‘Maar wij noemen hen Joden’ – Interview met Prof Klaas A. D. Smelik

 

Voor wie zich wel eens verdiept heeft in literatuur over antisemitisme, is Klaas Smelik geen onbekende naam. Als onderdeel van de CIDI-informatiereeks schreef Smelik, die ereprofessor is aan de Universiteit Gent, eerder “De zeven levens van de Protocollen van de Wijzen van Zion” (2010) en “Tussen hoop en catastrofe: Tikva of Nakba” (2014).

Zijn laatste bijdrage aan de reeks, “’Maar wij noemen hen Joden’: Antizionisme in de praktijk” is een aanrader voor eenieder die de verhitte discussies over het Israëlisch-Arabisch conflict niet koud laat. Aan de hand van sterk weergegeven historisch kader en talloze voorbeelden uit Nederland en Vlaanderen geeft Smelik helder inzicht in wat soms als million dollar question behandeld wordt: wanneer is bij antizionisme sprake van antisemitisme, en wanneer van legitieme kritiek op Israël?

Op 17 april wordt bij CIDI ‘Antizionisme in de praktijk’ door Smelik gepresenteerd en overhandigd aan Tweede Kamerlid Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), die samen met Gert-Jan Segers (CU) onlangs een initiatiefnota voor een effectievere aanpak van antisemitisme heeft ingediend.

CIDI-medewerker Aron Vrieler nam een interview af met de schrijver om zijn ideeën sinds de afronding van het project alvast met u te kunnen delen.

 

AV: Professor Smelik, ik begin met een typische vraag: waarom heeft u dit boek geschreven?

KS: In 2015 publiceerde ik het boek “Antisemitisme: actualiteit van een historische ontwikkeling”. In het schrijfproces trok het antizionisme steeds meer mijn aandacht, en met name het verband tussen antizionisme zoals het in de praktijk voorkomt en antisemitisme. Vervolgens zie ik steeds meer dat gepoogd wordt om antisemitisme en antizionisme van elkaar te scheiden, alsof ze totaal los van elkaar zouden staan. Dat levert tal van incidenten op in de actualiteit waarbij antisemitische uitingen gedaan worden, waarvan men zich vervolgens probeert ‘vrij te pleiten’ onder het mom van ‘vrijheid van meningsuiting’.

Andersom zijn er weer mensen die vrijwel alle kritiek op Israël zien als antisemitisme. Dit levert dus een heel verwarrende situatie op. Het was dus nodig om de zaken goed op een rijtje te zetten en deze discussie in een historisch kader te plaatsen. Wat is nu vrijheid van meningsuiting, en wat valt daar eigenlijk niet onder? En wanneer is sprake van geoorloofde kritiek? Er wordt veel geschermd met de termen ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘antizionisme’ – ook als het gewoon antisemitisme betreft. Het is nodig om deze zaken eens goed uit te zoeken.

In mijn boek maak ik onderscheid tussen twee uitingsvormen van antizionisme. De ene vorm is de ‘onverbloemde’: hierin wordt geen moeite gedaan om antizionisme en antisemitisme uit elkaar te houden. De andere vorm noem ik ‘salonfähig antizionisme’. Dat is als het ware een ‘slimmere’ vorm, die wel zegt de twee dingen uit elkaar te willen houden. Maar als je er doorheen kijkt, zie je dat het vaak genoeg niet bij antizionisme blijft, en neigt naar antisemitisme. Het is een moeilijk, grijs terrein, en daarom beschrijf ik een hoop case studies, om dit inzicht te verduidelijken. Veel daarvan laat zien dat ook ‘salonfähig antizionsime’ alleen uiterlijke schijn is.

AV: Welk publiek had u in gedachten terwijl u het boek schreef?

KS: Eigenlijk iedereen die wel eens in verwarring wordt gebracht door berichten over dit onderwerp in de media. Het is zeker niet altijd makkelijk te herkennen wat er precies aan de hand is en wanneer er sprake is van antizionisme. Dit boek geeft daar uitgebreid handvatten voor.

Ik ben dan ook erg blij met het werk van Hans Knoop en Salomon Bouman. Beide zijn journalisten met enorme kennis op dit terrein, die ongezouten kritiek hebben op Israël en de regering-Netanyahu, maar daarbij niet in antizionisme vervallen. Voor mij als schrijver is het prettig om te kunnen laten zien dat de twee dingen dus wél samen kunnen gaan.

Ook CIDI wordt wel eens gezien alsof het klakkeloos de standpunten van Israël verdedigt, maar dat is niet terecht. CIDI is op veel manieren duidelijk kritisch over Israël; het zit veel ingewikkelder in elkaar dan dat. Ook daarom is het goed dat dit boek is geschreven.

AV: Hoe zouden docenten in het onderwijs eventueel gebruik kunnen maken van uw boek?

KS: Daarvoor is dit boek misschien wat uitgebreid, maar wel zou je op basis hiervan een lespakket kunnen ontwikkelen. Dat kan zeker interessant zijn, want we zien steeds vaker dat het conflict in het klaslokaal zijn rol opeist.

Mijn eerdere boek “Tussen hoop en catastrofe: Tikva of Nakba” (2014) gaat concreter in op het conflict. Misschien is het leuk om te noemen dat een uitgesproken pro-Palestijns criticus indertijd over mijn boek zei dat de auteur een verkeerd politiek standpunt inneemt, maar dat het dankzij de feitelijke beschrijving van gebeurtenissen alsnog het beste boek is dat over het onderwerp te krijgen is. Volgens mij laat dit zien dat er mogelijkheden liggen om een lespakket te ontwikkelen die dit thema behandelt.

AV: Hoe zit het met beleidsmakers – hoe zouden zij eventueel van het boek gebruik kunnen maken?

