Grapperhaus: bestrijden van antisemitisme van groot belang

“Het kabinet acht het bestrijden van antisemitisme en andere dreigingen tegen de rechtsorde van groot belang”. Dat schrijft minister van Justitie en Veiligheid Ferd Grapperhaus in antwoord op Kamervragen. De vragen gingen met name over de kosten van de beveiliging van de Joodse gemeenschap en wie daarvoor de portemonnee zou moeten trekken.

Minister Ferd Grapperhaus (bron: Rijksoverheid)

De afzonderlijke Kamervragen van leden Thierry Baudet (FvD) en Kathalijne Buitenweg (GroenLinks) kwamen net na de aanslag in Wenen en het uitkomen van rapporten over het dreigingsniveau in Nederland, waardoor de veiligheid hier ook ter sprake kwam. Baudet riep op tot meer en veel effectievere beveiliging van de Joodse gemeenschap en Buitenweg vroeg naar de dreigingsindicatie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, en hoe het dreigingsniveau zich verhoudt tot de specifieke veiligheid van de relatief kleine Joodse gemeenschap.

Grapperhaus stelt onder meer vast dat het dreigingsniveau momenteel op drie staat, maar dat hij is teleurgesteld dat het specifiek voor de Joodse gemeenschap niet minder is geworden afgelopen jaar. Grapperhaus erkent dat de dreigingen met name vanuit rechts-extremistische en de radicaal-islamitische hoek komen. Zo schrijft hij ook: “Door inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt de veiligheidssituatie ten aanzien van joodse gemeenschap scherp gemonitord. Indien dreiging en risico daar aanleiding toe geven kunnen de lokale autoriteiten passende maatregelen treffen.”

Daarnaast geeft de minister aan dat de dreigingsindicatie van de NCTV een puur landelijk beeld geeft en dus niet gericht is op bepaalde groepen in de samenleving. De uitkomsten van het rapport van Bij Leven en Welzijn, waarin ook de CIDI-antisemitismemonitor werd meegenomen, is volgens hem betreurend te noemen. Verder schrijft Grapperhaus: “Iedere soort dreiging acht ik in de democratische rechtsstaat onacceptabel. Het kabinet acht het bestrijden van antisemitisme en andere dreigingen tegen de rechtsorde van groot belang.”

Hoewel hij stelt dat de overheid geld beschikbaar heeft vrijgemaakt voor de beveiliging van de Joodse gemeenschap, is volgens Grapperhaus het zelf regelen van beveiligen de norm: “Uitgangspunt is dat personen en organisaties zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen veiligheid. Indien dreiging en risico daar aanleiding toe geven kan de overheid aanvullende beveiligingsmaatregelen treffen.”

Daarnaast geeft hij aan dat de beveiliging door gemeenten geregeld wordt, en niet door het rijk. Zo stelt hij wel dat indien organisaties niet zelf voldoende weerstand kunnen bieden, de overheid aanvullende beveiligingsmaatregelen kan treffen, wat dan decentraal geregeld wordt. Doch ziet hij momenteel geen aanleiding om de mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming opnieuw te onderzoeken.

Vanzelfsprekend erkent Grapperhaus de belangrijke rol die de staat speelt bij het structureel beschermen van de Joodse gemeenschap. Hij stelt daarbij dat als het dreigingsniveau zou stijgen, dat gemeenten dan de mogelijkheid hebben om de beveiliging aan te scherpen en daarvoor indien nodig middelen zullen ontvangen van de rijksoverheid.