37 jaar controverse over nederzettingen

Op 17 augustus, een dag voordat Likud stemde over deelname van de Arbeidspartij aan de regeringscoalitie, heeft de Israelische regering goedkeuring gegeven aan de uitbreiding van vier nederzettingen in de West Bank. Deze week is Israel bovendien begonnen met de bouw van 100 nieuwe woningen in Har Gilo (niet te verwarren het de Jeruzalemse wijk Gilo), een nederzetting die pal tegen Bethlehem aanligt.

Sharon wringt zich in allerlei bochten om de ontruiming van de Gazastrook en de ontmanteling van twee kleine nederzettingen in het noorden van de Westbank geaccepteerd te krijgen door rechtse ministers in zijn regering. Tegenover ontruiming van Gaza staat uitbreiding van onder andere Ma’ale Adumim, Beitar Illit en Ariel; dit lijkt Sharons strategie om opstandige elementen in zijn partij over te halen. Het Amerikaanse standpunt in deze kwestie is niet helder; de Amerikanen geven tegenstrijdige verklaringen af.

Internationaal recht

De uitbreiding van nederzettingen vormt een obstakel voor vrede. De geografische verspreiding van nederzettingen rondom de Palestijnse bevolkingscentra brengt de levensvatbaarheid van een Palestijnse staat in gevaar. Bovendien zijn de nederzettingen volgens internationaal recht problematisch en hebben ze negatieve gevolgen hebben voor de leefomstandig-heden van de lokale Palestijnse bevolking. Ook tijdens de Oslo-akkoorden (die de bouw van nederzettingen niet verbieden) ging de uitbreiding van nederzettingen, met name rondom Jeruzalem, door. Tussen september 1993, toen Rabin en Arafat de Beginselverklaring ondertekenden, tot aan September 2000, toen de Al Aqsa intifada uitbrak, groeide het aantal woningen en flats in de Westbank (zonder Jeruzalem) en de Gazastrook van 20.400 tot 31.400. In de Westbank (zonder Jeruzalem) wonen thans ruim 200.000 Joden in meer dan 120 nederzettingen.

Allon-plan

De eerste nederzetting op de Westbank, Kfar Etzion, werd in september 1967 gesticht door familieleden van de oorspronkelijke inwoners van Kfar Etzion, een Joods plaatsje dat in de onafhankelijkheidsoorlog van 1948 door de Arabieren werd verwoest. Eind 1967 kwam de Israelische regering met officieel beleid voor de nieuw veroverde gebieden. Volgens het zogenaamde Allon-plan zou voor de militaire veiligheid van Israel de Jordaanvallei en de Judea Woestijn geannexeerd moeten worden. Annexatie van dichtbevolkte Palestijnse gebieden moest vermeden worden. De eerste (militaire) nederzettingen werden dan ook met name in de zeer dunbevolkte Jordaanvallei gebouwd.

Gush Emunim

In 1974 werd Gush Emunim (het Blok der Getrouwen) opgericht, dat onder geestelijk leiderschap van Rabbijn Kook stond. Gush Emunim beschouwt Judea en Samaria (West Bank) vanuit een religieuze optiek als onlosmakelijk onderdeel van het Land van Israel. Door middel van zoveel mogelijk verspreid gelegen nederzettingen probeert deze beweging, ondanks de beperkte bevol-kingsaantallen die het kan mobiliseren, grip te krijgen op zo groot mogelijke delen van de Westbank.

Deze strategie werd overgenomen door Sharon als minister van Landbouw in de eerste Likud regering van 1977 tot 1981. Vanaf deze tijd stimuleerde de regering juist de bouw van nederzettingen in de westelijke heuvels en in de centrale berggebieden van Samaria, om te voorkomen dat Palestijnse bevol-kingscentra zouden vergroeien met Israelisch-Arabische steden als Umm el Fahm en Kafr Qasem. De regering deed ook zijn uiterste best om niet-ideologische inwoners naar de nederzettingen te lokken, middels financiële stimuli, kortingen op land, goedkope hypotheken en door het bevoordelen van lokale autoriteiten in de Westbank boven Israelische gemeenten binnen de Groene Lijn.

Naast de annexatie van Oost-Jeruzalem vrijwel direct na de Zesdaagse Oorlog heeft Israel de zeggenschap verkregen over ongeveer 50 % van het landoppervlak in de Westbank. Dit gebeurde middels de overname van land voor militaire (veiligheids-)doeleinden, het beheren van land dat al “staats”grond was, het bestempelen van land als bezit van afwezigen (vluchtelingen), aankoop van land en onteigening van land ten behoeve van publieke doeleinden. Eén van de voornaamste doelen daarbij was de stichting en uitbreiding van nederzet-tingen en aanleg van wegen naar nederzettingen.

