College voor de Rechten van de Mens dringt aan op maatregelen tegen discriminatie

Het College voor de Rechten voor de Mens heeft een rapport uitgebracht over discriminatie in 2019, in de breedste zin van het woord. Verschillende vormen van discriminatie, waaronder antisemitisme, worden uitgebreid belicht. Op basis van bevindingen dringt het College bij verschillende overheidslagen aan op meer en betere maatregelen om discriminatie tegen te gaan.

  • 43% van de Joden in Nederland past wel eens het uiterlijk om kleding aan uit angst voor antisemitische bejegening. Dit vormt een inbreuk op hun mensenrechten.

Het College voor de Rechten van de Mens maakt onder andere de aanbevelingen om:

  • betere regelgeving te maken om discriminatie te straffen, zonder afbreuk te doen aan speciale aandacht voor specifieke groepen
  • belangenorganisaties te betrekken bij het formuleren van beleid, hen financieel te steunen en om gebruik te maken van de kennis uit hun meldpunten

Mensenrechten worden vaak geassocieerd met barre omstandigheden in minder ontwikkelde landen dan Nederland. Volgens het College voor de Rechten van de Mens (hierna College) gaat het om ieders recht om “zich zonder gediscrimineerd te worden veilig in de openbare ruimte te kunnen begeven.” Het jaarrapport bevestigt dat inbreuk op dit recht echter structureel voorkomt in Nederland, en dringt aan op een betere aanpak door de overheid.

Het discriminatoire aspect van incidenten die nog te veel voorkomen, staat bovendien niet op zichzelf, zo wordt benadrukt. “Dergelijk gedrag wordt vaak uitsluitend in verband gebracht met recht op non-discriminatie, terwijl het ook de uitoefening van andere mensenrechten belemmert.” Wie op straat uitgescholden wordt vanwege het dragen van een keppel of omdat iemand hand in hand loopt met een ander van hetzelfde geslacht, wordt beperkt in het basisrecht zich overal veilig te voelen en vooral om zichzelf te kunnen zijn.

Het College is omvattend in de manieren waarop grote groepen in de samenleving reden hebben om uit angst bepaalde plaatsen te mijden, al dan niet op bepaalde tijdstippen, of om hun uiterlijk aan te passen. Veel vrouwen, ouderen of mensen die herkenbaar zijn als Joods, moslim of LHBTI hebben te vaak te maken discriminerend gedrag op een van deze gronden.

Mesenrechten en antisemitisme

Over antisemitisme is de rapportage goed ingelicht. Er wordt uitvoerig verwezen naar de CIDI-monitor, en relevante statistieken uit andere onderzoeken naar antisemitisme komen ook naar voren. Zo valt te lezen dat maar liefst 43% van de Joden in Nederland wel eens uiterlijk of kleding aanpast in het openbaar, uit voorzorg om intimidatie en bedreiging te vermijden.

In het licht van dat gegeven ligt een grote verantwoordelijkheid om dit cijfer terug te dringen bij de overheid. Deze is eindverantwoordelijk voor het garanderen van mensenrechten, aldus het College. Hier kunnen verbeteringen worden gemaakt.

Zo wordt bijvoorbeeld gewezen op de mogelijkheid om specifieke vormen van discriminatie doelgericht aan te pakken, bijvoorbeeld door specifieke verordeningen met betrekking tot handhaving op gemeentelijk niveau. Momenteel hebben met name kleinere gemeenten geen of weinig lokaal beleid tegen discriminatie.

Over antisemitisme merkt het College verder op dat de aangiftebereidheid laag ligt. Volgens het College moet de overheid het gebruik van bestaande meldpunten, waaronder dat van CIDI, bevorderen. Melden brengt het probleem duidelijk in kaart, waarmee uiteindelijk effectiever beleid gevoerd kan worden. Bovendien is het de eerste stap naar het oplossen van concrete incidenten en problemen.

Hoewel het rapport stelt dat dit geldt voor slachtoffers van antisemitisme in het algemeen, moet hierbij benadrukt worden dat antisemitisme beslist niet alleen Joden treft. Antisemitisch schelden lijkt gemeengoed te zijn in de Nederlandse taal, in het bijzonder onder jongeren. De discriminatierapporten van de politie en het ministerie van Binnenlandse Zaken laten bijvoorbeeld zien dat politieagenten vaak homofoob en antisemitisch worden uitgescholden.

Online discriminatie en aangifte

Het College biedt specifiek aandacht aan online discriminatie en haatspraak. Hoewel een groot deel van discriminatie online plaatsvindt, zijn maatregelen hier moeilijk te nemen: het internet heeft bij uitstek een internationaal en anoniem karakter, waardoor opsporing moeilijk is. Bovendien geldt hier dat het mensenrecht je veilig te voelen soms botst met een andere vrijheid: die van meningsuiting (een ietwat ongelukkige term, waar het racistische scheldpartijen betreft).

Om het strafrechtelijke verbod op discriminatie alsnog op online incidenten te kunnen toepassen, gebruiken politie en OM sinds 2019 de Aanwijzing Discriminatie. Hierin is vastgelegd dat bij aangifte van online discriminatie onder meer de accountnaam, de openbaarheid van de uiting en de periode waarin de uiting online heeft gestaan, moeten worden vastgelegd.

Voor een langdurige zaak waar CIDI aan de bel heeft getrokken (en die aan bod komt in het jaarrapport van het College) betekent dit dat een reeks vileine uitingen ondanks hun grove discriminatie voor de huidige wet moeilijk te beoordelen zijn, omdat ze niet openbaar zijn gemaakt.

Vermoedelijk heeft de zaak door een veelheid aan dergelijke technische zaken vertraging opgelopen. Inmiddels heeft de politie hiervoor speciale cybercrimeteams, waarvan de versterking hard nodig lijkt: “Het onderzoeken van aangiftes van discriminerend gedrag op internet vereist specifieke kennis en deskundigheid van de politie, onder meer om de verdachten op te sporen, maar ook om de bejegening van en de hulp aan slachtoffers.”

Zoals genoemd is de overheid eindverantwoordelijk voor het beschermen van eenieders mensenrechten tegen discriminatie. Op dit gebied zijn gelukkig ook positieve ontwikkelingen te noemen. Het Actieplan Aanpak Antisemitisme, voorkomend uit de initiatiefnota die momenteel in de Tweede Kamer wordt uitgewerkt, is er een van.