KS: Beleidsmakers had ik zeker in gedachten als lezerspubliek voor “Antizionisme in de praktijk”. Een gemiddeld politicus heeft maar weinig parate kennis over dit onderwerp, maar moet er wel geregeld beslissingen over nemen. Daarom ben ik ook blij dat ik het boek mag aanbieden aan een Tweede Kamerlid [Dilan Yeşilgöz-Zegerius, red.] die op dit thema haar sporen heeft verdiend.

Maar buiten Kamerleden krijgen ook beleidsmakers op andere bestuursniveaus vaak genoeg met dit onderwerp te maken. Denk bijvoorbeeld aan incidenten van het type ‘de verwarde man’. Vaak wordt in eerste instantie ontkend dat antisemitisme en antizionisme hier een rol in spelen, wellicht omdat betrokken beleidsmakers nu eenmaal weinig kennis van deze onderwerpen hebben. Aan de hand van concrete voorbeelden maak ik duidelijk waar het misloopt in het besluitvormingsproces.

Ik heb nog niet helemaal kunnen doorgronden waarom mensen zo huiverig zijn om een antisemitisch aspect als zodanig te benoemen. Neem bijvoorbeeld het incident waarbij laatst een marktkoopman op de Albert Cuypmarkt zijn buurman aanviel met een mes. Er zou sprake zijn van een burenruzie, of iets zijn met de lengte van de marktkraam … Terwijl het uiteindelijk ging om een geradicaliseerde Egyptenaar die uit islamitisch-fundamentele motieven zijn Joodse buurman te lijf ging.

AV: U slaagt erin indrukwekkend veel concrete voorbeelden te behandelen in uw boek. Welk hiervan vindt u het meest typerend?

KS: Ik begin het boek met het voorbeeld van de tweet van NIDA uit 2014, waarin Israël met IS (toen nog ISIS) wordt vergeleken. De linkse coalitie in de gemeenteraad van Rotterdam viel uiteindelijk uiteen, toen NIDA geen afstand wilde nemen van de uiting, maar de coalitiepartners waren daar aanvankelijk heel huiverig voor. Veel typerende aspecten komen in dit voorbeeld terug.  

Ook incidenten van over de grens, in Frankrijk, zijn veelzeggend over hoe verschillend de politiek met het onderwerp om kan gaan. Vergelijk bijvoorbeeld twee antisemitische moorden die in Parijs hebben plaatsgevonden; een in 2017 een in 2018. Tijdens de eerste was Hollande president. In zijn reactie heerste nog een sfeer van taboe rondom het antisemitische aspect. Maar president Macron benoemde dit wel gelijk na het incident in 2018, toen hij president was geworden.

In een passage over de dader van de moord in 2017, die Malinees was, vraag ik bijzondere aandacht voor Lassana Bathily. Hij was de supermarktmedewerker die het lukte om tijdens de aanslag op de koosjere supermarkt in Parijs in 2015 gegijzelden in veiligheid te brengen. Ook hij is van Malinese afkomst. Zijn voorbeeld is belangrijk om te memoreren, omdat de neiging wel eens bestaat om de islam te stigmatiseren en alle moslims als potentieel gevaarlijk weg te zetten, wat onjuist is.

Ik heb de eer gehad om Bathily te ontmoeten in de Tuin der Rechtvaardigen in Milaan, waar voor hem een boom is geplant. Hij stelde zich heel bescheiden op en zag zichzelf zeker niet als held. Toen ik hem vroeg waarom hij in die supermarkt Joodse mensen had gered met gevaar voor eigen leven, antwoordde hij dat zijn moeder dit hem zo had geleerd. Het toonde voor mij de juistheid aan van Etty Hillesums stelling dat men een volk niet mag beoordelen op grond van misdadig gedrag van sommige leden van dat volk.

AV: U woont al sinds 1990 in België. Moet de Belgische context als anders gezien dan de Nederlandse op dit onderwerp?

KS: Ik heb mijn boek nadrukkelijk voor de Nederlandse én Belgische lezers geschreven. Ik heb in Joods Actueel, een Joods maandblad hier, een artikel geschreven over antizionisme in de praktijk. Hierop werd ik gevraagd dit boek zo te schrijven dat het ook voor Vlaanderen relevant is.

Er zijn wel verschillen in de context te zien tussen Nederland en België. De Joodse gemeenschap in Nederland is doorgaans veel mondiger. Vooral in Antwerpen is een groot deel van de gemeenschap orthodox en naar binnen gekeerd. Er heerst een soort mentaliteit van ‘vooral niet opvallen’, die vrij typerend is bij Joden van Oost-Europese afkomst, uit wie de Joodse gemeenschap in Antwerpen grotendeels bestaat.

Hierbij vergeleken wordt door de Nederlands-Joodse gemeenschap snel protest aangetekend wanneer rechten of vrijheden van Joden in het geding komen. Een interessant voorbeeld is de discussie over het verbod op ritueel slachten. In België is het verbod gekomen, maar in Nederland niet, dankzij protest uit de Joodse gemeenschap. Wel begint dit langzamerhand te veranderen. De oprichting van Joods Actueel is hierin een doorbraak geweest. De situatie in België begint hiermee dus steeds meer op de Nederlandse te lijken.

 


Wilt u naar de presentatie van “Antizionisme in de praktijk” bijwonen? Dat kan door u even aan te melden via cidi@cidi.nl

Waar: Rabinzaal te Den Haag

Tijd: 19:00 uur, woensdag 17 april

Kosten: Gratis

Het boek is nu al te koop in de webwinkel van CIDI of via administratie@cidi.nl. Kosten: € 17,95 incl. BTW – excl. verzendkosten.