Arafats dreiging om op 4 mei een Palestijnse staat uit te roepen, was altijd al meer een politiek drukmiddel dan een realiteit. Eén van Arafats problemen was, dat het volstrekt onduidelijk is over welk grondgebied precies hij die staat moet uitroepen. Is dat over de Westoever, Gaza en (Oost-)Jeruzalem, of over de stukken land die momenteel onder Palestijnse controle staan? In dit laatste geval zou hij zijn achterban hevig teleurstellen.

door Ronny Naftaniel

In het eerste geval zou hij op onaanvaardbare wijze vooruitlopen op de uitkomst van de vredesonderhandelingen met Israel. Waar de grenzen van een mogelijke Palestijnse staat en Israel komen, is een zaak die aan de onderhandelingstafel moet worden beslecht. De VS en Europa zouden bovendien nooit voorafgaande aan een vredesregeling (Oost-)Jeruzalem als hoofdstad van die staat accepteren. Voeg bij deze problemen van Arafat het feit dat Israel op 17 mei naar de stembus gaat en de Palestijnse leider de Israelische verkiezingen niet negatief wil beïnvloeden, dan is het duidelijk dat de 4e mei in het Midden-Oosten een dag als alle andere zou zijn geworden.

Toch heeft Arafat de datum op een zodanige wijze uitgespeeld, dat hij vorige week een grote diplomatieke zege heeft geboekt. Toen kondigden de Europese ministers van Buitenlandse Zaken voor het eerst aan een Palestijnse staat te ondersteunen. "De EU is bereid de erkenning van een Palestijnse staat te gelegener tijd in overweging te nemen", verklaarden zij. Voorts wilden ze dat de vredesonderhandelingen nu binnen een jaar zouden worden afgerond. Volgens verschillende diplomatieke bronnen zou de verklaring nauwgezet met de regering van de VS zijn gecoördineerd. Premier Netanjahoe sprak er onmiddellijk schande van. Hij refereerde aan de moord op de zes miljoen Joden in de Tweede Wereldoorlog die in Europa heeft plaatsgehad en waarschuwde dat een Palestijnse staat de thuisbasis zou kunnen zijn van allerlei vijandelijke legers.

Netanjahoe’s taalgebruik en boosheid zijn overtrokken. Een Palestijnse staat is de onvermijdelijke uitkomst van de vredesonderhandelingen, waaraan ook hij zijn bijdrage heeft geleverd. Dat Europa, zonder zich uit te spreken over de grootte van die staat en het tijdstip van erkenning, alvast op die eindoplossing wijst, is derhalve niets bijzonders. Veel opmerkelijker is dat de EU-ministers zich door een sluwe Arafat in de luren hebben laten leggen in de naïeve hoop dat zij het uitroepen van een Palestijnse staat voor onbepaalde tijd uitgesteld hebben. Die opvatting is even onrealistisch als het voor de Israelische verkiezingen wijzen op de wenselijkheid dat de vredesbesprekingen binnen een jaar moeten zijn afgerond. Misschien hadden de Europese ministers, net zoals Arafat allang van plan was, met hun uitspraak beter kunnen wachten tot na 17 mei.