Volgens artikel 49 van de Vierde Geneefse Conventie is het overbrengen van eigen bevolking naar bezet gebied niet toegestaan. Israel heeft altijd betoogd dat de Geneefse Conventie niet van toepassing is op de West Bank omdat dat gebied niet bezet maar betwist is, en niet officieel toebehoorde aan een andere staat (de annexatie door Jordanië in 1950 werd internationaal niet erkend, zelfs niet door de Arabische Liga). Het Israelische ministerie van Buitenlandse Zaken stelt bovendien dat de verhuizing van Joodse bewoners naar Judea en Samaria de vrijwillige terugkeer omvat naar steden en dorpen van waaruit zij of hun voorouders zijn verdreven. De nederzettingen zijn echter in overgrote meerderheid nieuwe plaatsen. De kolonisten hebben zich dan ook niet in het bestaande leefpatroon van de lokale Palestijnse bevolking ingepast, maar leven in een van de Palestijnen gescheiden (fysiek en juridisch) systeem. Overigens heeft de Israelische procureur-generaal de regering dinsdag geadviseerd de mogelijkheid te onderzoeken om de Vierde Geneefse Conventie formeel van toepassing te verklaren op de West Bank. Dit zou een breuk betekenen met het beleid tot nog toe.

Definitieve claim

Het Israelische Hooggerechtshof heeft zich op het standpunt gesteld dat het vestigen van nederzettingen geen definitieve claim doet gelden op het grondgebied in de Westoever. Op 22 oktober 1979 sprak het Hooggerechtshof een arrest uit over de nederzettingen Elon Moreh en Beth El, waarin bepaald werd dat: “een burgernederzetting mag bestaan in het gebied zolang het leger het land bezit krachtens inbeslagname. Het bezit zal op een gegeven moment beëindigd kunnen worden, als resultaat van internationale onderhandelingen die waarschijnlijk in een nieuwe regeling zullen eindigen. Zo’n regeling zal geldigheid verkrijgen op grond van het internationale recht en zal het lot van die nederzetting en die van alle andere nederzettingen, die in de bezette gebieden gevestigd zijn, bepalen.”

De Israelische regering, de Knesset en de legerbevelhebbers hebben, met goedkeuring van het Hooggerechtshof, de Israelische en militaire wetgeving zodanig gewijzigd dat de nederzettingen de facto (niet de jure) geannexeerd zijn.

Er wordt een juridische scheiding aangebracht tussen Israelische kolonisten, die volgens Israelisch burgerlijk recht worden behandeld en de lokale Palestijnse bevolking, die onder militair bestuur valt. Voor een kolonist, die voor de Knesset stemt, nationale belastingen en ziektekosten betaalt, heeft de Groene Lijn geen betekenis. Een Palestijn uit de Westbank kan sinds de verhevigde gewelddadigheden in de jaren 90 niet zonder toestemming de Groene Lijn oversteken.

Ook voor toegang tot grondgebied behorend tot de jurisdictie van nederzettingen is speciale toestemming vereist, alhoewel vele Palestijnen in de Joodse nederzettingen werkzaamheden verrichten.

Ook maakt de wet- en regelgeving voor ruimtelijke ordening in de zogenaamde C-gebieden onderscheid tussen nederzettingen enerzijds en Palestijnse steden en dorpen op de Westbank anderzijds.

Britse mandaat

Voor de uitbreiding van Palestijnse dorpen en steden wordt vastgehouden aan de restrictieve regionale plannen van het Britse mandaat (1920-1948). Deze plannen bestempelen vrijwel het gehele gebied buiten de bebouwde kom als landbouwgrond of natuurgebied. Bouw in Palestijnse dorpen vindt dan over het algemeen volgens het opvulprincipe plaats: lege stukken land binnen de bebouwde kom moeten volgebouwd worden, met een voortschrijdende verhoging van de bevolkingsdichtheid tot gevolg. De ruimtelijke ordening van nederzettingen wordt met veel meer flexibiliteit uitgevoerd. Zij hebben wel de mogelijkheid om binnen hun regionale of lokale grenzen te groeien. Na de Oslo-akkoorden is de ruimtelijke ordening in de zones A en B overigens een bevoegdheid van de Palestijnse Autoriteit geworden, waardoor in dit gebied de Palestijnse steden eveneens kunnen uitbreiden.

Twee-statenoplossing

Als premier Sharon werkelijk gelooft in een twee-statenoplossing doet hij er verstandig aan de nederzettingen in de Westbank niet verder uit te breiden. Hierdoor blijft de vorming van een levensvatbare Palestijnse staat alsnog tot de mogelijkheden behoren, al is het dan wellicht noodzakelijk stukjes Israel van binnen de groene lijn te ruilen met enkele nederzettingen. Sharon, één van architecten van de nederzettingenpolitiek, maar tevens de verantwoordelijke voor het afbreken van de Joodse nederzettingen in de noordelijke Sinaiwoes-tijn in 1982, zal dan krachtig tegen de sterke politieke lobby van religieuze en nationalistische kolonisten moeten opboksen. Al 37 jaar is dat een erg lastige opgave gebleken.