzelf te worden erkend? Met de voorstelling van Palestijnen als ‘de nieuwe Joden’ wordt de geschiedenis van antisemitische vervolging niet alleen instrumenteel ingezet, maar juist omgedraaid en tegen Joden gebruikt.

Steeds meer lijken Joden te worden gediskwalificeerd, hun slachtofferschap wordt hun ontnomen. En erger nog: Joden worden neergezet de nieuwe daders. Morele daders zelfs, want zouden zij niet ‘beter moeten weten’? Het is een retoriek die morele verantwoordelijkheid herschikt, totdat juist de groep die eeuwenlang vervolgd werd, verantwoordelijk wordt gemaakt voor het kwaad dat ooit tegen haar werd gericht.

Collectief
Derksen doet daar in zijn column nog een stap bovenop. Hij schrijft: ‘de Joodse gemeenschap moet de door Israel uitgevoerde massamoord in Gaza niet proberen goed te praten’. Daarmee worden alle Nederlandse Joden door de journalist collectief aangesproken op het handelen van de Israelische regering. Ook dít noemt de IHRA-werkdefinitie expliciet als voorbeeld van antisemitisme.

Vervolgens ridiculiseert Derksen prominente Joodse Nederlanders (‘boegbeelden’) zoals Leon de Winter, Natascha van Weezel, Frits Barend en Herman Loonstein, die volgens hem massaal ‘emotionele, gekwetste en boze monologen’ in de media afsteken. Hun kritiek wordt door Derksen niet inhoudelijk weerlegd, maar weggezet als een irrationele reflex van Joden die niet meer naar de boodschap zouden kunnen luisteren.

Beter weten
Wie Israel bekritiseert, spreekt een regering aan. Wie de Holocaust inzet om Israel in de rol van het ultieme kwaad te plaatsen en vervolgens Nederlandse Joden daarvoor verantwoordelijke te houden, veroordeelt een hele bevolkingsgroep. De taal verandert, maar het mechanisme is eeuwenoud: Joden worden niet langer gezien als degenen tegen wie het onrecht zich richt, maar als samenzwerend collectief dat er verantwoordelijk voor is.

In één opzicht heeft Derksen gelijk: Timmermans is ‘intelligent’, een man met een lange staat van dienst. En juist daarom zou hij ‘beter moeten weten’. Niet ‘de Joden’, maar Timmermans zelf.